Wadden

De waddenkusten van Denemarken, Duitsland en Nederland vertonen behalve overeenkomsten ook een verbazingwekkende verscheidenheid, zo blijkt uit een boek dat verschijnt tijdens de tiende trilaterale Waddenzeeconferentie.

TEKST
Ludwig Fischer

Het waddengebied, dat bij Denemarken, Duitsland en Nederland hoort, is een merkwaardige mengeling van land en zee. Deze uitgestrekte kustformatie is even uniek als de Everglades en de moerascypressenbossen in het zuiden van de Verenigde Staten, de mangroven in de Gangesdelta in India en Bangladesh of de grote koraalriffen in het oosten van Australië.
De Waddenzee ontstond na de ijstijd door de zeespiegelstijging aan de Noordzeekust. Ongeveer zevenduizend jaar geleden nam het tempo van de stijging af: van drie meter tot zo’n twintig à dertig centimeter per eeuw, ongeveer het huidige tempo. Langs de kust ontstonden toen strandwallen die later door de voortdurende aanvallen van de zee in een reeks van duineilanden en zandbanken uiteenvielen. De wijde vlakten achter deze barrière overstroomden steeds weer tot aan de hoge zandgronden toe. In sommige gebieden werd het zoete rivierwater, dat vanuit het vasteland hierheen stroomde, opgevangen waardoor zich uitgestrekte veenmoerassen vormden. Daarop werd vervolgens door de zee slib afgezet – de huidige oude kleigronden.
Langs de extreem vlak oplopende Noordzeekust ontstond een natuurgebied dat ook nu nog het grootste samenhangende waddengebied van de wereld vormt – een gebied dat we afgezien van de diepe prielen (de geulen van de vloed- en ebstromen) kunnen doorwaden, waarmee ook de naam van de Waddenzee (Duits: Wattenmeer, Deens: Vadehavet) verklaard is.
In een cyclus van ongeveer zes uur komt, tegen de klok in, dus vanuit het westen, de vloed op en bij een even lang durende eb stroomt daarna het water terug naar de open zee. Het tijverschil is voldoende om een tot dertig kilometer brede waddenzone tweemaal per etmaal onder water te zetten en weer droog te laten vallen.
De Waddenzee is buitengewoon voedselrijk. Waar het vlak wordt neemt de getijdenstroom in kracht af en de organische deeltjes die in het water zweven, zakken naar beneden. En bij laagwater komt het zonlicht tot op de zeebodem, zodat algen en zeegrassen goed kunnen groeien. De organische afzettingen en het licht samen doen in het zand en het slik van de Waddenzee een overvloed aan leven ontstaan, van wadpieren, schelpdieren, kreeften en ander zeegedierte. Dat trekt veel vissen en vogels aan. Trekvogels die in het Noordpoolgebied broeden kunnen in deze rust- en overwinteringsgebieden reserves voor hun lange reizen opbouwen.

Huttentut en paardebonen

De Waddenzee is voortdurend blootgesteld aan wind, getijden, stromingen en veranderingen van de zeespiegel, en ook stormvloeden hebben een enorme invloed op het gebied. De zandbanken, slikvlakten, prielen en kwelders veranderen daardoor steeds van plaats en vorm – de Waddenzee is een ‘amfibisch landschap’. Maar het huidige uiterlijk van het gebied is toch vooral gevormd door de eeuwenlange werkzaamheid van de mens.
De lage, nauwelijks boven de zeespiegel uitkomende en dus steeds weer overstroomde kustzone reikte in het verleden veelal tot aan de rand van de hoge zandgronden. Aanvankelijk beperkte de mens zich in dit natte kustland tot de jacht en de visvangst. Waarschijnlijk waren eerst alleen de hogere plekken permanent bewoond, de keileemmorenen die daar door de gletsjers uit de voorlaatste ijstijd waren neergelegd. Deze morenen vormen ook de kern van een aantal eilanden: Texel in het westen en Sylt, Föhr en Amrum in het noorden. Grafheuvels uit de jonge steentijd laten zien dat hier ruim vierduizend jaar geleden landbouwers woonden.
Sinds ongeveer 600 voor Christus zijn ook delen van de Noord-Nederlandse kleistreken permanent bewoond. De oudste bewoners woonden op de hoogste gedeelten van de kwelders en de rivieroevers. Ze hoogden hun woonplek op met zoden en mest. Zo ontstonden huisterpen die groepsgewijs tot dorpsterpen samengroeiden.
In de Romeinse tijd breidde de bewoning zich uit naar het oosten en bereikte Dithmarschen. De vroege pioniers leefden van de veeteelt en het verbouwen van zomergewassen die een enkele overstroming met zout water konden verdragen, zoals gerst, lijnzaad, huttentut en paardebonen. Om de akkers te beschermen werden vanaf de Romeinse tijd plaatselijk lage aarden wallen aangelegd – de eerste zomerdijken. Jacht en visserij bleven nog lange tijd van weinig betekenis, hoewel ze op de eilanden wel nodig waren om te kunnen overleven. De zoutwinning door het uitgraven en verbranden van de turf die onder de sliklaag zat en het produceren van baksteen, werden later lokaal belangrijke inkomstenbronnen.
Ongeveer vanaf de tiende eeuw probeerden de bewoners hun land door ringdijken te onttrekken aan de onmiddellijke invloed van de zee. Nadat de bedijkte deelgebieden met elkaar waren verbonden, liep vanaf de vroege nieuwe tijd een ononderbroken dijklijn langs de hele Waddenzeekust. Ze bood een betrekkelijk goede bescherming aan de erachter liggende kleistreken.
Tot in de twintigste eeuw werden de vruchtbare gebieden steeds weer uitgebreid door kwelders in te dijken. Voor deze kleinere en grotere stukken ingedijkt land bestaan er in het waddengebied verschillende namen: ‘kog’ in Denemarken en ‘Koog’ in Schleswig-Holstein, ‘Groden’ in Niedersachsen en ‘polder’ in Nederland.

Geven en nemen

In het waddengebied gaan natuur- en cultuurlandschap in elkaar over. Maar door het bouwen van dijken schiepen mensen een scherpe scheiding: aan de kant van de zee ligt voor de dijken een meer of minder brede strook van zandbanken, eilanden en wadden die in grote mate blootgesteld is aan de natuurlijke dynamiek van de zee – de huidige Waddenzee. Aan de landzijde van de dijken zijn de vlakten die oorspronkelijk open lagen naar de zee veranderd in een agrarisch cultuurlandschap, dat eeuwenlang bewonderd werd om zijn vruchtbaarheid en om de manier waarop het land er geëxploiteerd werd.
Deze exploitatie bracht ook risico’s met zich mee. De ingedijkte gebieden werden ten behoeve van de landbouw ontwaterd, waardoor de bodem inklonk en onder het zeeniveau kwam te liggen. Als dan bij een stormvloed de dijken doorbraken, bleef het water in de laagste gedeelten staan. Zo ontstonden de Zuiderzee, Lauwerszee, Dollard, Leybucht, Jadebusen en delen van de Nordfriese Waddenzee. De Zuiderzee en de Lauwerszee werden respectievelijk in 1932 en 1969 helemaal afgedamd en gedeeltelijk drooggelegd, de andere inhammen werden slechts gedeeltelijk weer ingedijkt.
Op andere plaatsen, bijvoorbeeld voor de kust van Dithmarschen, zetten de zee en de Elbe zoveel sediment af dat het land de zee in groeide en door de mens werd ingedijkt. Door al dit geven en nemen is het huidige waddengebied nauwelijks kleiner geworden dan het voor het begin van de bedijkingen was. Wel is in de loop van meer dan duizend jaar het percentage kwelders, brakwaterrietlanden, zoetwatermoerassen en hoogveengebieden drastisch achteruitgegaan.

Grauwe walvissen

De invloed van de mens is niet alleen te zien aan het land zelf en aan de dijken maar ook aan veel karakteristieke elementen in het cultuurlandschap: aan de zeezijde de vuurtorens, bakens, boeien en staken, aan de landzijde de havens, uitwateringssluizen, gemalen, kanalen, tochtsloten, windturbines en natuurlijk de wierden en terpen.
Pas sinds tweehonderd tot driehonderd jaar worden er ook nederzettingen en boerderijen op het vlakke land gebouwd, en vooral ook door intensieve moderniseringen zijn de kleistreken aan de kust op vele plaatsen totaal van aanzien veranderd. Maar in bijvoorbeeld Middag-Humsterland bij Groningen of in Eiderstedt in Nordfriesland is aan allerlei details in het cultuurlandschap nog het ontstaan uit een natuurlijk kwelderlandschap af te lezen.
Ook in de Waddenzee zelf duikt steeds weer voormalig ‘cultuurlandschap’ op. Want de lange reeks zeer zware stormvloeden heeft sinds de vroege Middeleeuwen grote bewoonde stukken land verwoest, met catastrofale verliezen aan mensenlevens. In sommige gebieden – vooral in de Nordfriese Waddenzee, in de Weser- en Jademonding en in de Dollard – zijn veel dorpen ten onder gegaan, en niet altijd werd het overstroomde cultuurland door dijkbouw teruggewonnen. Vandaar dat er op het wad soms sporen van vroegere bewoning te vinden zijn.
Bovendien heeft de mens de loop van de natuur in menig opzicht sterk beïnvloed. Al bijna uit ons geheugen verdwenen zijn de grauwe walvissen die tot in de Middeleeuwen in de Waddenzee zwommen en uitgeroeid werden. Ook steuren en zalmen behoren tot het verleden door de overbevissing in de mondingen van de rivieren. De oesterbanken die ooit in de prielen aanwezig waren, werden al in de negentiende eeuw door een te intensieve vangst verwoest. In plaats daarvan werden mosselculturen aangelegd.

Verbazingwekkende verscheidenheid

Het waddengebied kan opgedeeld worden in verschillende zones, die allemaal parallel aan de kust liggen. In de eerste plaats is er de reeks eilanden voor de kust, oprijzend uit de ondiepe kustzee. Aan de kant van de zee hebben ze stranden en duinen, aan de achterzijde meestal kleinere of grotere kleigebieden. De eilanden markeren de strandwallen en zandbanken, die vóór de stijging van de zeespiegel van de laatste twee- tot drieduizend jaar een vooruitgeschoven kustlijn vormden.
Achter de eilanden vinden we de zone van de eigenlijke Waddenzee, Dan volgt het overgangsgebied van de onbeschermde kwelders voor de dijken, en achter de dijken ligt een brede zone van bewoonde kleigronden (‘marsk’ in het Deens en ‘Marschen’ in het Duits), tot aan de hoge zandgronden (‘Geest’ in het Deens en Duits).
Binnen de zones bestaan aanzienlijke verschillen. Voor de mondingen van de Elbe en de Weser en voor het Dithmarscher waddengebied liggen geen bewoonde eilanden meer, alleen maar zandbanken; in het schiereiland Eiderstedt zijn zandgronden, duinen en kleigronden samengegroeid. Het Deense waddengebied is smal en in het noordelijke gedeelte ervan heeft de exploitatie van de kwelders alleen maar plaatsgevonden vanaf de naburige hoge zandgronden.
Het noordelijke waddengebied wordt gekenmerkt door de halligen: vaak bewoonde maar slechts door lage dijken omgeven resten van een cultuurlandschap dat ooit veel groter was. De twee klei-eilanden in dat gebied, Pellworm en Nordstrand, zijn resten van veel grotere stukken vroeger bewoond land. Nordstrand is onlangs door een dam en een dijk met het vasteland verbonden.
Op zijn breedst zijn de kleistreken in Niedersachsen en Nederland. Daar ligt tussen de klei en het zand bijna overal een brede gordel van nu afgegraven hoogveengebieden.
Loodrecht op de zones langs de kust wordt het waddengebied doorsneden door de grote rivieren Elbe, Weser en Ems, en door kleinere rivieren als de Wiedau, Lecker en Soholmer Au, Eider, Oste, Medem, Jade, Hunze en Lauwers. Langs de loop van deze rivieren en hun mondingen zijn de huidige landsgrenzen tussen Denemarken, Schleswig-Holstein, Niedersachsen en Nederland ontstaan. Ook de grenzen tussen de Deense ‘amter’, de Duitse ‘Regierungsbezirke’ en ‘Kreise’ en de Nederlandse provincies volgen grotendeels de rivieren. Dit betekent dat elk deelgebied behalve door de natuurlijke en historische samenhang langs de kust ook sterk beïnvloed werd door zijn achterland. Dat zal de hoofdoorzaak zijn van de verbazingwekkende verscheidenheid op historisch, cultureel en economisch terrein binnen het waddengebied.

Dubbelkarakter

Economisch en cultuurgeografisch gezien toont het waddengebied door de eeuwen heen een merkwaardig dubbelkarakter. Enerzijds bevond het gebied zich in een randpositie als we kijken naar de vorming en ontwikkeling van invloedrijke centra van politiek, economie en cultuur in Europa. Anderzijds was er sinds de vroegste geschiedenis in deze kuststreek een levendige uitwisseling op cultureel en handelsgebied met bijna heel Europa. De zee en de rivieren waren tot in de negentiende eeuw de hoofdroute waarlangs de verbindingen naar Scandinavië, naar het Oostzeegebied en naar West- en Zuid-Europa liepen. Archeologische vondsten bewijzen hoe veelzijdig en intensief de uitwisseling al in de vroege Middeleeuwen en in de tijd van de vikingen was, niet alleen van gebruiksvoorwerpen – bijvoorbeeld landbouwproducten of het toen beroemde Friese zout – maar ook van culturele zaken. In de kapiteinshuizen op de zo ‘afgelegen’ waddeneilanden kon je in de zeventiende en achttiende eeuw souvenirs tegenkomen uit Oost-Indië of zelfs China. En in de grote boerenhoeven waren dikwijls muur- en plafondschilderingen naar de laatste mode te vinden.
Dat het Waddenzeegebied met de economische en culturele ontwikkelingen van andere regio’s vervlochten was, is ook te zien aan de architectuur in veel kleine steden, vooral uit de zestiende tot de achttiende eeuw. Daar was sprake van een bovenlaag van vermogende, kosmopolitische handelslieden, reders en kapiteins (bijvoorbeeld in Ribe, Husum, Glückstadt, Stade, Dokkum, Leeuwarden en Hoorn). Rijkversierde gevels, kostbaar gebeeldhouwde portalen en deuren, een luxueus interieur met lambriseringen, cassetteplafonds, betegelde wanden, kroonluchters en dure meubels getuigden van de contacten van de eigenaars van deze huizen met de machtige, stijlbepalende gebieden van die tijd.
Veel van de kleinere en middelgrote havensteden aan de Waddenzeekust verwierven door de directe export van landbouwproducten en de handel stap voor stap een aanzienlijke economische betekenis. Toch bleef de politieke en culturele elite van die tijd ze als ‘provinciaal’ beschouwen. Ondanks de ongeëvenaarde agrarische productiviteit van de omliggende gebieden, ondanks de verbindingen met de centra dicht bij de kust bereikten ook deze regionale knooppunten toch nooit de status van de grote steden, die door hun ligging aan een ander soort kust en aan grote handelswegen een veel gunstiger positie hadden, bijvoorbeeld Lübeck, Wismar, Stralsund, Danzig en Brugge in de Hanzetijd, en later bijvoorbeeld Rotterdam of Göteborg.
Er waren weliswaar veel kleine en middelgrote havensteden aan de rand van de hoge zandgronden, zoals Ribe, Husum, Meldorf, Cuxhaven, Oldenburg en Groningen, of in het waddengebied zelf, zoals Emden, Dokkum, Leeuwarden, Bolsward, Harlingen en Hoorn. Maar de grote en al eeuwenlang ook internationaal belangrijke havens liggen betrekkelijk ver van de kust, in het achterland van het eigenlijke waddengebied aan de grote rivieren of aan de Zuiderzee: Hamburg, Bremen, Amsterdam. Pas in latere tijd zijn er enkele moderne havens bijgekomen die direct aan de kust liggen en om verkeerstechnische of militair-strategische redenen van belang zijn, zoals Esbjerg, Brunsbüttel, Bremerhaven, Wilhelmshaven, Delfzijl/Eemshaven en Den Helder.

Politiek gescheiden regio’s

De randpositie die het Waddenzeegebied inneemt in economisch en cultuurgeografisch opzicht vindt een parallel in de geschiedenis van zijn politieke en culturele structuur. Want het gebied is niet alleen als natuurgebied een eenheid, met de ondiepe watervlakten van de wadden, de zandbanken voor de kust en de eilanden. Ook cultureel heeft de lange kuststrook veel gemeenschappelijke trekken: van de bescherming van het land door middel van dijken, waterlopen, afwateringssluizen en sloten tot aan de manier van wonen op boerderij- en dorpsterpen, met speciale typen huizen, eigen landbouwmethoden en sociale organisatiestructuren, en met een in bepaalde gedeelten nog levendige taaltraditie.
Op het eerste gezicht komt het gemeenschappelijke al tot uiting in de benamingen ‘Friezen’ en ‘Friesland’. Vandaag zijn die begrippen nog in gebruik voor de kuststrook van Schleswig-Holstein ten noorden van de Eider: Nordfriesland; voor het gebied tussen de Jade en de Eems in Niedersachsen: Ostfriesland; voor de Nederlandse provincie Friesland: Fryslân; en voor een deel van de Nederlandse provincie Noord-Holland: West-Friesland. En de Friese taal wordt in zijn verschillende varianten nog gesproken in de Nederlandse provincie Friesland, in Nordfriesland in Schleswig-Holstein en in het Niedersachsische Saterland.
In de zestiende en zeventiende eeuw behoorden de Nederlanden in economisch en cultureel opzicht tot de leidende landen van Europa. Naast de handel met verre en heel verre gebieden speelden daarbij ook de ‘moderniteit’ van de ontsluiting en de exploitatie van de kleistreken langs de kust een belangrijke rol. Niet alleen zaken als de dijkbouw, de afwateringstechniek en het gebruik van windenergie, maar ook landbouwmethoden, huizenbouw en andere verworvenheden van de Nederlandse cultuur werden naar het oosten, naar de andere Waddenzeegebieden, als het ware geëxporteerd, ten dele via heuse immigratiegolven.
De regio als geheel heeft zich echter nooit tot een grotere politieke eenheid aaneengesloten. De afzonderlijke gebieden hoorden steeds weer bij een ander land of groothertogdom. Altijd was het Waddenzeegebied verdeeld in politiek scherp gescheiden regio’s, die ook steeds hun eigen bijzondere culturele, religieuze, sociale en zelfs economische tradities ontwikkelden.
In verschillende delen van het Waddenzeegebied werd de loop van de geschiedenis lang bepaald door een taaie worsteling of zelfs zware strijd met de bovenregionale machten om politieke zelfstandigheid. Voor veel streken golden eeuwenlang wettelijk vastgelegde landsheerlijke privileges en een grote zelfstandigheid van het regionale bestuur. Ook toen er uiteindelijk in de zeventiende eeuw in de meeste delen van het Duitse Waddenzeegebied een eind kwam aan de vergaande zelfstandigheid, behoorden herinneringen aan de regionale ‘vrijheden’ nog heel lang tot het collectieve bewustzijn van de kustbevolking.

Heroïsche prestatie

Heel karakteristiek en terug te voeren op de speciale leefomstandigheden in dit gebied is een speciale vorm van sociale organisatie: een van bovenregionale instanties onafhankelijk bestuur, dat besliste over de dijkbouw en de afwatering. Deze uiterst kostbare en moeizame werkzaamheden vroegen om een collectieve aanpak. Zo ontstonden er in de late tiende en vroege elfde eeuw plaatselijke organisaties van toonaangevende mannen, meest boeren, die de aanleg en het onderhoud van de dijken, evenals de ontwatering van het binnenland zelfstandig ter hand namen.
De namen van deze organen zijn van streek tot streek verschillend (Deich- und Sielverband, Sielacht, zijlvest, kogge, waterschap), maar hun organisatievorm was overal gelijk. Meestal kozen de boeren hun vertegenwoordigers in het bestuur, waarbij overigens de bezitsverhoudingen een belangrijke rol speelden. De regionale verbanden van de lokale besturen hadden in de regel een gekozen ‘dijkgraaf’ (dijkhoofdman, dijkvoogd) aan het hoofd. Van diens belangrijke sociale positie te midden van de kustbewoners wordt in oude documenten vaak gewag gemaakt en deze functionaris groeide later in de novelle Der Schimmelreiter van Theodor Storm uit tot een figuur van bijkans legendarische grootte.
In het zelfbeeld van de kustbewoners neemt de lange traditie van meer of minder democratisch zelfbestuur en vergaande zelfstandigheid een grote plaats in. De voortdurende strijd tegen de zee, de niet-aflatende beveiliging van het bewerkte land wordt ook nu nog als een heroïsche prestatie naar voren gebracht, vooral in conflicten met bovenregionale politieke instanties en autoriteiten, bijvoorbeeld in kwesties van natuur- en landschapsbehoud. Toch was ook op het terrein van de kustbescherming altijd sprake van een vervlechting met bovenregionale structuren. Een groot aantal documenten bewijst dat de zelfstandige lokale besturen vaak in een heftige onderlinge strijd gewikkeld waren, vooral rond om plannen voor indijkingen en bij het herstellen van stormvloedschade. Daardoor moesten de hogere autoriteiten steeds weer ingrijpen.
Bovendien hadden dijkbouw en herstel van zware stormvloedschade zulke enorme financiële consequenties dat die niet door de kustbewoners alleen gedragen konden worden. Daarom hebben in vele delen van het waddengebied de maatregelen van externe instanties en financiers steeds weer een belangrijke rol gespeeld. In de twintigste eeuw heeft de staat definitief de organisatie van de kustbeveiliging en de zorg voor de collectieve taken op zich genomen.

Bovenregionale samenwerking

Pas in de twintigste eeuw kwamen de bewoners van het Waddenzeegebied ertoe hun gemeenschappelijke natuurlijke en culturele omstandigheden tot de basis van bovenregionale organisaties te maken. De ‘Friesenrat’ (tegenwoordig de ‘Interfriesische Rat), die in 1956 voortkwam uit een al langer bestaande beweging, vormt een forum voor de Friese taal- en cultuurbeweging. Het ‘Nordseebäderverband’ coördineert de belangen op het gebied van het toerisme aan de Duitse Noordzeekust. In de jaren zeventig kwam er een nauwe samenwerking tussen de natuuronderzoekers van de drie Waddenzeelanden tot stand. Dat leidde tot een samenwerking van de Waddenvereniging en het Wereldnatuurfonds WWF (World Wide Fund for Nature). Met het bijeenroepen van de trilaterale Waddenzeeconferenties sinds 1978 hebben Denemarken, Duitsland en Nederland het behoud van de Waddenzee als belangrijk natuurgebied tot een taak van de staat verheven en afspraken gemaakt over een gezamenlijke en betere bescherming van de natuur. Inmiddels heeft de gezamenlijke blik van deze landen zich ook gericht op de kust van de Waddenzee als cultuurgebied.
Dergelijke activiteiten zijn te beschouwen als een antwoord op de fundamentele veranderingen die het waddengebied in de laatste honderd jaar – en sinds 1960 versneld – heeft doorgemaakt. Om maar iets te noemen: de dramatische achteruitgang van de visserij langs de kust en de regionale kleine scheepvaart; de herstructurering van de landbouw die in grote gebieden heeft geleid tot een voortdurende vermindering van de bevolking en een verandering van het traditionele landschap; de enorme teruggang van de openbare en particuliere dienstverlening (scholen, basiszorg, ook het kerkelijke sociale werk) en van verschillende ambachten en kleine bedrijfjes in grote delen van het kustgebied.
Als een soort compensatie voor deze teruggang kan men de ontwikkeling zien van het massatoerisme, ook aan de Waddenzeekust. Op de eilanden leidde de ontdekking van de Noordzeekust als goed voor de gezondheid van de stadsmens al sinds het eind van de achttiende eeuw tot de oprichting van de eerste zeebaden op Norderney en Föhr. Tegen het einde van de negentiende eeuw kwam het ook op vele andere eilanden tot het stichten van Noordzeebadplaatsen, zoals op Rømø, Fanø, Helgoland, Sylt, Amrum, Wangerooge en Borkum, en in een paar vooruitgeschoven dorpen op het vasteland, zoals Sankt Peter-Ording en Duhnen/Cuxhaven. In Nederland maakten de waddeneilanden deze stormachtige ontwikkeling niet mee doordat het beginnende toerisme zich hier lange tijd concentreerde op de dicht bij de grote steden gelegen badplaatsen aan de duinenkust van het vasteland – Zandvoort, Noordwijk en Scheveningen. Na 1960 bereikte het intensieve massatoerisme ook de kustplaatsen op het vasteland van Duitsland en een groot deel van hun achterland in de kleistreken. Binnen enkele tientallen jaren zijn de meeste kustplaatsen, een kleine honderd jaar na de dorpen op de eilanden, volledig van uiterlijk veranderd. In extreme vorm is dat te zien in de Ostfriese havenplaatsen Bensersiel, Neuharlingersiel, Carolinensiel. Pogingen om tenminste de meest karakteristieke dorpsgezichten te bewaren leidden in sommige plaatsen tot ‘schilderachtige vakantiedecors’, zoals in Greetsiel. Aan de Nederlandse kust kreeg na de indijking van de Lauwerszee in 1969 alleen Lauwersoog, de nieuwe sluis-, veer- en visserijhaven, een behoorlijke toeristische impuls. Het dorp Pieterburen in het noorden van de provincie Groningen werd het centrum voor het wadlopen.
Het moderne toerisme met zijn extreem mobiele vakantiegangers heeft de economische basis voor grote bevolkingsgroepen aan de Waddenzeekust ingrijpend veranderd. Net als in andere toeristische gebieden dreigt het authentieke of vermeende culturele erfgoed tot een ’toneelstuk’ voor de toeristen te worden. Maar nog ingrijpender gevolgen heeft het feit dat veel kustbewoners dienstverleners voor het toerisme worden. Voor mensen uit de voormalige lagere of middenklasse zijn de gevolgen niet zo groot – zij hebben immers altijd voornamelijk ‘voor anderen’ gewerkt. Maar voor degenen die vanouds zelfstandig waren en in eigen ogen een onaantastbare positie hadden zoals de boeren, schippers, kooplieden en vissers betekent dit een totale ommekeer in hun identiteit.

Bijzondere charme

Tot ver in de achttiende eeuw werd de zee volgens de gangbare opvattingen beschouwd als iets bedreigends en vijandigs, en de kusten als afschrikwekkende overblijfselen van de zondvloed. De zee was uiteraard belangrijk voor het handelsverkeer en de beheersing ervan betekende macht en rijkdom. Maar als landschap, als esthetisch waargenomen ruimte, was de kust vooral iets negatiefs. En voor de Waddenzeekust gold dat in hoge mate. Die werd niet alleen bedreigd en door gevaren gekenmerkt (kustmalaria), maar ook als buitengewoon saai en lelijk ervaren.
Pas toen een kleine culturele elite het waddenlandschap vanuit esthetisch gezichtspunt begon te waarderen, werden de ‘oneindige zee’ en de ‘machtige hemel’ aan de Waddenzeekust geleidelijk een gewild doel voor de toerist. Inmiddels hoort de verwijzing naar het verhevene, naar de onvergelijkelijke ervaring van weidsheid, grootse luchten en de bijzondere charme van het vlakke landschap tot de standaardreclame voor het gebied.

Tot slot. Hoe moeten we het Waddenzeegebied in verhouding tot andere belangrijke natuur- en cultuurlandschappen beoordelen? Een directe vergelijking met landschappen die qua natuur en geschiedenis totaal anders zijn, heeft helemaal geen zin; er zijn geen algemeen geldige criteria voor hun ‘waarde’. Zinvoller is het om de speciale kwaliteiten van elk landschap te zien.
In het Waddenzeegebied aan de Noordzeekust zijn sinds 2500 jaar menselijke activiteit en natuurlijke processen op een unieke manier met elkaar vervlochten. De geschiedenis van die vervlechting is vandaag de dag nog in de verschillende streken van het waddengebied vast te stellen en daaruit is de identiteit van dit landschap gegroeid – een identiteit die nergens anders op dezelfde manier te vinden is.

Tjalling Waterbolk was tot 1987 hoogleraar in de
prehistorie en Germaanse archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ludwig Fischer was tot 2004 hoogleraar in de Nieuwe Duitse literatuur aan de Universiteit van Hamburg.
Deze tekst, de foto’s en de kaart komen uit Wadden, verhalend landschap. Een cultuurhistorische reis langs de waddenkust van Denemarken, Duitsland en Nederland, redactie Jan Abrahamse, Marieke Bemelman en Martin Hillenga. Het boek verschijnt in drie talen en bevat onder meer bijdragen van Toon Fey, Sietse van der Hoek, Aafke Steenhuis, Willem van Toorn en Frank Westerman. Uitgeverij Tirion Natuur, Baarn, € 49,95.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50