Nieuwe boerderijen in Fryslân, prikkelende incidenten

Zelden zijn boerderijen inspiratiebron voor nieuwe gebouwen. Friesland telt niettemin enkele interessante voorbeelden, waarbij de ontwerper rekening heeft gehouden met de traditie en het omringende landschap.

TEKST
Peter Karstkarel

Hier en daar zie je een boerderijruïne op het Friese platteland. Misschien is het wel de eerlijkste uitdrukking van de ellendige positie waarin de boerderij in deze provincie verkeert. Slechts weinigen bekommeren zich om dit belangrijke gebouwentype in de Friese architectuurgeschiedenis. Het gaat om twintig- tot dertigduizend boerderijen. Toch staan er nog geen vijfhonderd stuks op de rijksmonumentenlijst. Verontrustend weinig als je bedenkt dat bijna niets wordt gedaan tegen de sluipende teloorgang van de boerderij. Boerderijen zijn bovendien zelden inspiratiebron voor nieuwe gebouwen. Maar gelukkig zijn er verlichte geesten die de boerderij in het landschap zo’n respectabele verschijning vinden dat zij voor een nieuwe boerderij kiezen als ze een nieuw bedrijf of een nieuwe woning willen neerzetten op het erf van een vervallen boerderij. Wie het goed wil doen, vraagt een ontwerper om eigentijdse oplossingen aan te dragen die in relatie staan tot de traditie.

Kollumerpomp

Een vroeg resultaat van een dergelijke oplossing is te vinden in een noordelijke uithoek van het kale Kollumerland. Het is een boerenhuis met stal dat – laten we het maar plechtig noemen – een opmerkelijke vernieuwing van de lessen uit het agrarisch erfgoed toont. Ten oosten van Kollumerpomp hebben Ebbo en Marga Ludolphie aan de Foyingaweg 116 de woning laten bouwen die op een eigenwijze manier de traditie van het boerenhuis nieuwe impulsen geeft. Toen zij hun boerderij hadden verkocht en voor de paarden en schapen even verderop een schuur hadden neergezet, gaven ze architect Gunnar Daan de opdracht om een woonhuis voor die plek te ontwerpen.
De contour van een breed zadeldak met een bescheiden dakhelling verwijst naar de grote tentdaken van de boerenschuren en dat is al voldoende voor het effect. De woning lijkt een uit zo’n schuur gesneden rechte plak en daardoor rijst het zadeldak des te scherper op uit het landschap.
De architect heeft een opmerkelijke vondst toegepast door de skuorreed, het wagenpad, tot een open doorgang (een vide) te vormen op tweederde van de breedte van het huis. Zo wordt de driehoekige contour niet onderbroken. De vide is aan voor- en achterzijde open maar wel overdekt; het zadeldak loopt door met transparante golfplaten die gefilterd licht doorlaten. Daar is ruimte als berging en de vriendelijke overgangszone tussen buiten en binnen kan bovendien gebruikt worden als kas voor wijnstokken en potplanten. Bovendien is zo een binnenwand gevormd voor een informele entree tot de woning.
Ten westen van de skuorreed bevindt zich de woning, die aan de west- en zuidzijde door flinke vensterpuien op het landschap is gericht. Verder is er een uitgekiende compositie van verticale en vooral horizontale vensters. De woning is gebouwd van helderrode, gladde baksteen die doet denken aan de zo veel in deze contreien gebruikte Groninger perssteen. Op het dak liggen grijze golfplaten; het zou te bont worden om het met oranjerode pannen te dekken.

Doniaga

Onlangs is een oude boerenstee in de boerderijenstreek van Doniaga gesneuveld en vervangen door een nieuw huis. Op afstand is het grijsblauwe bouwsel nauwelijks te ontwaren; het voegt zich in het landschap. Van dichtbij is het spectaculair nieuw, maar het betracht een zeldzame hoffelijkheid voor het landschap. Toen Durk en Janke Steneker uit Sint-Nicolaasga enkele jaren geleden de vervallen boerderij in het nabijgelegen Doniaga kochten, viel aan restauratie niet te denken. Wel wilden ze de molkenkelder van het voorhuis als souterrain voor een terras handhaven. Op de plek van de boerenschuur moest een nieuwe woning verrijzen. Het atelier van beeldend kunstenaar Ids Willemsma bij Easterwierrum werd een voorbeeld. Overleg met Willemsma en bouwtechnische en procesmatige adviezen van bouwkundige Gerry de Bruin van architectenbureau Grunstra in Heerenveen leverde het gewenste ontwerp op.
Het silhouet van het hoge schuurdak van de boerderij was het uitgangspunt. Het hoge, brede ruimtelijke trapezium onderging een flinke metamorfose. Voor- en achterzijden zijn recht afgeknipt tot hoge tuitgevels. Bovendien is het volume aan de twee koppen ingekeept. De zijschilden van het dak zijn diep naar het maaiveld doorgetrokken. Het is een eigenzinnig gelede piramide geworden. Het metrum van vierkante vensters doet denken aan dat van de koeienraampjes in een boerenschuur. De geknipte en verschoven piramide is van staal. Op een stalen skelet is een roevendak gelegd en de wanden zijn van fijn geprofileerde staalplaten vervaardigd. Stoer materiaal dat de kolossale hoofdvorm levendig detailleert. Het landschap heeft deze opmerkelijke sculptuur op een milde wijze opgenomen, alsof het er sinds jaar en dag thuis hoort.

Harich

Er zijn ook enkele echte, nog volop functionerende nieuwe boerderijen gebouwd, op een nieuwe plaats, met een nieuw elan. Moedige pogingen om het aloude beeld van de traditionele boerderij te reanimeren. Tussen Harich en Balk strekt zich aan de Warrensterwei een nieuwe, lange schuur in het landschap uit. Geen onverschillige grijze schuur, maar een langgerekte boerderij in bruine en roodbruine kleuren, met aan de voorzijde een rode woning en een opvallend geel tussenelement. De boerderij van Jelle de Jong is ontworpen door een andere Jelle de Jong, boer en architect, maar wel volle neven. Ze hebben elkaar geïnspireerd tot het stellen van een daad: een nieuw type boerderij. Het bedrijfsgebouw moest helemaal aan de eisen van modern agrarisch management voldoen, maar de vorm moest respect tonen voor de traditie van de boerderijgebouw. Het werd een nieuwe mengvorm van een langhuis, een heel oud boerderijtype, een stelp en een kop-hals-romp, trots gepresenteerd op een dertig centimeter opgehoogd erf. Van de zuidwestzijde zien we een lang gebouw met achter elkaar de woning, de wagen- en machineberging en de schuur. De driehoekige voorgevel knikt in het midden, eindigt aan de ene zijde hoog en waaiert aan de andere kant scheef in het land uit. Daar lijkt het wel een stelp, maar waar de molkenkelder hoorde te liggen is nu de woonkamer met pui en half overdekt terras te vinden. De brede en lage dakschilden zijn het hoogst bij woning en schuur, op het tussenlid zijn ze lager. Daardoor doet het bedrijf aan een kop-hals-romp denken. Het dak haalt niet de rijzigheid van de oude boerenschuren; dat is definitief verleden tijd. De verwijzing naar die daken wordt wel door de kleur van de dakplaten gesuggereerd: op het woongedeelte zwart en op het bedrijf bruinrood. Aan de andere zijde is de structuur nog beter te ervaren. Er is bij wagen- en machineberging een flink stuk uit het brede volume gespaard, waardoor een binnenplein is gevormd. Het is een modern boerenbedrijf, totstandgekomen in karakteristieke vormen en kleuren. De efficiënte bedrijfsvoering en oog voor de traditie zijn in een nieuwe balans gekomen.

Langweer

In de geïsoleerde, driehoekige polder ten noorden van Langweer, tussen de Janesloot, het Prinses Margrietkanaal en de Langweerdervaart, vanouds een kale drassige polder, is dicht bij de brug ten noorden van Langweer een grijze schurengroep op een kaal erf verrezen. Voor een loonbedrijf is het veel te zorgvuldig. Het is een experiment, een nieuwe boerderij, een agrarische sculptuur. Twee grijze vleugels, haaks aan elkaar gelipt en geen rommel eromheen. Dichterbij gekomen blijkt er zorg aan te zijn besteed: niet alleen aan een propere verdeling van de functies, maar ook aan de architectuur. De opdrachtgever van de nieuwe boerderij voelde zich met zijn grote stelp aan de oostelijke marge van Langweer geleidelijk ingeklemd door het oprukkende watersportbedrijf. Hij kende het atelier van kunstenaar Ids Willemsma en zocht contact. Na zich op de hoogte gesteld te hebben van de functionele wensen ging Willemsma aan het schetsen. Het werd een stalen structuur, met geordende ruimten voor mens, vee en materieel. Voor technische aspecten deed hij ook hier een beroep op bouwkundige Gerry de Bruin.
Het is in wezen een kop-hals-rompboerderij, maar dan een met slimme asverschuivingen, vergelijkbaar met de gelede boerderij die aan het begin van de twintigste eeuw hier en daar als experiment gebouwd is. Deze heeft een T-vormige plattegrond. De veestalling met melkrobot is het grootste element: ruim 44 bij ruim 22 meter. Dwars daarop staat een lagere vleugel van 40 bij 12 meter met de werktuigenloods, en op de kop vanzelfsprekend de woning. De vleugels zijn op de kruising van elkaar gescheiden door een tochtsluis, een open passage waar het dak over doorloopt. Een goede boerderij geurt, maar wat geurafstand tussen werken en wonen is aangenaam.
De bekleding van middengrijze staalplaten voor de wanden en eternietplaten voor de daken vormen een landschappelijke sculptuur. De wangen van de korte wanden van schuur en woning zijn wigvormig waardoor de zwaarte opgeheven lijkt, vooral omdat de schilden van de daken flink oversteken. Fraaie bedrijfsdeuren, uitgekiend geplaatste vensters in de woning en een keukenerker met terugspringende glazen wanden, zijn aangename prikkels.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€37,50