Eigen tuintje eerst

Op verzoek van Noorderbreedte reageert Wijnhout Punt, oud-wethouder van ruimtelijke ordening in Hoogeveen, op het artikel van Hans Elerie over de bedroevende kwaliteit van hedendaagse dorpsuitbreidingen.

TEKST
Wijnhout Punt

De foto’s van Harry Cock bij het artikel van Hans Elerie in de vorige Noorderbreedte over recente en naoorlogse dorpsuitbreidingen illustreren in een oogopslag het verschil in stedenbouwkundige kwaliteit tussen ‘vroeger’ en ‘nu’. Hans Elerie analyseert in zijn artikel het hoe en waarom van dat kwaliteitsverschil, hoe het zover heeft kunnen komen. Veel van zijn analyse kan ik onderschrijven. Maar waar hij niet aan raakt is een, wat ik zou willen noemen, culturele factor die aan de verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit ten grondslag ligt.
Ik doel op de verschuiving van het gezagsgetrouw accepteren van wat bestuurlijke en ambtelijke cultuurdragers aan plannen bedenken, naar het opkomen voor jezelf, het individualiseren, het geen oog (willen) hebben voor het collectieve, de eigen-tuintje-eerst-mentaliteit. Het gevolg is dat in uitbreidingsplannen van de laatste decennia de openbare ruimte is opgeofferd aan versnipperde particuliere tuintjes tot aan de stoeprand. En dat gemeenten alles verkochten wat riekte naar ‘snippergroen’ en particulieren gemeenten aan de kop zeurden om ook nog het naast liggende stukje groen te mogen kopen (vaak kregen ze hun zin).
Burgers en gemeente trokken dus gelijk op bij het maximaal uitnutten van de grond zonder daarbij nog voldoende oog te hebben voor het algemeen belang van kwalitatief goed ontworpen openbare ruimtes.
De burgers waren en zijn bezig hun eigen kleine paleisjes te maken en zich tegenover de buitenwereld te beschermen door Gammahekken en coniferen. En gemeenten, bestuurders? Ach, die keken ernaar zonder te beseffen wat voor kleine ramp zich aan het voltrekken was, ook al omdat ze zelf ook deel uitmaken van die heersende cultuur, en wie niet eigenlijk.

Abrupte overgangen

Naast deze ‘culturele’ omslag zijn er nog andere factoren die ervoor hebben gezorgd dat veel van die uitbreidingswijkjes zo’n rare onoverzichtelijke structuur hebben. Voor een gedeelte is dat nog een erfenis van begin jaren tachtig, de nieuwe kneuterigheid, het definitieve afscheid van de doorzonwoning met het bijbehorende rechte straatje. Daarbij kwam dan ook nog de verkeerskundige opvatting dat lange rechte stukken in straten vermeden dienden te worden, anders werd er maar hard gejakkerd.
Een en ander is nog versterkt door, zoals Elerie terecht constateert, de als absolute grenzen werkende rode contouren waarbinnen uitbreidingsplannen moeten blijven. Die grenzen zijn met goede bedoelingen bedacht en vastgesteld, maar het gedrag van het maximaal uitponden van uitbreidingsplannetjes wordt juist versterkt door die angstvallige grenzen.
Het resultaat heeft iets treurigs. De woonwijkjes zelf zijn structuurloos geworden en de abrupte overgangen naar het buitengebied tonen de witte schimmel in al hun onnozelheid.
Deze vorm van verbodsplanologie levert dus slechte resultaten op. Weliswaar wordt geen millimeter van het aangrenzende als waardevol bestempelde buitengebied benut, maar veel kwaliteit levert het verder niet op.
Het is dan ook de vraag of die rode contouren zo absoluut gehanteerd moeten worden. Beter zou zijn als op bestemmingsplanniveau de specifieke situatie, de context (vanuit landschap en milieu) goed in beeld gebracht wordt en mede op basis daarvan kwalitatief goede uitbreidingen totstandkomen. De overgang van dorp naar omringend gebied is daarbij een belangrijke ontwerpopgave, waarbij bomenrijen (geen domme schaambosjes) maar ook voetpaden (het dorpsommetje) belangrijke inrichtingselementen zijn.
Wordt op een kwalitatief goede manier invulling gegeven aan een gebied, dan moet een gemeente niet afgerekend worden op krappe contouren, maar gaat kwaliteit boven (benepen) kwantiteit. Daar is wel een cultuuromslag voor nodig, in dubbel opzicht. Allereerst moet bij gemeenten het besef postvatten dat het zo niet langer kan en dat er kwaliteit geleverd moet worden. En daarnaast moet de durf worden getoond om zo’n plan op die kwaliteiten te laten toetsen, door mensen die dat inhoudelijk ook kunnen. In Drenthe zou het Drents Plateau die taak kunnen krijgen.
Er is ook een cultuuromslag nodig bij de provincie om een gemeente niet af te rekenen op absolute grenzen maar de kwaliteitsdiscussie aan te gaan. Dat gaat verder dan goed bedoelde teksten in het tweede Provinciaal Omgevingsplan. Dat vraagt ook van provinciale bestuurders een initiërende houding.

Trots

Er zijn een paar recente voorbeelden in Drenthe van hoe het ook kan. De inrichting van het voormalige kazerneterrein in Zuidlaren is een goed voorbeeld van bestuurlijke en ambtelijke inzet om tot een op visie gebaseerd plan te komen. Maar ook het project landschappelijk bouwen waar Hans Elerie gewag van maakt, is een goed voorbeeld. Met name dit laatste project is interessant, omdat het de dialoog opgang brengt tussen (assertieve) bewoners, bestuurders en deskundigen. Bewoners zullen nooit meer plannen ‘van boven af’ accepteren, die geest is uit de fles. Maar anderzijds zouden bestuurders ook best wat assertiever kunnen zijn, door af te stappen van de houding ‘u vraagt en wij draaien’, echt de dialoog aan te gaan met bewoners, en met behulp van goede ontwerpers te laten zien dat het ook anders kan. Ik ben er van overtuigd dat dit tot plannen kan leiden waar uiteindelijk ook bewoners trots op zijn.
Deze hele discussie klemt des te meer omdat het wonen in dorpen nog steeds populair is en dat ook zal blijven. De druk op dorpen en daarmee de behoefte aan dorpsuitbreidingen zal blijven. Niet om de school of de laatste winkel te kunnen redden, zoals Lukas Koops in zijn bespreking van POP 2 in het augustusnummer van Noorderbreedte denkt, maar gewoon omdat wonen in dorpen fun is. Wie denkt, zoals Koops, dat concentratie, meer hoogbouw in steden, of woningbouw in landschappelijk minder waardevolle gebieden een oplossing is, komt bedrogen uit. We zien het nu al. Het dorp Tiendeveen mag geloof ik de komende tien jaar twee woningen bouwen. Bij dat zelfde Tiendeveen worden bij het golfterrein tientallen ‘recreatiewoningen’ gebouwd. De tuinboontjes staan er bij een aantal huisjes al goed bij. Je zult maar starter zijn in Tiendeveen. Ik zou me knap beduveld voelen. En wat in Tiendeveen gebeurt, gebeurt in de hele provincie, daar helpen geen nota’s tegen. Mensen willen graag in dorpen wonen en als dat niet kan zoeken ze de zwakke plekken in het planologisch regime op. Maar dit is een andere discussie.
Tot slot: hoe om te gaan met al die treurige uitbreidingen van het laatste decennium? Wel: koop dat stuk maïsveld van die boer op en gooi er nog een extra rand tegenaan volgens het beproefde recept dubbele, wat zeg ik, driedubbele bomenrijen met daartussen een voet- en fietspad. Dit is te realiseren met een extra subsidieregeling vanuit de provincie aangevuld met recreatiegeld! < Wijnhout Punt is oud-voorzitter van Drents Welstandstoezicht en was van 1986 tot 2002 PvdA-wethouder van Hoogeveen, hij had twaalf jaar ruimtelijke ordening in zijn portefeuille.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50