De ontwikkeling van plattelandsidentiteit

Het Nederlandse platteland mag zich verheugen in een grotere populariteit dan voorheen. Kwaliteiten als rust,ruimte en groen doen het goed in de woonvoorkeuren van de Nederlandse bevolking. Daarnaast bestaat er een toenemende belangstelling voor het streek-eigene. Er daagt een gouden toekomst voor plattelandsgebieden. Of niet? De vraag is of het zicht op actuele en toekomstige ontwikkelingen op het platteland wordt versluierd door een nevel van nostalgie. Wordt de ontwikkeling van regionale identiteit van plattelandsgebieden verstikt in de mist van de rurale idylle?

TEKST
Paulus Huigen

Jorwerd

Wie kent Jorwerd niet? Het prachtig geschreven boek van Geert Mak over Jorwerd is de biografie van een dorp tijdens de stille revolutie tussen 1945 en 1995. Inmiddels zijn zo’n 150.000 exemplaren van het boek verkocht. Het Nieuwsblad van Noorden van 28 augustus 1997 bericht over het verschijnsel Mak-toerisme in Jorwerd,de Volkskrant van 2 januari 1998 legt verslag van de nieuwjaarsviering in Jorwerd en de boekenweek van 1998 werd op 21 maart afgesloten met ‘it boekenbal fan Jorwert’. Jorwerd is het beroemdste dorp van Nederland. Wat is er gebeurd? ‘Pardon,wat bedoelt U eigenlijk? Hier is helemaal niets gebeurd’ stelt Eef Dijkstra van het Wapen van Baarderadeel in Jorwerd (Nieuwsblad van het Noorden,28 augustus 1997).
Er is niets bijzonders gebeurd in Jorwerd. Maar hoe komt het dat het boek van Mak zo’n succes heeft? ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ is een goed geschreven boek. Bovendien schrijft Mak over het dorp op een wijze die zeer herkenbaar is. En het lezen van het boek genereert een gevoel van weemoed,een verlangen naar de goede dingen die verloren zijn gegaan. Er zijn echter ook ander geluiden. Goffe Jensma stelt in zijn boekbespreking in De Gids (juni 1997) dat het beeld van het platteland dat wordt geschetst een negentiende-eeuwse constructie is die door zijn sentimentele werking bij uitstek functioneerde en functioneert binnen een stedelijk-intellectuele context. Het is het beeld van het ‘goede’ platteland dat verloren is gegaan.
Het Nederlandse platteland verandert snel en hevig. In dit artikel wordt geprobeerd aan te geven hoe die veranderingen kunnen worden geïnterpreteerd. Maar eerst krijgt de term ‘platteland’ de aandacht.

Platteland

Over de vraag wat platteland is,wordt al geruime tijd gedebatteerd. Een veel gebruikte aanduiding is dat landelijke gebieden die gebieden zijn waar de bevolkingsdichtheid laag is. Met een lage bevolkingsdichtheid wordt dan veelal uitgedrukt dat het gaat om gebieden met weinig bebouwing, weinig verstening. De uiterlijke verschijningsvorm, de morfologie van het gebied,is dan het onderscheidende criterium. Een dergelijke aanduiding is relatief en verschilt per land en per cultuur. Wanneer Europese of OECD standaarden worden gebruikt dringt de conclusie zich op dat er in Nederland (bijna) geen ‘rural areas’,geen platteland aanwezig is. Toch kennen we in Nederland plattelandsvernieuwing en een bloeiende bond van plattelandsvrouwen. Blijkbaar is platteland in Nederland toch iets anders dan platteland in andere landen en culturen. Platteland betekent meer dan morfologie.
Om aan te geven wat platteland is,wordt de morfologische dimensie veelal aangevuld met functionele criteria. Het gaat dan om gebieden die ver van de stedelijke sociaal-economische concentratiegebieden liggen en/of waar bepaalde relatief extensieve ruimtelijke functies als landbouw,bosbouw en/of natuur dominant in het ruimtegebruik aanwezig zijn. Wat platteland is,wordt gekoppeld aan de activiteiten die in een gebied plaatsvinden en de functie die het gebied vervult in de wijdere samenleving. Ontwikkelingen langs deze functionele dimensie,zoals intensivering in de landbouw (intensieve veehouderij,glastuinbouw) en de afname van het belang van fysieke afstand,maken het moeilijk om op basis van functionele criteria aan te geven wat landelijke gebieden zijn.
Naast een morfologische en functionele dimensie om platteland te onderscheiden,bestaat ook een klassieke sociaal-culturele dimensie. Tonnies zette al in 1887 twee typen samenlevingen tegenover elkaar: de ‘Gemeinschaft’,een overzichtelijke plattelandssamenleving gekenmerkt door territoriale binding,persoonlijke relaties en sociale homogeniteit, waar primaire groepen (gezin en familie) de basiseenheden vormen. Daartegenover staat de ‘Gesellschaft’,een meer op het individu gerichte, onoverzichtelijke stedelijke samenleving met meer onpersoonlijke,rol-georiënteerde en formele relaties. Het praktisch onderscheiden van platteland en stad langs deze klassiek sociaal-culturele dimensie lijkt door maatschappelijke ontwikkelingen in de afgelopen decennia,zoals de toename van de mobiliteit,de stijging van de welvaart en ontwikkelingen in de communicatietechnologie,achterhaald. Echter in het denken over platteland zijn het juist dergelijke culturele verschillen tussen stad en platteland die momenteel de aandacht trekken. ‘Je moet wel een blind paard zijn om niet te zien dat de wijze van werken,de geschiedenis,de rituelen,de verhouding tussen privé en publiek,de vriendschaps- en familiebanden,de omgang met geld en goederen,de houding ten aanzien van natuur en godsdienst,de binding met de woonplek,kortom,alles wat een cultuur bepaalt,in een dorp nog altijd anders is getoonzet dan in een stad. Zelfs binnen Nederland. En wie het tegendeel beweert doet noch recht aan het fenomeen dorp,noch aan het fenomeen stad.’10
Het beeld dat bestaat over wat typisch landelijk is,verschilt voor verschillende actoren1. In hun aanduiding wat landelijk is,hanteren actoren (boeren,bewoners,natuuractivisten,planners) verschillende prioriteiten. De beelden van wat typisch landelijk is,zijn aan te duiden als cultuurbeelden,als mentale constructies. In verschillende perioden domineren, afhankelijk van de machtspositie die een bepaalde groepering van actoren met een gemeenschappelijk plattelandscultuurbeeld inneemt,bepaalde plattelandscultuurbeelden. Deze cultuurbeelden bevatten niet alleen een voorstelling van wat landelijk is,maar ook een normstelling van wat platteland dient te zijn. Platteland is,wordt en blijft
omstreden.
Plattelandscultuurbeelden zijn gebaseerd op hoe het platteland was,het platteland van het verleden. Het platteland van de toekomst is er nog niet. Onze voorstellingen van en maatstaven voor het beoordelen van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op het platteland zijn gebaseerd op het landelijk gebied dat we kennen. Maar het is zeker dat het platteland verandert en zal veranderen. De vraag is dan ook niet of er ook in de toekomst platteland overblijft,de vraag is wat voor platteland dat zal zijn.

Het Nederlandse platteland verandert

Plattelandsstreken,landelijke gebieden en landelijke gemeenten integreren in de wijdere Nederlandse verstedelijkte samenleving8. Er treedt vervlechting van landelijke en stedelijke gebieden op. De achtergrond hiervan is de optredende schaalvergroting van het bestaan. Actoren (huishoudens, bedrijven en instellingen) ontplooien hun activiteiten in een geografisch wijdere ruimte. Informatie uit geografisch verre streken is binnen bereik, de belevingswereld is werkelijk ‘global’ geworden.
Deze vervlechting tussen stedelijke en landelijke gebieden betekent dat de uitwisseling van actoren,goederen en informatie tussen stedelijke en landelijke gebieden toeneemt. Plattelandsgebieden worden daarbij geconfronteerd met een ‘trek naar buiten’,die zich in de samenleving als geheel voordoet. In de hectische,informatierijke,drukke,in hoge mate versteende,sociaal-economische concentratiegebieden zijn verschillende groepen actoren op zoek naar de rust,de ruimte en het groen van het landelijk gebied,van het dorp.
In het nationale beleid is in toenemende mate aandacht voor natuur,landschap en milieu. ‘Mag er nog ergens ruimte blijven in het volle Nederland?’ Verstedelijking van het platteland roept maatregelen op om het platteland te beschermen.
Natuur- en landschapsorganisaties staan op de bres om de vermeende laatste waardevolle resten natuur te behouden en te beheren. Maar dat niet alleen,er dient ook natuur en landschap ontwikkeld te worden. Het platteland is nog lang niet af. Natuur en landschapsbelangen zijn,dankzij brede maatschappelijke steun voorzien van veel middelen en hebben een professionele organisatie. Op basis van de hoeveelheid ruimte,in bezit of in beheer,vormen zij een machtsfactor om rekening mee te houden.
Tuinieren is een miljardenbranche,men hult zich in sportieve buitenkleding,onderneemt outdoor-activiteiten,men gaat ‘wat doen’ tijdens de vakantie en uitwaaien op het strand op mooie winterse dagen veroorzaakt files. Plattelandsgebieden krijgen met steeds meer verschillende groepen tijdelijke bewoners te maken.
Ook de aantallen verschillende min of meer permanente vestigers in de landelijke gemeenten nemen toe. Tussen-twee-werkplekken-woners,twee-adressen-woners (woning in landelijk gebied,pied-à-terre in stedelijk gebied),lange en korte afstandsforenzen,tele-forenzen,lage woonlasten-meer ruimte-woners,pensioenmigranten,fitte vutters: voor verschillende categorieën in de samenleving vormen delen van het landelijk gebied een gewenst woonmilieu.
Een plattelandscultuurbeeld dat hierbij hoogtij lijkt te vieren,met name bij verschillende nieuwe vestigers,is de rurale idylle. De rurale idylle presenteert het plattelandsleven als een prettig,gezond en probleemloos bestaan,veilig genesteld in een hechte gemeenschap en een aantrekkelijke natuurlijke omgeving3; 12. De attitudes die uit een dergelijk cultuurbeeld voortvloeien,neigen naar cultuur-ecologisch conservatisme, behouden om te behouden. Musealiseringstendensen zijn volop aanwezig.
Niet alleen voor verschillende huishoudens,ook voor verschillende bedrijven en instellingen kunnen bepaalde delen van plattelandsgebieden een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn. Daarnaast kennen verschillende ondernemers delen van het platteland de kwaliteit toe van een attractieve leef- en woonomgeving. Voor verschillende vormen van bedrijvigheid is geografische centraliteit niet meer een vereiste om bereikbaar te zijn.
Kortom,het integratieproces waaraan plattelandsgebieden onderhevig zijn en zullen zijn,de toenemende vervlechting met de wijdere samenleving, leidt ertoe dat de plattelandsgebieden in de toekomst worden geconfronteerd met meer en meer verschillende actoren van buiten.

Blijft er dan niets hetzelfde?

Naast dynamiek die samenhangt met functieveranderingen,is er ook altijd continuïteit. De toekomst bouwt ook voort op het verleden.
Het Nederlandse platteland kent van oudsher een belangrijke landbouwfunctie. Voor de toekomst is de landbouwfunctie getypeerd met de trefwoorden ‘minder’ en ‘diverser’4. Minder pure landbouwbedrijven,minder ruimtegebruik door de landbouw,minder werkgelegenheid in de primaire landbouw,maar ook minder negatieve milieu effecten van landbouwuitoefening. Daarnaast zal de diversiteit van de landbouwuitoefening toenemen. Landbouwdiversificatie neemt verschillende vormen aan. Er worden nieuwe activiteiten ondernomen die gerelateerd zijn aan de landbouw,zoals het telen van andere voedselgewassen,het telen van andere niet-voedselgewassen (agrificatie),en het integreren van activiteiten hoger in de productiekolom op het landbouwbedrijf,bijvoorbeeld het zelf-kazen en poortverkoop. Daarnaast zien we dat ook niet-aan de landbouw gerelateerde activiteiten worden verricht: het werken buiten het agrarisch bedrijf, het aanbieden van diensten en goederen aan recreanten en toeristen,en activiteiten verband houdend met het beheren en ontwikkelen van natuur en landschap. Agrarische ondernemers worden meer plattelandsondernemers.
Naast deze relatief nieuwe vormen van de landbouwbeoefening is ook de meer traditionele ontwikkelingslijn van de landbouw waar te nemen, gericht op verhoging van produktiviteit door middel van kostenreductie en schaalvergroting. Ook de gangbare landbouw,waarbij tegen lage kostprijs bulk met een redelijke basiskwaliteit wordt geproduceerd,
past binnen die landbouwdiversiteit.
De relatie tussen landbouw enerzijds en lokale en wijdere samenleving anderzijds verandert ook9. De landbouwbedrijfsvoering is na de Tweede Wereldoorlog losser komen te staan van zijn fysieke en sociale omgeving door rationalisatie en productie voor de wereldmarkt. Er is de-ruralisatie van de landbouwbedrijfsvoering opgetreden. De landbouwbedrijfsvoering is minder geworteld geraakt in de (plattelands)samenleving. Een hoogtepunt van deze de-ruralisatie is de maatschappelijke verwerping van de situatie in de varkenshouderij met haar mestoverschotten. De associatie van platteland met mest versluiert het zicht op ontwikkelingen waarbij de relatie tussen landbouwbedrijfsvoering en (plattelands)samenleving weer wordt aangehaald.
Er treedt ruralisatie van de landbouwbedrijfsvoering op. Landbouwbeoefenaars krijgen weer meer te maken met burgers,burgers willen meer betrokken worden bij,of zich meer bemoeien met de landbouw. Sommige landbouwbedriijven ontwikkelen zich meer in de richting van de consument (poortverkoop,streekproducten,recreatie),anderen richten zich op verschillende vormen van productie (bulk,omgeving, natuur,water), weer andere doen de landbouw erbij (parttime,hobbyboeren). Hierdoor neemt de diversiteit van landbouwbeoefening toe.
Voor de toekomst van de landbouw geldt hetzelfde als voor de toekomst van het platteland. De vraag is niet of er landbouw zal blijven,de vraag is wat voor landbouw dat is. Is de huidige intensieve veehouderij wel landbouw? En glastuinbouw? En wat te denken van landgoederenbeheer, natuurontwikkeling en een het onderhouden van een grote tuin? De landbouw van de toekomst past niet meer in de huidige landbouwpraktijk.

Nieuwe functies en programma’s

Het trefwoord voor de toekomst van de functie natuur en landschap is ‘meer’. Daarbij zal zowel natuurontwikkeling, verwoesting, ontpoldering,vernatting als het traditionelere behoud en bescherming worden toegepast. De roep om meer wildernis zal tegelijk klinken met de ontwikkeling van parkachtige tuin- en landbouwgebieden. Natuur- en landschapsorganisaties worden voor de landelijke gemeente uitvoerders, onderhandelingspartners en tegenstanders. Ook binnen deze functie zijn er tegenstellingen tussen natuurontwikkeling,landschapsontwikkeling, behoud van historisch landschapspatronen. Er bestaan verschillende plattelandscultuurbeelden over natuur en landschap. Ook natuur en landschap zijn omstreden.
De verstening van de landelijke gebieden neemt toe. Ook hier is een mengeling tussen eenvormigheid en verscheidenheid te zien: naast de traditionele rijtjeshuizen met tuin,de vrijstaande cataloguswoningen gebouwd op eigen kavel,nieuwe buitens en (een paar) nieuwe landgoederen. Omheind wonen,’gated communities’ en ‘defended neigbourhoods’5, veilig en geborgen voor negatieve invloeden vanuit de boze buitenwereld en bedreigingen voor de sociale en culturele identiteit van buurt en dorp, en woonarrangementen (woning inclusief indien gewenst verzorging en tuinonderhoud) zijn de wellicht wat extreme uitkomsten van een ruimtelijke uitsortering van huishoudens.
Op het platteland zal ook in de toekomst een verscheidenheid aan bedrijvigheid waarneembaar zijn. Naast kleinschalige plattelandsondernemingen min of meer gerelateerd aan een vorm van landbouwbeoefening,verzorgende bedrijvigheid voor de plattelandsbevolking,bedrijvigheid voortkomend in het kielzog van het wonen (er zit altijd wel een ondernemend type dat iets gaat doen),bedrijvigheid gericht op het benutten en ontwikkelingen van de rust,ruimte en het groen van het platteland (recreatie en toerisme,natuur en landschap),kan ook worden gedacht aan bedrijvigheid gericht op productie van goederen. Dit kan bedrijvigheid zijn waar kwaliteits- en bulklandbouwproducten worden geproduceerd. Maar ook waterproductie en een minder ‘mooi’ product als afvalverwerking vinden er hun plek. Daarnaast zal de ruralisatie van de industrie,de aanwezigheid van industriële bedrijvigheid in vooral de enigszins van de sociaal-economische centra verwijderde gebieden,doorzetten.
Het platteland is in het verleden op de eerste plaats een productieruimte geweest. Het bracht voornamelijk voedsel en grondstoffen voort. Op dit moment is dit voor bepaalde landelijke gebieden nog steeds zo,en het kan zelfs toenemen door nieuwe activiteiten met een productief karakter,zoals afvalverwerking en waterwinning. Toch is er een verschuiving naar het landelijk gebied als consumptieruimte waar te nemen en deze trend zal in de toekomst doorzetten. Daarbij wordt het landelijk gebied zelf geconsumeerd. Dit gebeurt in de vorm van een toename van het belang van de activiteiten wonen – een plezierige woonomgeving,groen,rust en ruimte -,en recreatie en toerisme,waarbij het platteland zelf vooral visueel,als decor,wordt geconsumeerd. Het platteland wordt daarmee een te verhandelen object,het platteland commodificeert. De natuur-,landschappelijke en cultuurhistorische waarden op het platteland en de aanwezige sociale en economische kwaliteiten die passen binnen dominante plattelandscultuurbeelden als de ‘rurale idylle’,nemen daarmee in belang toe voor de sociaal-ruimtelijke ontwikkeling van de plattelandssamenleving.

Regionale profilering

De sociaal-ruimtelijke ontwikkeling van plattelandsgebieden zal plaatsvinden in het spanningsveld tussen globalisering en regionale profilering. Daarbij wordt gezocht naar vernieuwing of versterking van de bestaande regionale identiteit.
In een tijd waar steeds meer sprake is van globalisering zoeken mensen een herkenbaar referentiepunt in de eigen omgeving. Regionale of lokale identiteit is zo’n referentiepunt,stellen Van der Borgt et al.2. De regionale of lokale identiteit wordt opgehangen aan aanwezige bijzondere,als min of meer authentiek gewaardeerde,kwaliteiten van het plattelandsgebied. Deze kwaliteiten kunnen zich in veel gedaanten voordoen: taal,tradities,streekproducten,erfgoed,cultuur-historie,natuur- en landschapswaarden. In het proces van identiteitstoekenning lijkt het nostalgische plattelandscultuurbeeld van de rurale idylle dominant te zijn.
Er wordt zwaar geleund op het verleden.
Terecht stelt de VROM-raad15 dat zij bij de perspectieven van Nederland 2030 een perspectief mist waarbij de regionale diversiteit,ingebed in een Noordwest-Europese invalshoek,veel sterker is uitgewerkt. In dit verband kan de vraag worden gesteld,welke koers er wordt gekozen voor plattelandsgebieden in het Noorden: een keuze voor óf aantapping van het Noorden bij het centrale stedelijke netwerk van Noordwest-Europa óf een keuze voor versterking en bescherming van de ecologische en recreatieve potenties van plattelandsgebieden. De laatstgenoemde koers kan worden gesteld in termen van het versterken van een regionale plattelands-
identiteit. De concrete vraag is dan of een beleid gericht op concentratie van verstedelijking,een perspectief van Stedenland (Nederland 2030) of Stedenland-plus15 als strategie voor het (grotendeels) vrijwaren van platteland van verstedelijking wel zo gunstig zijn. Wanneer we de ‘trek naar buiten’ in de woon- en recreatievoorkeuren serieus nemen,en ervan uitgaan dat die trek zich zal voordoen ondanks beleid,is de vraag hoe woonwensen kunnen worden gehonoreerd en tegelijkertijd de regionale plattelandsidentiteit kan worden versterkt.
Regionale profilering geënt op het ontlenen van identiteit aan de sociaal-ruimtelijke omgeving impliceert hoe dan ook een toename van het aantal twistpunten in plattelandsgebieden. Regionale en lokale identiteit zijn altijd omstreden,want ze resulteren altijd in winnaars en verliezers. Daarbij komt dat identiteitsversterking veelal ook een proces van ‘afzetten tegen’ is. Het is een proces van uitsluiting van ‘de anderen’,’de vreemden’,zowel in termen van actoren als activiteiten. Wie weert ‘witte schimmel’ en op basis van welke argumenten? Is verstedelijking van het platteland een kwestie van ‘Na mij de deur dicht?’

De smaakbepalers van het platteland

De bottom-up gedachte in plattelandsvernieuwing lijkt moeilijk te realiseren daar steeds meer actoren van buiten plattelandsgebieden zich met het platteland gaan bemoeien. Bovendien lijkt de ‘papieren’ beleidslijn (het geformuleerde beleid,de plannen) apart te staan van de implementatie (geldstromen,projectfinanciering). Zodra er geld in het geding is,dient er ook verantwoording te worden afgelegd en dat impliceert dat bottom-up processen altijd top-down ingebed dienen te zijn. Geslaagde bottom-up projecten (projecten die gefinancierd worden) zijn veelal die projecten die worden opgesteld door actoren die reeds in markttermen succes hebben: de kans op commercieel succes is een van de toekenningscriteria. Daarnaast bestaat de kans dat bij het uitlokken van bottom-up initiatieven van bijvoorbeeld bewonersgroeperingen uiteindelijk blijkt dat er in de reeks van ontplooide kleinschalige initiatieven geen rode draad valt te ontdekken (inconsistentie) en dat de initiatieven niet sporen met beleid dat op een hoger schaalniveau wordt gewenst (dorpsbelangenvereniging versus streekplan).
Dergelijke overwegingen leiden automatisch tot de vraag wie de toegang tot het platteland bepaalt,wie richting geeft aan de regionale profilering van plattelandsgebieden. Nu al is duidelijk dat de nieuwe verhoudingen als gevolg van de veranderingen op het platteland consequenties hebben voor de poortbewaking tot het platteland. Plattelandsgebieden worden meer een ruimte voor consumptieve activiteiten en commodificeren. Bepaalde ruimtegebruikers,voorzien van veel middelen als kapitaal of publieke ondersteuning van buiten het platteland,komen door eigendomsverwerving in een sterkere positie om hun plattelandscultuurbeeld te verwerkelijken en de toegang tot hun plattelandsruimte te reguleren. Wie en wat wordt toegelaten tot de plattelandsruimte,wie en wat wordt buitengesloten?
In het verlengde van de poortbewaking van het platteland kan ten slotte de vraag worden gesteld of de geschetste actuele en toekomstige ontwikkelingen leiden tot een toenemende regionale verscheidenheid op het platteland of tot een regionale uniformering. Is het platteland onderhevig aan ver-streking,regionale differentiatie door waardetoekenning aan streek-eigen kwaliteiten,of ontstreking,uniformering in de vorm van verstikking van de ontwikkeling van de regionale identiteit door de rurale idylle van machtige poortbewakers? Er komen pittige tijden.

Literatuur

1 Borgstein,M.H., R.P.M. de Graaff, J.H.A. Hillebrand et al. (1997), Ketens en plattelandsontwikkeling: markt-,keten- en netwerkkennis toegepast op het landelijk gebied: een programmeringsstudie,NRLO-Rapport nr. 97/34,NRLO,Den Haag
2 Borgt,C. van der,A. Hermans en H. Jacobs (1996),Een groeiende belangstelling voor de eigen regio,in: C. van der Borgt et al. (eds.), Constructie van het eigene: culturele vormen van regionale identiteit in Nederland,P.J. Meertensinstituut,Amsterdam,p.1-4
3 Cloke,P. & P. Milbourne (1992),Deprivation and lifestyles in rural Wales: rurality and the cultural dimension,in: Journal of rural studies,8 (4), p.359-371
4 Driessen,P.P.J.,P. Glasbergen,P.P.P. Huigen et al. (1995), Vernieuwing van het landelijk gebied: een verkenning van strategieën voor een gebiedsgerichte aanpak,VUGA,Den Haag
5 Engelsdorp Gastelaars,R. van (1996),Het verdwijnen van de leefwereld, de opkomst van het woondomein; collectief ervaren territoriale binding op laag niveau in Nederland,in: W. Derksen en W.G.M. Salet (red.), Bouwen aan het binnenlands bestuur,Sdu Uitgevers,Den Haag,p.135-147
6 Haartsen,T.,P. Groote & P.P.P. Huigen (1998),Rural Landuse changes and the image of the countryside: a Dutch rural idyll? Paper for the EAAE Seminar: Plurality and Rurality: the changing role of the countryside in urbanized regions,The Netherlands,November 11-14,1998,Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen,Rijksuniversiteit Groningen,Groningen
7 Hoggart,K.,H. Buller and R. Black (1995),Rural Europe: Identity and change,Arnold (Hodder Headline Group),London
8 Huigen,P.P.P. (1996),Verliest het platteland zijn streken? Inaugurele rede,Rijksuniversiteit Groningen, Groningen
9 Huigen,P.P.P. en D. Strijker (1998),De relatie tussen landbouw en samenleving: een proces van afstoten en aantrekken,NRLO-Rapport nr. 97/39,NRLO,Den Haag
10 Mak,G. (1996),Hoe God verdween uit Jorwerd. Een Nederlands dorp in de twintigste eeuw,Uitgeverij Atlas,Amsterdam/Antwerpen
11 Meyer,H. von (1997),Rural employment in OECD countries: structure and dynamics of regional labour markets,in: R.D. Bollman and J.M. Bryden (eds.),Rural employment: an international perspective,CAB International Oxon (U.K.) / New York (U.S.A.),p.3-21
12 Mingay,G.E. (ed.) (1989),The rural idyll,Routledge,London
13 Nederland 2030 – Discussienota. Verkenning Ruimtelijke Perspectieven,Ministerie van Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,Den Haag
14 Robinson,G.M. (1990),Conflict and change in the countryside, John Wiley & Sons, New York
15 VROMraad (1998),Stedenland-Plus. Advies over ‘Nederland 2030 – Verkenning ruimtelijke perspectieven’ en de ‘Woonverkenningen 2030’, VROMraad (Advies 005,16 april 1998),Den Haag
16 Walmsley,D.J. and G.J. Lewis (1993),People & environment: behavioural approaches in human geography,2nd edition,Longman Group,Essex (U.K.)
Prof. dr. P.P.P. Huigen,dr. P. Groote en mevr. drs. T. Haartsen zijn verbonden aan de vakgroep Sociale Geografie van de Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50