Friese cultuur vanuit verdwijnperspectief

Op 20 april werd in Sloten de tentoonstelling Fjirtum geopend, waarbij flessen gevuld met favoriete grond tentoongesteld werden. Achterliggende gedachte van kunstenaar Bruin van der Duim is de vraag: heeft Friese cultuur nog bestaansgrond?

TEKST
Goffe Jensma

Ter gelegenheid van de opening werd een symposium georganiseerd waar een viertal sprekers op de volgende stellingen reageerden:
1 Friese cultuur bestaat niet.
2 Globalisering zorgt ervoor dat Friese cultuur geen toekomst heeft.
3 Cultuur is niet statisch. Het is een organisch proces, dat niet kunstmatig bij te sturen is.
4 Het Friese landschap bestaat niet.
5 Het typisch Friese landschap dreigt te verdwijnen door grote infrastructurele ingrepen.
6 Friesland wordt een groot openluchtmuseum, een recreatielandschap voor de randstedeling met woonboerderijen met een mediterrane uitstraling.
Een van de sprekers was de historicus Goffe Jensma. Zijn enigszins bewerkte verhaal volgt hier.

Het rode tasje van Salverda

De cultuurgeschiedenis van Friesland is een onderwerp waarnaar ik veel onderzoek heb gedaan en waarover ik ook het een en ander heb gepubliceerd, bijvoorbeeld mijn boek Het rode tasje van Salverda, waarin de oorsprong van de hedendaagse Friese cultuur wordt beschreven. Het is dus ook vanzelfsprekend dat ik vanuit dit historisch perspectief reageer op de stellingen die Bruin van der Duim heeft geformuleerd.

Retoriek

Allereerst kunnen we door middel van wat close-reading de strekking van de stellingen wat nader proberen te bepalen. Wat allereerst opvalt, is dat er sprake is een behoorlijke dosis retoriek. Stelling 1 bijvoorbeeld luidt: ‘Friese cultuur bestaat niet’. De achterliggende bedoeling is overduidelijk: ‘Friese cultuur bestaat natuurlijk wel, en u (ik dus – GJ) zult dat hier in Sloten toch niet durven gaan ontkennen’, heeft de bedenker gedacht. Dat dit inderdaad zo is, blijkt onmiddellijk uit stelling 2. Globalisering zorgt ervoor dat Friese cultuur geen toekomst heeft. De bedenker is er dus van uitgegaan dat er wel degelijk een Friese cultuur bestaat, want hoe zou ze anders ooit door globalisering teloor kunnen gaan.
Stelling 3 vind ik raadselachtig: ‘Cultuur is niet statisch, maar een organisch proces dat niet valt bij te sturen.’ Om te begrijpen heb ik de stelling toegepast op die Friese cultuur uit stelling 1. Dan wordt het dus: ‘Friese cultuur is niet statisch, maar een organisch proces dat niet valt bij te sturen.’ Friese cultuur is dus een cultuur die niet door mensen gemaakt wordt, maar die buiten de wil van mensen om organisch groeit. Ik moet eerlijk zeggen: ik kom daar niet uit, dus ik laat die stelling rusten.

Landschap

Vervolgens doen we de hele exercitie nog eens over met stelling 4. Nu bestaat het ‘Friese landschap’ niet. Opnieuw lijkt het erop dat de bedenker van de stelling eigenlijk wil dat ik zeg dat het wel degelijk bestaat, want het dreigt te verdwijnen, nu niet door globalisering, maar door infrastructurele ingrepen van stelling 5.
In stelling 6 blijkt voor dat landschap toch wel weer een toekomst te zijn weggelegd. Friesland zal blijven bestaan, maar het wordt in de toekomst een groot openluchtmuseum met een – dit vind ik weer raadselachtig – mediterrane uitstraling. Misschien heeft dit laatste iets te maken met de oud-gedeputeerde voor Cultuur in Groningen, Mirjam de Meijer, die het Groningse Hogeland beschrijft als het ‘Toscane van het Noorden’, of met de Blauwe Stad in Oost-Groningen, die wel als het ‘Venetië van het Noorden’ is beschreven. Mediterraan of niet, Friesland als openluchtmuseum is in de toekomst bedoeld voor de randstedeling, die er in woonboerderijen zal gaan recreëren.
De bedenker van de stellingen is geen optimist. Er bestaat iets en straks is het weg. Globalisering, infrastructurele ingrepen en randstedelingen liggen op de loer. Wat te doen? Vul uw fles en speak your heart.

Volkstuintjes op een wierde

Het komt misschien een beetje flauw over dat ik deze stellingen zo onder het fileermes van het letterlijke leg. Het is echter een wezenlijk onderdeel van mijn vak om goed te lezen, historische bronnen evengoed als hedendaagse stellingen. En wat ik er al met al vooral uit concludeer is dat de bedenker worstelt met het woord, het idee, het concept Friesland. Wat is dat en wat moet het worden? Waar zal het blijven? Ik herken dat onmiddellijk. Ik worstel met hem mee.
Al worstelend ben ik gaan wandelen. Als Friese cultuur zou bestaan, dan is het iets dat in het verleden wortelt. Achter mijn huis (het staat op een Groningse wierde) is een complex met volkstuintjes, midden op de wierde. Daar wordt groente verbouwd in tweeduizend jaar oude terpaarde. Dat is een vorm van cultuur in de meest letterlijke zin van het woord. De term ‘cultuur’ stamt immers af van het Latijnse ‘cultura agri’ en dat betekent ‘onderhoud van de akker’. Om mijn worsteling met de stellingen even te laten betijen besloot ik eerst daar maar eens een wandeling te gaan maken; het was ook een mooie gelegenheid om mijn fles te vullen.

Gebakken grond

Het onderhoud van een volkstuintje mag cultuur zijn, grappig is dat deze cultuur op zo’n wierde weer een oudere vorm van cultuur blootlegt, namelijk die van wat ik ‘gebakken grond’ noem. Als er een regenbui op de akkers is gevallen, dan tonen zich ineens allerlei kleine stukjes aardewerk, scherfjes in de grootte van één tot misschien tien vierkante centimeter. Voor het grootste deel gaat het om stukjes inheems aardewerk, gebakken van de klei uit de omstreken. Het bracht me op een idee en al wandelend heb ik gisteravond de mij door Bruin van der Duim toegezonden fles gevuld met ‘gebakken grond’.
Wie op een terp woont en er ook oog voor heeft, weet waar ik het over heb: het zijn kleine scherfjes onooglijk, want tamelijk grauwgekleurd aardewerk. Soms zit er een oranje of geelkleurig sliklaagje op, soms – en daaraan kan met ze dateren – is de klei vermengd met schelpengruis, soms met kiezels en een andere keer weer met organisch materiaal. Voorzover je nog kunt zien is al dit aardewerk met de hand gevormd en absoluut niet kunstzinnig; het is functioneel. Het is ook vele eeuwen – millennia zelfs – oud; het grootste deel van dit aardewerk stamt uit de Romeinse tijd, dus uit de eeuwen rond het begin van de jaartelling. Ook dit winnen van geschikte klei, het kneden en draaien tot potten en pannen en het bakken ervan is een vorm van cultuur, die ook nog vrij letterlijk ligt bij de oorspronkelijke betekenis van het woord ligt: onderhoud van de akker. Het is bewerking van klei.

Scherven

Ooit waren deze kleine scherfjes onderdeel van grotere gehelen, van potten. Soms vind je iets dat daarop lijk: een stukje van een rand, een oor. Meestal zie je wel iets van een bolling of een holling en kun je vermoeden hoe groot zo’n pot is geweest. Maar goed, daar gaat het me niet om. Belangrijke vraag is hier, hoe het toch kan dat die scherfjes zo klein zijn. Dat komt omdat hier de ene vorm van cultuur de andere kleinmaakt. Iedere keer dat een bebouwer van zo’n volkstuin zijn schep in de grond steekt, steekt hij mogelijkerwijs een pot in twee stukken (laten we zeggen in het jaar 1300), twee helften in vieren (in 1400), vier kwarten in achtsten (in 1500) enzovoort, totdat we in 2002 met een enorme gribus aan kleine scherfjes zitten die bij regenbuien voor het licht komen. De ene vorm van cultuur – de onze, de nieuwere – hakt de andere – de oudere in stukjes – in kleine stukjes.
Het is een normale gang van zaken in de geschiedenis en de wandeling over de volkstuin is een prachtige metafoor voor dit proces. Waar iets nieuws gemaakt wordt, verdwijnt het oude, net zo lang tot de scherfjes aardewerk zijn teruggekeerd tot het element waaruit mensenhanden ze hadden gevormd en gebakken: tot grond dus. Vernieuwing en verdwijning zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Verdwijning en vernieuwing

Wat mij als historicus nu zo is opgevallen is hoe deze twee zaken – vernieuwing en verdwijning – in Friesland in de afgelopen twee eeuwen steeds op gespannen voet met elkaar staan. De stellingen zijn er het resultaat van, maar er zijn talloze voorbeelden van aan te halen, hoe Friezen gefixeerd zijn op wat verdwijnt of wat verdwijnende is. Op het moment ben ik bezig met een essay over het Fries Genootschap voor Geschied-, Oudheid en Taalkunde, dat volgend jaar 175 jaar bestaat. De wetenschap die daar werd beoefend heeft steeds in het teken van de verdwijning gestaan en dus ook van een poging om dat wat verdwijnt vast te leggen, te musealiseren. Het Fries Genootschap is de stichter van het huidige Fries museum, en de doelstelling van dat museum was het om het Fries-eigen cultuurgoed te bewaren, dus de Friese cultuur uit de stellingen van Bruin van der Duim. En wat is er in de afgelopen tweehonderd jaar niet bewaard! Vervolgens is men niet alleen in materieel opzicht gefixeerd op de verdwijning van Friese cultuur, ook zaken als het oude Friese volkskarakter, ja zelfs het Fries zelf wordt steeds gezien in het teken van de verdwijning. Al meer dan twee eeuwen spreken Friezen de angst uit dat in een volgende generatie het Fries zal zijn uitgestorven.

Verdwijnperspectief

Er is dus weinig nieuws onder de zon en dat geldt ook voor de stelling dat globalisering ervoor zorgt dat de Friese cultuur geen toekomst heeft. Het heette toen nog geen globalisering, maar in de negentiende eeuw al werd precies dezelfde tegenstelling geponeerd. De vooruitgang, de modernisering, de Franse en de Industriële Revolutie zouden maken dat alle typisch Fries-eigene cultuur zou opgaan in een – laten we zeggen – West-Europese cultuur. Voor de Friese schrijver Joost Halbertsma (1789-1869) was bijvoorbeeld de stoomtrein metafoor voor dat proces. De stoomtrein van de vernieuwing, van de globalisering. Er waren volgens hem maar twee mogelijkheden: met die stoomtrein te rijden of er door overreden te worden.
Als er een Friese cultuur bestaat, dan ligt ze voor mij niet in die restjes verleden, in de scherfjes zelf, maar in de bezorgdheid of misschien zelfs de angst dat ze zullen verdwijnen, dat we ze zullen vergeten. Dat lijkt me de grootste gemene deler van iedereen die zichzelf in de afgelopen twee eeuwen de vraag heeft gesteld naar het Fries-eigene. Friese cultuur is dus ook niet iets ouds in mijn ogen, niet zo oud als de scherfjes zelf, maar is een uitvinding van de laatste twee eeuwen. De genootschappen, musea, verenigingen en wat al niet meer die zich bezighielden met – in mijn metafoor – het rapen van scherfjes, al die clubs en individuen vormen samen de belangrijkste vernieuwende culturele beweging uit de gehele Friese geschiedenis; zij definieerden de Friese cultuur vanuit verdwijnperspectief.
Ondanks de angst van zes à zeven generaties Friezen dat een volgende generatie alles kwijt zou zijn, is juist die Friese cultuur blijven bestaan. Zijn er aanwijzingen dat dit in toekomst anders zal gaan? Gaan de veranderingen tegenwoordig niet veel sneller dan vroeger? Heeft Geert Mak bijvoorbeeld gelijk met zijn stelling dat het Friese platteland na 1945 zijn oorspronkelijke verloren heeft? Wat is de invloed van mechanisering?

Gevoelloosheid van de bulldozer

Ik ben historicus en geen futuroloog. Maar ook hier levert de volkstuin een mooie metafoor. De bakker uit mijn dorp – Henk Berghuis – vertelde me hoe arm het vroeger bij ons in het dorp was en hoe de mensen moeite hadden om de winter heelhuids door te komen. Op hun volkstuinen verbouwden ze aardappels die ze vlak voor het invallen van de winter inkuilden. Vroor het nu te hard dan drong de vorst te diep de grond in en werden de aardappels oneetbaar. De bakker zag nog die gezinnen voor zijn geestesoog die huilend rond zo’n kuil met bevroren aardappelen samenschoolden. Tegenwoordig is een volkstuin een luxeartikel voor de hobbyist; de meeste op onze volkstuinen verbouwde boerenkool gaat naar de kippen, wordt ondergespit of verdwijnt uiteindelijk in groencontainer en compostbak.
Hier constateer ik een dubbele tegenstelling tussen arm verleden en rijk heden, maar ook tussen werkzame zorg en volkomen onbezorgde luxe. Cultuur moet misschien toch wel een beetje aanvreten en een tikkeltje pijn doen om te beklijven. Wat voor de volkstuinen geldt, gaat ook in het algemeen op. Tegenwoordig kun je een terp, die nota bene in meer dan tweeduizend tot stand is gekomen, in een dag met een bulldozer slechten. Toen de bewoners van Dorkwerd het niet zagen zitten dat Peter Greenaway in het kader van de tentoonstelling Hemel en Hel op hun terp een paviljoen zou inrichtten, liet hij een paar bulldozers aanrukken die op het Zernike-terrein in een paar middagen een heuse terp opwierpen. Na afloop van de tentoonstelling was de terp als het ware even snel weer afgebroken als de decorstukken in het Groninger Museum.
Er zijn meer voorbeelden van deze tempoversnelling die gevoelloosheid met zich meebrengt. Een kanaal – neem het Van Starkenborgh – werd vroeger met de schep gegraven en generaties lang herinnerde men zich het zware werk en was zo’n kanaal een litteken dat door het landschap in het geheugen van de mensen was gegrift. Tegenwoordig graaft men pijnloze kanalen, doet de machine het werk. Je kunt nieuwe natuur aanleggen – It Fryske Gea en het Groninger Landschap zijn er meesters in – met een bulldozer. Misschien moeten we vaststellen dat die bulldozers het verleden te vlug te klein malen.

Yoghurtfles als metafoor

Tot slot nog een opmerking, niet over de stellingen, maar over de fles die Bruin van der Duim me aanreikte met het verzoek deze te vullen met mijn lievelingsgrond. Toen ik al wandelend op de volkstuin dit verhaal bedacht had, besloot ik mijn fles te vullen met scherfjes terpaardewerk. De fles is een mooie metafoor voor een museum van Friese cultuur. Een vitrine in de vorm van een yoghurtfles: prachtige gedachte. Maar het is voor mij nog meer dan dat geworden: de yoghurtfles is ook een metafoor voor de geschiedschrijving als zodanig. Allerlei bronmateriaal – kleine stukjes, brokjes en scherfjes – voeg je bijeen in een fles en die fles is de vorm waarin je de feiten giet, waarin het verhaal vorm krijgt. Er is dan één beperking: de hals van de fles. Pas als een oude cultuur voldoende klein is gemaakt door een nieuwe past ze in de fles, zijn de scherfjes verleden nog te groot, dan wil het niet. Laat ik dus maar met de vaststelling eindigen dat er ook stukken verleden moeten zijn, die eenvoudigweg te groot zijn voor de yoghurtfles van de Friese cultuur.

Goffe Jensma (1956) is als wetenschappelijk onderzoeker/literatuurhistoricus werkzaam aan de Fryske Akademy te Leeuwarden. Hij is historicus en publiceerde onder andere over Friese cultuurgeschiedenis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€37,50