Rottum, een wierde met een heel eigen karakter

Rottum is, van welke kant men deze bult ook bekijkt, een markante, in het oog springende wierde waarvan het hoogste punt zich op ruim vier meter boven NAP bevindt.

TEKST
Gerard van Haaff

De Kloosterweg wordt geflankeerd door een serie goed onderhouden huizen en huisjes. Het valt op dat er weinig nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Rechts passeren we een piepklein huisje dat grotendeels is opgetrokken uit stukken kloostermop. Hele exemplaren zitten er nauwelijks tussen. Het betreft stukken oude baksteen van de afbraak van het voormalige klooster. Iets verder loopt de Kloosterweg dood bij het dorpshuis. Althans nu! Vroeger heeft deze straat, of dit pad verder doorgelopen en kon je via de Noorderpoort het dorp in of uit.

Kwelderwallen

Hoe is deze immense woonheuvel ontstaan? Hiervoor dienen we terug te gaan in de tijd. Rond 700-600 v. Chr. ontstond in een soort waddenlandschap een hele serie kwelderwallen in het mondingsgebied van de Fivel. Het zand van deze kwelderwallen werd door de zee en de wind tot maximaal zo’n vijftig centimeter boven NAP opgeworpen. De oudste bewoning die op deze reeks kwelderwallen is gevonden, dateert uit de Vroege IJzertijd, zo’n 2700 jaar geleden.
De tijd die hierop volgde, was er een van hogere zeespiegelstanden en overstromingen. Door deze transgressiefase die tussen 500 en 200 v. Chr. voor een aanzienlijke vernatting zorgde, kwam er een einde aan de omvangrijke veenvorming in dit gebied. Vervolgens was het tot 200 na Chr. redelijk goed toeven op de hogere kwelderruggen, oeverwallen en hogere veenkussens, maar ook op de inmiddels opgeworpen wierden.
Rond de tweede eeuw voor de jaartelling ontstond het idee om huis en haard verhoogd aan te leggen. Vanuit de kwelder werden plaggen gehaald waarmee de eerste ophoging plaatsvond. Duizenden kubieke meters grond zijn op deze wijze door mensenhanden verplaatst tot er een woonheuvel was gemaakt die stand kon houden tegen het hoge water en springvloeden. Wierden als Lellens, Krangeweer, Westerwijtwerd, Middelstum, Toornwerd, Kantens, Eelswerd en Usquert liggen allemaal op dezelfde kwelderwal en vinden hun oorsprong allemaal in de eerste eeuwen voor en na de jaartelling.

Dorpsterpen

Door het samenvoegen van een aantal afzonderlijke terpen, ontwikkelde zich een aan elkaar gegroeide dorpswierde die zowel in de Romeinse Tijd als in de Vroege Middeleeuwen steeds verder tot één geheel werd opgehoogd. Tussen de 400 en 700 na Chr. ontstond er tussen de vroege, reeds bestaande wierden een nieuwe reeks zogeheten derdegeneratieterpen. Een groot aantal van de bestaande terpen werd andermaal verhoogd gedurende deze periode van verhoogde zeeactiviteit. Dit proces van ophoging ging door tot de dreiging van de zee door bedijkingen was weggenomen. Wel zal het nodige huisvuil en de stalmest nog steeds over de wierde en de bijbehorende akkers zijn uitgespreid om een vruchtbare bodem te bewerkstelligen. Tot slot ontstond er rond de tiende en elfde eeuw een vierde generatie onbebouwde wierden.

Booronderzoek

Archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving heeft voorzover bekend in Rottum niet plaatsgevonden. In juni en november 2000 is ten behoeve van de voorbereiding voor de wettelijke bescherming van de dorpswierde een booronderzoek uitgevoerd met het doel de begrenzing van de wierde vast te stellen en iets over de opbouw en de omgrachting aan de weet te komen. In een dertiental boorraaien werden 124 handboringen gemaakt die duidelijkheid hebben verschaft omtrent de opbouw en de loop van de (diverse) grachten rond het dorp.

Ophogen wierde

Op het hoogste punt van de wierde is een ophogingspakket vastgesteld van ca. 3,5 m. De dikte van dit pakket neemt af tot ca. 0,75 m aan de randen, waarna deze laag langzaam uitwigt in de huidige bouwvoor. Op de kwelderwal en direct onder de wierde bevindt zich een dik pakket gecomprimeerd veen met veenmos en rietresten. Oorspronkelijk moet dit pakket meters dik zijn geweest.
Pas na 200 v. Chr. werd begonnen met het proces van kunstmatige ophoging dat het ontstaan van deze wierde inluidt. Op het veen kwam een ophoging van kwelderplaggen terecht. Vooral in het begin van het ophogingsproces zal het effect van de actieve ophoging deels door klink van het veen tenietgedaan zijn. Naar het zich laat aanzien heeft het proces van ophoging ruim een millennium geduurd, tot men in de elfde of twaalfde eeuw het land door middel van dijken ging beschermen. Steeds beter wist men de invloed van de zee buiten de ontgonnen gebieden te houden en verviel de noodzaak om de wierde nog verder op te hogen.
In vrijwel alle boringen wordt direct onder de bouwvoor een 30-60 cm dik doorgewerkt pakket aangetroffen van een donker bruin-grijze klei met vrij veel puin, mortelresten en houtskool. Het zuid-oostelijk kwadrant van de wierde is in 1917 deels commercieel afgegraven. Hierdoor zijn hier slechts de onderste terplagen en de diepere sporen zoals kuilen, putten en greppels bewaard gebleven.

Grachten

In de late twaalfde, vroege dertiende eeuw is hier de Benedictijner abdij St. Julianus gesticht. Het centraal gelegen klooster kende een omringende brede terpsloot die mogelijk als vroege omgrachting dienst heeft gedaan. Deze ruim tien meter brede sloot is verdwenen en met kleiige en venige sedimenten gevuld en is zo hier en daar nog als een lichte depressie te herkennen. Deze gracht is op een aantal plaatsen aangeboord waardoor een reconstructie van het vroegere verloop kon worden gemaakt. De dubbele omgrachting aan de westzijde, die met de twee ‘bastionachtige’ uitstulpingen de associatie met een verdedigingswerk oproepen, dateert waarschijnlijk van voor 1587, het jaar waarin het klooster werd verwoest. Tussen deze twee buitenste brede sloten bevindt zich een pad of singel. Aan de westzijde van het dorp staat deze singel ook wel als de ‘Kloostersingel’ bekend. Of de singel helemaal rond het dorp heeft gelopen is niet bekend.

Abdij

Het klooster wordt voor het eerst in 1226 genoemd. Ludger zou hier aan het begin van de twaalfde eeuw een heidense tempel hebben gevonden die door hem tot een christelijke werd gewijd. Al aan het einde van de tiende eeuw komt ‘Rotton’ als toponiem voor in een goederenlijst van Werden. In de elfde eeuw wordt Rotton opnieuw genoemd.
Rond 1580 was er een ommekeer op het ‘politieke toneel’ doordat de Stad Groningen overging naar Spaanse zijde. Hierdoor kwamen de Stad en de Ommelanden in een openlijke oorlog tegenover elkaar te staan en werd de scheiding tussen rooms-katholieken en protestanten aangescherpt. Prelaten van Aduard, Selwerd en Oldenklooster zochten hun heil in de stad uit vrees voor de rovende en plunderende soldaten van Entens. De abten van Thesinge, Oldenklooster en Rottum kozen vooreerst de Ommelander zijde. De eerste twee verzoenden zich al snel met Parma, maar de abt van Rottum ging echter tot hervorming over en koos daarmee de zijde van de Unie van Utrecht.
In de zomer van 1580 werd de stad Groningen, die nog steeds door Entens werd belegerd, ontzet door een Spaans leger. Ook de Ommelanden vielen in Spaanse handen en werden tussen 1580 en 1594 het slachtoffer van vanuit Friesland opererende, plunderende en brandschattende Spaanse troepen. Naar alle waarschijnlijkheid rwerd Rottum gedurende deze periode met een extra gracht versterkt, teneinde aan deze plunderende bedreiging zoveel mogelijk het hoofd te bieden. Dit lukte helaas maar gedeeltelijk, want in 1587 werd het door de Spaanse troepen overvallen en werd een groot deel van de gebouwen verwoest en in brand gestoken.
In 1854 werd de kerk deels hersteld en werden de pastorie, de school en de protestantse kerk die sinds de zestiende eeuw in een vleugel van het vroegere klooster zaten, gesloopt. De vervallen resten van de kerk werden in 1886 afgebroken. Het klooster bezat enkele voorwerken (kloosterboerderijen) zoals Bethlehem ten westen van Rottum, Langenhuis tussen Rottum en Doodstil, en Papekop bij Uithuizen.

Herstel Kloostersingel

Onlangs is Rottum aangewezen als archeologisch rijksmonument. Dit betekent dat een normaal grondgebruik is toegestaan, maar dat voor diepe of omvangrijke ingrepen in de bodem voortaan vergunningen nodig zijn. Door het Groninger Landschapsbeheer is in samenspraak met de bewoners van Rottum en de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) een plan ontwikkeld om onder andere een deel van de kloostersingel dat aan de westzijde van Rottum ligt, op te knappen en te ontsluiten ten behoeve van wandelaars. Hierbij speelt de visie van de bewoners van Rottum, neergelegd in een rapport van augustus 2000 een belangrijke rol.

De auteur is verantwoordelijk voor alle rijksmonumenten in de Regio Noord van de ROB.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50