Drie variaties op een durend thema

In dit artikel gaat het over bouwen in het landschap en de gevolgen daarvan voor het landschapsbeeld en uiteindelijk, wat doorgaans niet zonder spanning verloopt, de emotionele verwerking van het veranderend beeld. Aan de hand van de begrippenparen stroming en vertraging, scheiding en verweving, en duurzaamheid en tijdelijkheid wordt enig inzicht gegeven in het patroon van herhalingen aan ingrepen in het landschap.

TEKST
Wim Boetze

‘Alles is al eens bedacht, weinig is verwoord. Alles is al eens gezegd, weinig is gehoord. Nieuwigheden zijn er immer voor wie doof is en onwijs. Voor wie weet dat nieuw ook oud is, is de t’rugblik het bewijs.’
Deze berijmde wijsheid die zich als een deuntje laat lezen, lijkt op het gezegde ‘niets is nieuw onder de zon.’

In dit artikel gaat het over bouwen in het landschap en de gevolgen daarvan voor het landschapsbeeld en uiteindelijk, wat doorgaans niet zonder spanning verloopt, de emotionele verwerking van het veranderend beeld. Aan de hand van de begrippenparen stroming en vertraging, scheiding en verweving, en duurzaamheid en tijdelijkheid wordt enig inzicht gegeven in het patroon van herhalingen aan ingrepen in het landschap.

Stroming en vertraging

Het landschap stroomt. Gebruik en betekenis van het landschap veranderen voortdurend. De ruimtelijke beleving verandert mee. Woeste grond werd in cultuur gebracht. Cultuurgrond kreeg een cultuureigen gezelschap aan planten en dieren, de zogenoemde cultuurnatuur, die als halfnatuur later weer verdween, zodat er alleen nog een cultuurlandschap overbleef: het agrarisch bebouwde onversneden productielandschap met strakke, effen gekleurde percelen en rechte sloten. Dit is de grote dynamiek. De stroom die door zijn traagheid nauwelijks zichtbaar is maar ongemerkt het beeld van Nederland verandert van een dichtbevolkt land in een dunbevolkte stad. Wat is nog landelijk en wat nog stedelijk? Er woelt iets onder het volk. Het is een onbehagen dat maar niet duidelijk wordt. Het heeft te maken met de doorgaande stroom die niet gezien maar wel gevoeld wordt. Er worden dijken opgeworpen, rode en groene contouren getrokken, die ons moeten beschermen tegen ‘kwalijke’ veranderingen die de stroom met zich meevoert. Soms is de dynamiek zo groot dat de stroom in een versnelling raakt. De ingrepen in het landschap zijn dan hard en zakelijk. Denk aan snelwegen en industrieterreinen: landschappen met een grote noodzaak en een lage waardering. De landschapsarchitect Han Lörzing noemt deze in zijn gelijknamig zeer leesbare boekje de ‘onbegrepen landschappen’.
Waar stroming is, is vertraging. Niet iedereen wil het genot van het meebewegen met de stroom ondergaan. De wijze raad ‘go with the flow’ gaat bij velen niet verder dan een ‘reisje langs de Rijn’ en de verbouwing van de keuken.
Het verzet tegen stroming is alom. Alleen al hoe we ons bewegen, zo tegen de stroom in. Ik hoorde eens een tangodocent verzuchten: ‘Hoeveel tijd het niet kost om een tangopaar zo ver te krijgen dat de man leidt en de vrouw zich laat leiden.’ Of zou het nemen van tangoles op zich al een vertraging zijn, zou het te maken hebben met het verlangen naar oude waarden, naar de oude man-vrouwverhouding? De terugblik, de blik op het verleden, het retrospectief is immers in. Je ziet het aan de bouwstijlen in de stads- en dorpsranden: retrobouw uit de jaren dertig van de vorige eeuw op veel te kleine kavels. De bewoners kijken vanachter hun nostalgisch vormgegeven gevels uit over een tot natuurreservaat bevorderde zandwinput van Rijkswaterstaat. Het ecoverbond kijkt richting de woonwijk en roept: ‘Tot zo ver en niet verder.’

Scheiding en verweving

De stroom is als een rivier. Een loop die zich in de bedding dan weer splitst, dan weer verweeft. Op dit moment lijkt zich de stroom in ruimtelijk ordenend Nederland te splitsen. Waren voorheen natuur en cultuur vermengd in bloemrijke wegbermen, vogelrijke graslanden, boomrijke parkwijken en weelderige landschappen met mooie villa’s en sfeervolle buurtschapjes, nu moeten ‘functies’ worden ontmengd. De omgevingspsycholoog Freek Couterier schrijft hierover in zijn boek Hoe beleven wij onze omgeving?: ‘Mensen hebben beelden van de tussenstations tussen de uitersten natuur en cultuur, en dus verwachtingen hoe die eruit zien. Dit luistert nauw. Zo kan het landelijk buitengebied eigenlijk geen andere bebouwing verdragen dan agrarische, en dan eigenlijk ook nog geen bungalows als boerenwoning of fabrieksloodsen als stallen, want die horen bij de stedelijke stedenset. (…) karakteristieke combinaties cultuur-natuur gaan verloren, er komen minder plekken met een eigen verhouding tussen cultuur en natuur. Waar het snoer binnen-buiten vroeger veel verschillende kralen bevatte, die bovendien regiospecifiek waren, zijn dat er straks nog maar drie, grotendeels gelijk over heel Nederland: stedelijk gebied, productiegebied en natuur.’
Toch ontkiemt er een verlangen naar verweving. Hier en daar is verzet waar te nemen tegen de zakelijk verkavelde scheiding der geesten. Je bakt uiteindelijk ook geen taart door de ingrediënten onaangeroerd naast elkaar te laten staan. Er bestaat al intensief multifunctioneel ruimtegebruik op lokaal niveau. Wat toegevoegd lijkt te worden is extensief multifunctioneel ruimtegebruik op regionaal niveau: natuur tot in de stad, de stad als landelijke woonvorm in het landschap, de natuur als recreatief uitloopgebied, de landbouw ter ondersteuning van natuurbeheer. Zo ontstaan er in de strenge verkavelingen nieuwe ontmoetingen, dus nieuwe mengvormen. Dynamiek is de beweging in het krachtenveld tussen mengers en ontmengers. Tussen zoekers en heersers.
Simon Schama beschrijft in zijn boek Landschap en Herinnering de wonderlijke acties van de kleine Franse ‘aartsromanticus’ en ‘anti-bureaucraat’ Claude Francois Denecourt. Deze leefde midden negentiende eeuw en was jaren gefascineerd door de uitgestrektheid en majesteit van het beroemdste bos van Frankrijk, het Forêt de Fontainebleau. Denecourt vond dat zoveel aristocratisch en onaantastbaar bosbezit gedeeld moest worden met de stedelijke bohémiens. Hij begon voorzichtig buiten het oog van de boswachters in het bos wandelroutes te markeren met verfstippen en nodigde vervolgens vrienden in Parijs uit met hem een gezonde boswandeling te maken. Aanvankelijk werden zijn uitnodigingen serieus beantwoord door een selecte groep aan dichters en schilders. Later volgden grotere groepen uit het volk. Denecourt werd daarmee de uitvinder van het natuurpad. ‘Hij had het bos losgerukt van zijn koninklijke geschiedenis en de keizerlijke staat en het teruggegeven aan het volk. Het bos werd zo het Arcadië voor de stedeling.’
Staatsbosbeheer heeft ontdekt dat ook de vinexstedeling wil dolen in zijn arcadische landschappen en ongerepte natuur. Zoals Denecourt de wandelaar leidde naar mooie vergezichten, herdershutten en dikke bomen, zo coacht een GPS-satellietontvanger van Bever Zwerfsport de sportieve recreant van hoogtepunt naar hoogtepunt door de beheersnatuur van SBB.
Ten aanzien van de kansen op verweving van wonen en landschap worden de mengexperimenten voorzichtig uitgebreid. Succesvolle voorbeelden uit het verleden zijn er genoeg. Denk aan de landgoederen, de villabuurten, de koloniale ontginningen. Hoe gaan de nieuwe landelijke woonvormen eruitzien?

Duurzaamheid en tijdelijkheid

Wat bepaalt of een (gebouwde) ingreep in het landschap duurzaam of tijdelijk is? Het antwoord is: de tijd. Het is als met de aanschaf van een muziek-cd. De tijd maakt uit of je hem vaak draait of niet. De reden is niet altijd duidelijk. Het toenemen van de gehechtheid kan net zo onverklaarbaar zijn als de afwijzing. Er lijkt een verschil te zijn in de ingrepen die ‘verankerd’ hebben plaats gevonden en ingrepen die min of meer plotseling ‘geland’ zijn. Met verankerd wordt bedoeld dat de ingreep met aandacht voor en aanpassing aan de historie en het karakter van de plek is uitgevoerd. Er is rekening gehouden met schaal, maat, massa, kleur en dergelijke van de plek. Bij een gelande ingreep is er van dit alles geen sprake. Verankering zou meer gehechtheid en daarmee meer duurzaamheid opleveren dan landing. Verankering neigt naar historisering: het rieten dak, het stelpdak, de retrobouw, de dijkwoning, de pastoriegevel. Landing zou autonoom, misschien brutaler zijn: gaslocaties, kunst, windmolens, viaducten, het Groninger Museum.
Verankerd lijkt niet te verwijderen, geland lijkt verwijderbaar. Bedenkt u eens verankerde bouwwerken die toch verwijderd zijn en gelande bouwwerken die nooit meer zullen worden verwijderd, misschien wel tot monument zullen worden verklaard. Neem daarbij het Groninger Museum eens in gedachte of de radiotelescopen in Drenthe of de aquaducten in Friesland.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€37,50