Een droom in Middag Humsterland

Een schilderij van Emil Nolde lijkt het: een grijsrood bakstenen kerkje, rood pannendak, donker, houten lantaarntorentje op een gele wierde van stralende paardenbloemen. Vanuit Aduard ben ik via Den Ham over een hobbelig weggetje door de weilanden naar het eenzame, dertiende-eeuwse kerkje van Fransum gefietst. Ik loop langs de zerken, en lees een spreuk die me treft. Zoiets staat er: ‘Het leven brengen wij door als een gedachte.’

TEKST
Aafke Steenhuis

Vlak ten zuiden van Fransum ligt een ander kerkje. Dit is neogotisch, met een onwaarschijnlijk spits torentje. Het staat bij de boerderij van Albert Harkema, boer en veefokker. Eigenhandig en eigenwijs heeft hij het bouwwerk eind vorige eeuw op zijn land gebouwd. ‘Mijn hele leven ben ik om vijf uur van bed af gegaan’, vertelt Harkema. ‘Werken is mijn lust en mijn leven. Maar toen ik zestig werd, wilde ik doen waar ik zin in had. Op een faillissementsverkoping, jaren geleden, kon ik een hoop rioleringselementen kopen. Ik had een kraan. Met dat materiaal kwam ik op het idee om hier een kerk te bouwen.’ Bij de gemeente vroeg hij een bouwvergunning aan voor een bergruimte. Van vrienden en kennissen kreeg hij glas-in-loodramen, een orgel, protestantse liedboeken en katholieke christusbeelden. ‘Ik geloof in de schepper, ik zie God in de natuur. Ik geloof in een nieuwe aarde’, zegt Harkema en schenkt me een kop koffie uit een thermoskan in.

Feest voor de zinnen

Als kind fietste ik vaak door dit gebied; ik woonde in Zuidhorn, hier niet ver vandaan. Aduard, Fransum en Den Ham waren in mijn herinnering stijve dorpen en gehuchten, met nette moestuinen vol aardappelen en sperziebonen, en mensen die je over hun hark gebogen nakeken. Het was een angstvallig, in zichzelf gekeerd gebied, met strenge kerkgenootschappen en hiërarchische standen. Maar dat beeld, die gedachte klopt niet meer. Het landschap is nu een feest voor de zinnen. Een vrolijke streek, met weelderige bloementuinen, geheimzinnige fietspaden en voetpaden, middeleeuwse borgen, boerderijen en kerken, en welbespraakte, zelfbewuste mensen.
Daar ligt het Van Starkenborghkanaal, waarlangs ik als kind naar school fietste. Het nieuwe kanaal heette het. In dat groenige water zwom ik ’s zondags, als het zwembad dicht was. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd het aangelegd om de scheepvaart tussen Groningen, Friesland en het westen te verbeteren. Als een mes sneed het kanaal door het oude landschap. Wat maakt het water zo bijzonder? Dat er geen autowegen langs lopen, geen dorpen aan liggen, geen fabrieken. Alleen een fietspad. Alleen populieren, vrachtschepen en verliefde paren spiegelen zich in het water.
Wolken fluitenkruid en kruidige meidoornbloesems staan langs de Spanjaardsdijk, een oud dijkje ten westen van Aduard. Over het slingerende dijkweggetje fiets ik naar het noorden. Een strakblauwe lucht, een verwachtingsvolle voorjaarswind. Meimaand, bloeimaand. Ten westen van het dijkje is een leeg gebied; de zon blikkert op het hoge golvende gras van de weilanden. Het lijkt wel een brede, groene rivier die voorbijstroomt. En opeens denk ik: maar dit was water! Dit is de vroegere bedding van de Riet, een rivier die van Trimunt naar het noorden liep om boven Noordhorn de zee op te zoeken. En ook aan de andere kant van het dijkje zijn golvende weiden: ook hier stroomde vroeger een waterloop, de Kliefsloot. De Kliefsloot was in vroeger tijden de grensrivier tussen de eilanden Humsterland en Middag. En het liefelijke Spanjaardsdijkje van nu was toen een dijk die de zee tegen moest houden.

Symbool van geloof en liefde

Vanaf de dijk zie ik de Piloersemaborg liggen: een roodstenen hoog huis met een zadeldak, veel smalle ramen, een bescheiden, asymmetrisch geplaatste voordeur en grote kastanjebomen aan weerszijden van de ingang. Achter het voorhuis ligt een tussenhuis, en daarachter een grote boerenschuur. Om de gebouwen heen zijn grachten en boomsingels.
Via een bruggetje over de gracht kom ik bij het huis. Wynetta Themmen, de beheerster van Piloersema, komt al naar buiten, want vannacht zal ik op haar kasteel de nacht doorbrengen. Wynetta, in de veertig, is een rossige, enthousiaste Friezin die me naar de tuin voor het huis brengt, want daar schijnt de zon tussen de kastanjebomen. Het grind blinkt. Een oude omgevallen boom biedt een schuilplaats aan uilen en kleine dieren. Aan de ene kant van het huis is een klassieke tuin met buxushagen en vetplanten, aan de andere kant een boomgaard. Tussen de vruchtbomen scharrelen ganzen met twaalf dwarrelige, geelbruine jongen.
Ik loop om de borg heen. Tegen de zuidgevel staan twee bevallige vrouwenbeelden: de ene houdt een bijbel vast, het symbool van het geloof; de ander heeft twee duiven op haar hand: symbool van de liefde. In de oostmuur van het voorhuis is een gevelsteen gemetseld: ‘Den 21 Martii anno 1633 is gelecht de erste steen vant Huis toe Piloersma op Den Ham’. Waarschijnlijk is in dat jaar de borg verbouwd of herbouwd, want in 1521 is er al sprake van een Piloersemaheerd. Op de gevelsteen staan de wapens van Johan de Mepsche: een uitgerukte boomstronk met vijf wortels en het wapen van zijn vrouw Aylke tho Nansum, een geharnaste ruiter te paard die met zijn zwaard zwaait. Uit de kroon boven de beide wapenschilden, komt een boom te voorschijn.
Ik installeer me met een glaasje wijn en het boek De Ommelander borgen en steenhuizen op het terras. Scholeksters en kieviten roepen over het land. De herkomst van de intrigerende naam Piloersema is onbekend, lees ik. Wel is er in 1448 sprake van een zekere Lubbe Pylosum, en in 1453 van een Datho Pijloetsem, dus misschien is de borg naar een van die persoonsnamen genoemd. Het valt me op dat in al die eeuwen de borg eigenlijk maar van een paar families is geweest: begin zestiende eeuw van de familie Jensema; daarna valt hij door vererving in 1567 toe aan de familie De Mepsche, van oorsprong een Drents adellijk geslacht. De Mepsche: een gevreesde naam. Een verre verwant, de boze jonker Rudolf de Mepsche van Faan, heeft in de achttiende eeuw tweeëntwintig mannen uit de buurt van sodomie beschuldigd en ze allemaal aan de hoge eikenbomen van de Gast in Zuidhorn laten ophangen, zo hoorde ik als kind.

Boerderijborg

In 1699 verkochten erfgenamen van de familie De Mepsche de Piloersemaborg aan een boerenfamilie: Pieter Jacobs Bos en zijn vrouw Wiske Jacobs Scholtens. Aan hen herinnert een gevelsteen uit 1702. Boer Bos bouwde een grote schuur achter de borg, sindsdien is het huis een boerderijborg. De hele achttiende en een deel van de negentiende eeuw bleef Piloersema in handen van deze familie. Een van de laatste telgen was Kornelis Jacobs Boelens, een geletterd man die behalve boer ook burgemeester van Aduard was.
In 1837 werd de borg opnieuw aan een boer verkocht: aan Tonnis Wieringa, ofwel Tun van Beswerd. Diens erfgenamen bewonen tot de dag van vandaag het huis. De huidige borgvrouwe Wynetta Themmen is een verre nazaat, in vrouwelijke lijn, van deze energieke en onversaagde Groningse boer.
Haar voorouders Berend Pieters en Hilje Hendriks, die een klein boerderijtje in Leegkerk hadden, kregen in 1776 een zoon, Tonnis. Tonnis hield helemaal niet van school, maar hij leerde wel genoeg lezen om de almanakken door te spitten op waar en wanneer er veemarkten in de buurt waren. Alle noordelijke provincies, en ook Oost-Friesland liep hij af. Al gauw wist hij alles van koeien en paarden. Als hij ergens een paard verkocht, kon hij jaren later nog de gebreken en kwaliteiten van het dier noemen. Met hulp van een oom kocht hij een klein boerderijtje in Beswerd, in de drassige Feerwerder meden. Tun van Beswerd werd hij genoemd, tot hij in 1812 in de Bataafse tijd de achternaam Wieringa aannam, waarschijnlijk omdat hij op de wierde Beswerd woonde. Toen twee van zijn drie kinderen en zijn vrouw stierven, nam hij een jong meisje als huishoudster in dienst, Saakje Watzes Noord, met wie hij in 1803 trouwde. Ze kregen vier kinderen. Het ging hen goed. Door uitgekiende veehandel en door goed te boeren, kon hij in de omgeving van Den Ham de ene boerderij na de andere kopen, zoals Oud Beswerd, Groot Beswerd, Groot Suttum en uiteindelijk de Piloersemaborg, die hij voor twintigduizend gulden in handen kreeg.
‘Van gestalte was hij niet groot maar zwaargebouwd, breed in het aangezicht met een paar grote blauwe ogen en zware wenkbrauwen’, wordt in een familiekroniek over hem gezegd. ‘Hij droeg altijd een korte broek met vest van dezelfde stof. De korte broek stond hem mooi doordien hij flink gebouwd was. Hierbij droeg hij blauwgevlamde kousen. Ging hij op reis, dan kwamen er een paar kaplaarzen aan, met sporen aan de hielen, omdat hij bijna altoos te paard uitging. De knecht werd bevolen om de oude vos te zadelen. Het zadel was voorzien van flinke stijgbeugels en voor en achter lissen, waaraan de voerzak werd vastgemaakt. Hierover werd een groot schapenvel gelegd. Zo was de oude heer gereed. Hij had een karwats, die aan het achtereind was voorzien van een ijzeren haak die hij gebruikte bij het openen van de hekken. Als hij de hekken niet met de karwats kon openen, zei hij: “Vos, rek die!” Door dat rekken werd het paard zoveel kleiner, dat de oude heer er gemakkelijk af kon komen. Als hij ’s nachts terugkwam van de markt, reed hij naar de schuurdeur en riep: “Vos, klop aan!” en dan stootte het paard met zijn hoef tegen de deur.’
In die tijd, rond 1800, waren er nog geen wegen, zodat Tonnis altijd te paard naar de veemarkten reed. Later toen er wel wegen waren, reisde hij in een lichte koets, bespannen met een of twee paarden.

Borgvrouwe

Op de borg woonden zijn zoon Jan Tonnis Wierenga met zijn vrouw Dieuwertje Wieringa, en daarna hun zoons Meindert en Derk Wierenga. In 1944 werd de zoon van Meindert, Jan Tonnis Wierenga eigenaar. Hij trouwde in datzelfde jaar met de advocate mr. Cornelia J.H.G. van der Valk. Het echtpaar bleef kinderloos.
‘Van mijn moeder, die van haar achternaam Oosterhof heet en familie van de Wierenga’s is, hoorde ik dat de laatste bewoners van de Piloersemaborg in 1991 overleden waren,’ vertelt Wynetta Themmen. ‘Ze waren toen dik over de tachtig, en hadden geen kinderen. Alles in huis stond er nog zoals zij het achtergelaten hadden: boeken, oude meubels, tapijten, bontkragen en sieraden. Mevrouw had veel goedkope sieraden: ze zien me toch voor een dure dame aan, zei ze, dus ik kan net zo goed juwelen van double en glas dragen. Ze hadden bij testament bepaald dat de borg na hun dood bewaard moest blijven, en hadden daartoe een stichting opgericht, en onder hun uitgebreide familie bestuursleden gezocht. Ze zagen de borg als mogelijke verblijfplaats voor familieleden die uit het buitenland op bezoek kwamen, of als een soort dorpshuis voor Den Ham.’
Wynetta Themmen bood zich als beheerster aan. Maar ook andere mensen kwamen met ideeën, zoals kunstenaars en horecamensen.
‘Ik was zesendertig jaar, ongetrouwd, met kleinschalige horecaplannen. Sommige mensen uit het bestuur vonden dat maar niks: een vrouw alleen op zo’n borg, maar anderen zagen er wel wat in. Ik mocht een jaar op proef komen. Ik woonde in die tijd in een nieuwbouwflatje aan het Kattendiep in Groningen. En ik kwam hier, ademde diep in: de lucht van het platteland! In juni 1993 ben ik hier komen wonen. Ik ben gaan schoonmaken, verven en behangen en heb de meubels die boven stonden over het huis verdeeld. Deed de kachels aan toen het ’s winters nat en koud werd en zoog de oude vloerkleden. Mijn moeder zei: “Waar begin je aan!”‘
Ze had daarvoor van alles gedaan: een secretaresseopleiding gevolgd, een studie Nederlands en Engels gedaan. Ze was stewardess, werkte bij een videoproductiebedrijf en een reclamebureau, zat in de partycatering en was een tijd hoofd van de horeca van de Hortus Botanicus in Haren. En ze wou weer naar het platteland terug.
‘Ik ben opgegroeid op een boerderij in Ferwerd, bij de Friese zeedijk. We hadden een gemengd bedrijf. Ik was de oudste van vijf kinderen, en had al jong verantwoordelijkheid: zorgen voor de kleine kinderen als mijn ouders op visite gingen, kalfjes voeren, schapen helpen lammeren, koeien melken, de stallen vegen. Ik wist hoe de koeien heetten en hoeveel melk ze gaven. En ik was nooit bang, niet voor de eenzaamheid of de nacht of de grote krakende boerderij. Het platteland bleef trekken.’

Landschap en cultuurhistorie

Het bestuur van de Piloersemaborg had intussen een stuk land aan de buren verkocht om geld te hebben voor de reparatie van het dak, want dat lekte als een zeef, en voor de aanleg van centrale verwarming want de kamers beneden waren ’s winters niet warm te stoken. Er kwamen steeds meer mensen langs die een kop koffie of een glaasje wijn kwamen drinken.
De borg profiteerde van de toenemende belangstelling voor oude gebouwen en landschappen. In de jaren negentig besefte men opeens dat de provincie Groningen, waarvan iedereen altijd dacht dat er niks te doen was, iets heel belangrijks te bieden had: rust, ruimte en eeuwenoude dorpen, kerkjes en borgen. Het wierdengebied van Humsterland en Middag kwam op de Werelderfgoed-nominatielijst van de Unesco te staan, omdat het zo’n oud cultuurlandschap is. En zo kwam er geld van monumentenzorg en van Europese fondsen om de Piloersemaborg te restaureren. In de schuur werden vijf gastenverblijven gebouwd, en een zaal voor feesten en vergaderingen. Begin 1999 is de borg officieel geopend. Hij is aangesloten bij de stichting Erfgoedlogies. De Vereniging van vrienden van de Piloersemaborg zorgt voor het onderhoud van de boomgaard, de gracht en de singels. Je kunt als individuele gast op de borg slapen, maar je kunt ook met je paard over ruiterpaarden aankomen en onderdak vinden, of met een stel vrienden of collega’s een verblijf combineren met een zeiltocht over het Reitdiep en het Lauwersmeer. Sinds kort is er een culturele commissie die concertjes en theater in de borg gaat organiseren.
‘Ik hou van dit oude krakende huis,’ zegt Wynetta Themmen. ‘En van de beesten in de schuur. Ik ga graag ’s morgens even naar de stallen om de knecht helpen. En ik vind het leuk gasten te ontvangen. Soms, als hier ’s avonds een feest is geweest, moet ik na een paar uur slaap al weer vroeg in de keuken koffie zetten en broodjes bakken. Maar als de eerste mensen dan in de ontbijtkamer komen en vertellen dat ze het zo naar hun zin hebben, heb ik er ook weer plezier in. In het begin moest ik zelf alle dagen dweilen, bedden verschonen en stofzuigen, maar nu heb ik gelukkig goeie hulp. De boel draait boven verwachting.’

Onder de linden

’s Avonds fiets ik naar herberg Onder de linden in Aduard. Met mijn geliefde ga ik in het sjieke restaurant eten. Vroeger kwam ik er ook wel eens; toen was het een verwaarloosd witgepleisterd dorpscafé met een serre en tennisvelden. Nu is het een stijlvol gerestaureerd, breed, bakstenen gebouw, met een klokgeveltje als een ernstig gezichtje.
Al in 1733 was er een herberg op deze plek, gelegen buiten de Noorderpoort van het kloosterterrein. In Aduard was eind twaalfde eeuw een Cisterciënzer klooster gesticht, het grootste en rijkste klooster van het Noorden. De Aduarder monniken hebben vier eeuwen lang met grote inzet de waterwerken, de landbouw, het steenbakken, de handel en de culturele ontwikkeling in de streek bevorderd. Eind vijftiende eeuw was het klooster een internationaal intellectueel centrum, waar humanistische geleerden elkaar ontmoetten. Maar in 1580, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, is het klooster door de geuzen in brand gestoken. De monniken vluchtten naar de stad, de gebouwen vervielen, van de kloostermoppen werden kleine huisjes gebouwd. Zo ontstond het dorp Aduard, met een dorpsherberg die door reizigers werd aangedaan die over de kleilaan van Groningen naar Friesland reden. In de negentiende eeuw was de herberg ook boerderij. Het gebouw bestond, volgens een inventarislijst uit 1834, uit een zuiderkamer, een achterkamer, een bovenkamer, een jagtweide, een karnhuis, een melkkamer, een zolder en een schuur. In de jagtweide stonden een kabinet, twee tafels, dertien stoelen, een tapkast, twee schilderijen, twee spiegels en een klok. Op het kabinet stonden tien tinnen kannen. Ook waren er in de jagtweide tien stoven, voor de gasten met koude voeten.
Na de aanleg in 1843 van de Friesestraatweg, die om het dorp heenliep, verloor het pand zijn functie van herberg en werd het een dorpscafé. Eind twintigste eeuw zou het historische gebouw bijna afgebroken zijn, als niet een groep mensen uit Aduard actie gevoerd had en de herberg wist te behouden.
Sinds 1991 zijn chefkok Geerhard Slenema en zijn vrouw Petra Slenema eigenaars van Onder de linden. Zij hebben er een heel bijzonder restaurant van gemaakt. Boven zijn gastenkamers. De statige jachtweide is klassiek ingericht; de tuinkamer is een hoge, lichte zaal in groene en gouden tinten, met grote witte boeketten.
Wat bedremmeld gaan we zitten. Zo verfijnd en duur zijn we niet gewend. We bestellen het Alliance Menu en krijgen de heerlijkste hapjes en gerechten, met dichterlijke namen opgediend: zoals ballotine van blauwhoender en ganzenlever, grietfilet met kreeft en asperges in kervelsaus, en als dessert rabarberchibouste in aardbeidencoulis met sorbetijs en geconfijte rabarber.
‘Ik heb nog nooit zo lekker gegeten,’ zeg ik na afloop tegen kok Geerhard Slenema. ‘En ook nog nooit zulke lekkere wijn gedronken.’
Onder een donkere hemel met heldere sterren fietsen we ’s nachts terug naar de stille Piloersemaborg. Het leven een gedachte? Eerder een droom.

Piloersema/Hamsterborg
Sietse Veldssstraweg 25
9833 TA Den Ham
tel 050-403 13 62

Restaurant Herberg Onder de Linden
Burgemeester Van Barneveldweg 3
9831 RD Aduard
tel 050-403 14 06

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50