Sociale cohesie en dorpsverenigingen op het Drentse platteland

‘Als je vroeger op een vereniging zat dan bleef je erbij. Het is nu toch meer hap snap. De stabiliteit is er niet meer. Die vanzelfsprekendheid is er niet meer.’

TEKST
Frans Thissen

Toch is er reden om het thema sociale cohesie ook in een rurale context aan de orde te stellen. De goede reputatie van dorpssamenlevingen is gebaseerd op het – vaak geromantiseerde – beeld van de traditionele community: een min of meer besloten territoriale gemeenschap gekenmerkt door lokaal-territoriale relaties en onderling hulpbetoon. De traditionele community is verbonden met een traditionele boerencultuur waarin de bewoners voor hun overleving afhankelijk waren van traditionele omgangsregels. Het Nederlandse platteland is echter zozeer veranderd dat dorpssamenlevingen niet meer als traditionele boerenculturen getypeerd kunnen worden. De meeste dorpsbewoners zijn geen boeren meer, maar hebben hun broodwinning ver van huis: voor hen is het dorp vooral woonplek. En de boeren die nog wel lokaal werkzaam zijn, zijn mobiele ondernemers met een moderne bedrijfsvoering geworden.

Import, huisvrouwen en jongvolk

Geert Mak (1996) geeft een treffende beschrijving van de teloorgang van een met de boerencultuur verbonden dorpssamenleving in het Friese dorp Jorwerd. Van de sociale veranderingen in dit dorp schetst hij een aantal beelden. Een belangrijke verandering betreft de komst van bewoners van buiten. Geert Mak laat ‘zijn’ Oebele van Zuilen over import zeggen: ‘Ze zijn anders, stadser, groeten minder. Ze wonen hier wel, maar ze hebben hun werk buiten het dorp, en het dorp zelf interesseert ze niet meer’. Mak constateert echter ook sociale verandering van binnen uit, ook de echte Jorwerters veranderen. Mak laat Marieke Treep daarover het volgende zeggen: ‘Een huisvrouw had vroeger een belangrijke functie binnen het dorp, en daar hoorde bijvoorbeeld ook de burenhulp bij. Maar naarmate meer vrouwen werken verdwijnt dat allemaal.’ En dan is er nog de binding aan de woonplaats: die is – vooral door de auto – ingrijpend veranderd. Sikke Kooistra, de vroegere kruidenier van Jorwerd, zegt daarover: ‘Toen er geen auto was moest alles in het dorp gebeuren. Nu gaat het jongvolk zelfs in Groningen uit dansen.’
De vraag die zich voordoet is: welke gevolgen hebben deze maatschappelijke veranderingen voor de sociale cohesie op het Nederlandse platteland? Leven de traditionele vormen van sociale cohesie (nog) voort? Komen er nieuwe vormen voor in de plaats? Of komt de sociale cohesie op het platteland net als in de steden onder druk te staan? Is dit overal hetzelfde of verschilt het van plaats tot plaats?

Onderzoek in Drenthe

Deze vragen vormden de leidraad voor een onderzoek dat wij met 63 tweedejaars studenten sociale geografie van de Universiteit van Amsterdam in het voorjaar van 1998 hebben uitgevoerd in elf dorpen in de gemeente Aa en Hunze. Bij 422 bewoners van deze dorpen hebben we een enquête afgenomen met vragen over hun sociale netwerken en hun betrokkenheid bij het (lokale) verenigingsleven, het vrijwilligerswerk en de plaatselijke politiek. Bij 31 bewoners is bovendien een open interview over dezelfde thema’s gehouden. Ten slotte is met 110 vertegenwoordigers van verenigingen een gesprek gevoerd.
De elf dorpen in het onderzoek laten iets zien van de verscheidenheid die in Drenthe bestaat: dorpen op zand of veen, kleine of wat grotere dorpen, traditionele en meer moderne dorpen. In dit artikel wordt een beeld van deze lokale verschillen gegeven zonder de situatie in afzonderlijke dorpen te beschrijven. De aandacht is gericht op de verscheidenheid in het algemeen. Daarmee kunnen de conclusies van het onderzoek in Aa en Hunze ook betekenis hebben voor de situatie elders in Drenthe of het Noorden.
De verscheidenheid in sociale cohesie die in de dorpen in Aa en Hunze bestaat, illustreren we aan de hand van drie thema’s. In de eerste plaats laten we de verscheidenheid in vormen van sociale cohesie zien aan de hand van netwerken van bewoners, hun activiteiten en hun oordeel over het lokale woonmilieu. In de tweede plaats gaan we in op continuïteit en vernieuwing in het plaatselijke verenigingsleven. En ten slotte komt de relatie tussen sociale en politieke participatie aan de orde.

Traditionele vormen

Een viertal dorpen – Anderen, Eext, Grolloo en Spijkerboor – en enkele oude buurten binnen Gieten representeren in dit onderzoek de meer traditionele dorpssamenlevingen in de gemeente Aa en Hunze. Het gaat daarbij om relatieve verschillen, het echt traditionele dorp bestaat niet meer. Toch vertonen de netwerken van de bewoners, hun deelname aan het verenigingsleven en vrijwilligerswerk en hun binding aan het dorp nog trekken van een traditionele dorpssamenleving.
Sociale netwerken blijken in deze dorpen vaak lokaal en hecht: naast familieleden die in hetzelfde dorp wonen, zijn er intensieve contacten met vrienden en buren. Burenhulp op basis van wederkerigheid is er belangrijk. Vrienden maak je daar nog vaak omdat je in hetzelfde dorp woont.
Dat is ook typerend voor het lokaal verenigingsleven in traditionele dorpen: men is er vaker lid van verenigingen die lokale activiteiten organiseren, van buurt- en straatverenigingen en van dorpsbelangenverenigingen. Het opvallende van deze verenigingen is dat ze lokaal rekruteren: je bent lid van dergelijke verenigingen omdat je in het dorp woont. Voor de meeste bewoners is het geen actief lidmaatschap, maar een donateurschap. Een van de respondenten zegt daarover: ‘Dat is zo’n ongeschreven regel, dat doe je gewoon. Als je in een dorp woont, dan heb je ook een aantal verplichtingen. Ik weet ook dat een aantal dingen er gewoon bij horen, zoals donaties, ondersteuning van het verenigingsleven.’
De binding met het traditionele dorp is voor veel bewoners nog een emotionele en exclusieve binding aan het ‘eigen dorp’: aan het dorp waarin men door geboorte en lange woonduur ‘geworteld’ is.

Woondorpen

Hoewel traditionele vormen van sociale cohesie nog steeds sterk verankerd zijn in de Drentse dorpssamenleving, zijn er aanwijzingen dat ze gebaseerd zijn op voorwaarden waaraan steeds minder vanzelfsprekend wordt voldaan. Nederlanders wonen immers in toenemende mate in andere dorpen of buurten dan waar zij zijn geboren of opgegroeid, en zij verhuizen tijdens hun leven steeds vaker in samenhang met hun levensfase en arbeidscarrière. In ons onderzoek was 82% van alle bewoners buiten het dorp geboren en getogen. Dorpsbewoners komen bovendien in toenemende mate voor werk en andere activiteiten vrijwel dagelijks buiten hun dorp. In ons onderzoek had twee derde van de bewoners betaald werk buiten het eigen dorp. Ten slotte kan uit dit onderzoek worden opgemaakt dat naast dorpsbinding andere vormen van binding in betekenis toenemen. Deze ontwikkeling heeft als belangrijkste achtergrond dat de woonfunctie van dorpen steeds belangrijker wordt. Door verlies van arbeidsplaatsen in het dorp en een groeiende woon-werkafstand, door het verlies van lokale voorzieningen en door de steeds belangrijkere plaats die de woning in ons leven inneemt, worden dorpen in de eerste plaats ‘woondorpen’.
Moderne vormen van sociale cohesie zijn dan ook vooral te constateren in dorpen en buurten die binnen de regionale woningmarkt als aantrekkelijke woonmilieus worden beoordeeld. In ons onderzoek betreft dat Anloo, Eexterveen, Ekehaar, Gasselte en de buurten aan de noordrand en de zuidrand van Gieten. Vanwege hun aantrekkelijkheid vormen zij de favoriete woonplaatsen van bemiddelde huishoudens. De lokale sociale cohesie is in deze dorpen en buurten wat minder dan in traditionele dorpen, maar veel belangrijker is te benadrukken dat de sociale cohesie daar anders is, een ander karakter heeft.

Dorpstrots

Ook de bewoners van bemiddelde dorpen en buurten hebben hechte familie-, vrienden- en burennetwerken. Deze netwerken zijn echter veel minder exclusief op het eigen dorp gericht. Naast contacten met dorpsbewoners heeft men ook contacten met familie en vrienden op afstand.
Ook het karakter van het lokale verenigingsleven en de deelname daaraan zijn anders. Rekrutering geschiedt niet op territoriale basis, maar op basis van leefstijl. Of zoals een van de bewoners ons vertelde: ‘Wij vinden het geen criterium om met mensen om te gaan die in hetzelfde dorp wonen, wij vinden het criterium dat je met mensen omgaat die gelijk gericht zijn.’
In bemiddelde dorpen leidt dit niet snel tot volledige afzijdigheid van het lokale verenigingsleven. Wel is men in bemiddelde dorpen en buurten lid van andere lokale verenigingen, zoals culturele verenigingen, sportverenigingen en vrouwenverenigingen. Men is ook vaker lid van niet-lokale verenigingen. Alleen in de bemiddelde wijken van Gieten is sprake van enige afzijdigheid van het lokale verenigingsleven.
Ten slotte is er sprake van een andere binding met de woonplaats, een binding die minder afhankelijk is van ‘autochtoniteit’ en lange woonduur. In navolging van de socioloog Jaap Groot (1989) spreken we over lokaal bewustzijn. Mak heeft het over dorpstrots. Lokaal bewustzijn of dorpstrots is niet alleen te vinden onder bewoners die in het dorp geboren en getogen zijn, maar ook onder bewoners die er nog maar kort wonen. Lokaal bewustzijn komt vooral tot stand in een woonomgeving met een aantrekkelijke woonomgeving en een duidelijke eigen identiteit.

Aandacht voor ouderen

Wie het onderzoeksgebied goed kent, zal direct begrijpen dat niet alle dorpen in deze ontwikkeling even gemakkelijk mee kunnen komen. Door hun bewoningsgeschiedenis heeft vooral de woningvoorraad in bepaalde dorpen, met name die in de veenkoloniën – in ons onderzoek gerepresenteerd door Gieterveen en Gasselternijveen – kenmerken ontwikkeld die passen bij minder bemiddelde huishoudens. Daarnaast spelen soms ook handicaps in de woonomgeving een rol. Deze minder bemiddelde dorpen fungeren als begin- en eindstation in de wooncarrière van veel dorpsautochtone bewoners.
De minder bemiddelde buurten van grotere kernen – zoals Gieten – vormen het eindstation in de wooncarrière van veel streekautochtone bewoners. Vanuit een oogpunt van sociale cohesie zijn het vooral de ouderen in deze wijken die aandacht behoeven. Het gaat om bewoners die hun wortels met hun geboortedorp en een rurale leefstijl hebben verloren, in veel gevallen geen aansluiting hebben gevonden bij de sociale verbanden in de andere buurten van hun dorp en die bij het ouder worden sterk op de kwaliteit van de eigen buurt zijn aangewezen. In die woonomgeving hebben zij bovendien te maken met starters op de regionale woningmarkt, die een andere leefstijl hebben en hun woning aldaar als een tijdelijke tussenstap beschouwen. Het lokale verenigingsleven heeft in deze dorpen en buurten in feite een deel van de kwaliteiten van het traditionele dorp verloren. Compensatie door op wonen gerichte ontwikkelingen vindt daar onvoldoende plaats.

Lokaal verenigingsleven

In het begin van de jaren vijftig voerden het Amerikaanse echtpaar John en Dorothy Keur een onderzoek uit in het dorp Anderen. Via de methode van de participerende observatie schetsten zij een indringend portret van een kleine Drentse dorpssamenleving aan de vooravond van de transformatieprocessen die zich vanaf de Wederopbouw op het Nederlandse platteland hebben voorgedaan. Daarop terugkijkend is het relatieve isolement waarin de bevolking van Anderen zich tot op dat moment bevond het meest treffend. Een groot deel van het leven speelde zich af binnen de grenzen van het eigen dorp. De meeste bewoners waren er geboren en getogen; sommige familienamen kwamen al twee eeuwen in het dorp voor. Plaatselijke (agrarische) werkgelegenheid en voorzieningen waren regel, en ook in de spaarzame vrije tijd kwam men eigenlijk weinig buiten het eigen dorp. Voor velen was een reis buiten het dorp allereerst verbonden met gevoelens van ongemak en onzekerheid. Men was in alle opzichten in het dorp geworteld.
Indien men het verenigingsleven in Anderen in die tijd vergelijkt met het verenigingsleven nu, dan is er absoluut geen sprake van teloorgang van de ‘civil society’, maar juist van continuïteit en zelfs groei. In bijna een halve eeuw is slechts één lokale organisatie opgeheven: met het sluiten van de dorpsschool is ook de Oudercommissie verdwenen.
De Boermarke, de toneelvereniging de Vriendenkring, de IJsvereniging Kleuvenveen, de plaatselijke afdeling van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen zijn er allemaal nog.
Ook in de andere Drentse dorpen verdwijnen nauwelijks lokale verenigingen, maar zijn er juist veel nieuwe bij gekomen. Een van de bewoners van Gieten beschrijft dit uitstekend: ‘Als ik naar dertig jaar terug ga: wat kon je? Als ik naar de sportverenigingen kijk: je kon gaan voetballen, we hadden een zwemclub en je kon op gymnastiek en verder was er niks. Er zijn drie of vier sportverenigingen bij gekomen.’

Bloeiend verenigingsleven

Maar het is niet alleen een groter scala aan sportverenigingen die het aanbod hebben verruimd, opvallend is ook de opkomst van ouderenverenigingen, hobbyverenigingen, en dorpsbelangenverenigingen. Grotere welvaart, meer vrije tijd en emancipatorische ontwikkelingen vormen belangrijke achtergronden voor deze toename.
Het verenigingsleven in de dorpen in Aa en Hunze bloeit. De deelname aan het verenigingsleven is er groter dan in Nederland als geheel. Vooral de plaatselijke afdelingen van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen en de vele toneelverenigingen dragen hieraan bij. De deelname aan het vrijwilligerswerk is er ook iets hoger dan gemiddeld in Nederland.
Ten slotte weerspiegelt de ontwikkeling in het lokale verenigingsleven ook de hiervoor geschetste verandering in vormen van lokale sociale cohesie. Was in het verleden rekrutering op grond van woonplaats de regel, nu is die vanzelfsprekendheid verminderd. Soms kiezen bewoners er juist voor om iets niet in het dorp te doen. Een van de respondenten hierover: ‘Als je gebruikmaakt van het verenigingsleven (hier), dan wordt er een appèl op je gedaan, dan moet je, dan kun je niet goed zelf zeggen als je iets niet wilt, dan moet je mee met de meute. Ik ga naar (de stad), daar is dat veel makkelijker, de sociale controle is niet zo groot.’
Aan de andere kant zijn er juist verenigingen ontstaan die de plaatselijke cultuur als uitgangspunt nemen. Een goed voorbeeld zijn de historische verenigingen, ‘op zoek naar herkenning van de oude situatie’. Niet zozeer de traditionele dorpsbinding vormt de basis, maar het lokaal bewustzijn, de trots op het dorp als woondorp. Dorpsbelangenverenigingen lijken daarin een tussenpositie in te nemen.

Sociale en politieke participatie

De grote ongerustheid bij de overheid over verminderde sociale cohesie richt zich onder andere op de veronderstelde relatie tussen de deelname aan verenigingsleven en vrijwilligerswerk en de politieke participatie. Een lagere sociale participatie zou samengaan met een zekere desinteresse in het functioneren van onze parlementaire democratie.
In ons onderzoek hebben we als maatstaf voor politieke betrokkenheid gekeken naar de lokale politieke contacten die men onderhoudt, naar de deelname aan acties voor het dorp en naar het stemmen bij de gemeentelijke verkiezingen in 1997. Inderdaad valt er een samenhang te constateren tussen deelname aan verenigingsleven en vrijwilligerswerk en politieke participatie. Het wekt dan ook geen verbazing dat bewoners van de traditionele en van de bemiddelde dorpen – waar de deelname aan verenigingen en vrijwilligerswerk relatief hoog zijn – een grotere politieke betrokkenheid te zien geven dan de bewoners van de minder bemiddelde dorpen.

Dorpsbelangen

Opvallend is overigens de positie van de dorpsbelangenverenigingen. Sinds enkele decennia zijn dit belangrijke verenigingen in de Drentse dorpen. Ruim een derde van de bewoners zei ons lid te zijn. Gelet op deze hoge deelname en op het ledenprofiel hebben de dorpsbelangenverenigingen eigenlijk een traditioneel karakter: leden worden op traditionele wijze lokaal gerekruteerd. Leden van dorpsbelangenverenigingen zijn wat vaker betrokken op lokaal politieke vraagstukken, maar onder hun leden zijn eerder dorpsautochtonen oververtegenwoordigd dan voor het dorp actie voerende bewoners. Als vereniging houden zij zich echter steeds bezig met ‘leefbaarheidsonderwerpen’, typisch onderwerpen die passen bij een moderne oriëntatie op het dorp als woondomein. Daarmee slaan dorpsbelangverenigingen een belangrijke brug tussen verleden en toekomst.

Vitaal platteland

Het gaat goed met de ‘civil society’ in de Drentse dorpen. In het algemeen hebben deze dorpen een bloeiend verenigingsleven, een omvangrijk vrijwilligerswerk, een grote betrokkenheid bij de plaatselijke politiek en een bevolking die zich met het eigen dorp verbonden voelt. Het uitgevoerde onderzoek verhult niet dat er zorgpunten zijn en dat het lokale welzijn niet meer kan worden overgelaten aan de vanzelfsprekendheid van de traditionele dorpssamenleving. Vanzelfsprekende tradities bestaan steeds minder. Zorg is er vooral over de sociale cohesie in de minder bemiddelde dorpen en buurten. De sociale en politieke participatie zijn daar relatief laag. Traditionele vormen van sociale cohesie zijn er niet (meer) aanwezig, nieuwe vormen zijn er weinig tot ontwikkeling gekomen. Dit roept de vraag op welke perspectieven deze dorpen geboden kunnen worden. Voor problemen in de sfeer van het lokale welzijn lijken twee oplossingsrichtingen voor handen: een op maatschappelijke categorieën gericht welzijnsbeleid en een op het dorp gericht beleid waarbij de bevolking meer zicht wordt geboden op verbetering van de kwaliteit van het woondomein.
Geen reden tot zorg is er in de dorpen die in ons onderzoek als ‘traditioneel’ zijn beschreven, integendeel. Deze dorpen vertegenwoordigen in veel opzichten het echte platteland, het platteland van het kleine dorp, het platteland waaraan de relatie met de rurale leefwijze nog steeds is af te lezen. Deze dorpen hebben enkele verrassende kenmerken die wijzen op een grote vitaliteit. Een groot deel van de huishoudens in deze dorpen bleek uit tweeverdieners te bestaan en dat was niet alleen terug te voeren op boeren en andere zelfstandigen met meewerkende echtgenoten. Het karakter van de woonomgeving heeft een duidelijk plattelandskarakter en een culturele identiteit die blijkbaar aanspreekt. De woonomgeving biedt er veel mogelijkheden voor lokaal bewustzijn, tot dorpstrots: een lokale binding die niet voorbehouden is aan ter plaatse geboren en getogen bewoners. Een sterke sociale cohesie, nu nog in belangrijke mate gebonden aan traditionele vormen van lokale binding, heeft vooral in deze dorpen het perspectief om zich op basis van lokaal bewustzijn te vernieuwen. De schaduwzijde van zo’n ontwikkeling is dat dit kan leiden tot verdringing van minder bemiddelde autochtonen door bemiddelde huishoudens van elders.
Ten slotte kan de situatie in de bemiddelde dorpen en buurten als rooskleurig worden getypeerd. Hier hebben moderne vormen van sociale cohesie de plaats van traditionele vormen ingenomen. Bewoners van deze dorpen zijn welvarend en mobiel genoeg om hun heil elders te zoeken. Toch leidt deze oriëntatie op de wijdere samenleving niet tot uitholling van de sociale cohesie in de dorpen zelf. Bewoners zijn – selectief – betrokken op hun dorp als woondomein en op hun medebewoners als mensen met wie zij de zorg voor het behoud van dit domein delen. Dit leidt tot andere vormen van sociale en politieke participatie dan in de traditionele dorpen, maar niet tot minder sociale cohesie.

In de inleiding is verwezen naar de goede reputatie van dorpssamenlevingen. Deze reputatie is terecht: de sociale cohesie is er hecht. De fundering van deze reputatie op een geromantiseerd community-ideaal is echter misplaatst. Het Nederlandse platteland is daarvoor in economisch, sociaal en cultureel opzicht te zeer veranderd. Traditionele vormen van sociale cohesie hebben plaatsgemaakt voor of zijn gemengd met moderne vormen. Alleen in de minder bemiddelde woonmilieus lijkt sprake te zijn van een voortzetting van reeds lang bestaande problemen. In de overige dorpen kan de toekomst met optimisme tegemoet worden gezien.

Literatuur
Groot, J.P. (1989) Dorpsbinding en lokaal bewustzijn, In: P.P.P. Huigen & M.C.H.M. van der Velden (red.) De achterkant van verstedelijkt Nederland; de positie en functie van landelijke gebieden in de Nederlandse samenleving. NGS 89. Utrecht: KNAG/FRW RUU, p. 109-118.
Keur, J.Y. & D.L. Keur (1955) The deeply rooted; a study of a Drents community in the Netherlands. Assen: Van Gorcum.
Mak, G. (1996) Hoe God verdween uit Jorwerd. Amsterdam/Antwerpen: Atlas.
SCP (1996) Sociaal en Cultureel Rapport 1996. Rijswijk: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Van het onderzoek in de gemeente Aa en Hunze is een rapport verschenen: Frans Thissen & Joos Droogleever Fortuijn (1998) Sociale cohesie en dorpsverenigingen op het Drentse platteland. Amsterdam: AME Amsterdam Study Centre for the Metropolitan Environment Universiteit van Amsterdam.
Het rapport is te verkrijgen bij het AME, Nieuwe Prinsengracht 130, 1018 VZ Amsterdam tel: 020-5254062, fax: 020-5254051 e-mail: AME@frw.uva.nl.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50