After the party, de toekomst van het leisurelandschap

Het vakantielandschap is de afgelopen twintig jaar drastisch veranderd. Menigeen zal begrippen als ‘vakantie’ of ‘toerisme’ eerder associëren met de Turkse kust en Kreta dan met een fietstocht door Noord-Nederland. Toch heeft Noord-Nederland grote potenties om het landschap voor het toerisme tot volle wasdom te brengen.

TEKST
Peter Michiel Schaap

Drenthe, meest veranderde landschap

Noord-Nederland heeft wat dat betreft grote potenties om het landschap voor het toerisme tot volle wasdom te brengen. Drenthe is nu al interessant omdat het al in optima forma laat zien hoe de modernisering van de landbouw hand in hand kan gaan met een leisureproduct. Weinigen weten het, maar Drenthe is eigenlijk het meest veranderde landschap van Nederland. Leg maar eens een aantal topgrafische kaarten over elkaar. Dankzij de inspanningen van landschapsarchitect Harry de Vroome, verantwoordelijk voor talloze ruilverkaveling en landschapsinrichtingprojecten, ziet het er toch allemaal erg authentiek uit. En iedereen trapt erin. Groningen is een ander verhaal. Dat is echt voor een belangrijk deel onontgonnen, al is er wel een groeiende groep mensen die zelfs ongenaakbare landschappen als het Oldambt op prijs beginnen te stellen. Ik denk altijd autobiografisch, maar als het voor die kleine groep nu al interessant is, dan geloof ik dat het op termijn ook nationaal en internationaal te marketen is. En dat zou best wel eens op een heel ongebruikelijke manier kunnen. Bijvoorbeeld door een grote mate van vrijheid te geven: speciale voorzieningen voor campers in het landschap.

Culinair uithangbord

Als je rondkijkt in het (Nederlandse) landschap dan is er al sprake van een enorme opkomst van goede eetgelegenheden en bed & breakfasts. Je hebt tegenwoordig ‘het betere boeren bed’ en vindt ambitieuze toprestaurants op de meest onverwachte plekken. Maar dat is een autonome beweging die niet zoveel temaken heeft met het feit dat we straks niet meer goedkoop naar Spanje of Turkije kunnen. Het vindt z’n inspiratie in de van oorsprong Italiaanse Slow Food beweging: het gebruik van regionale en oorspronkelijke gewassen en het behoud van de traditionele keuken. Door het ontbreken van een echte culinaire traditie zie je wel dat je hier niet, zoals in Italië, gewoon bij de boer kunt eten. Waar boeren zich richten op de productie – van bijzondere kaas en oude runderrassen, tot de vergeten groenten – is dat in Nederland veel meer het domein van ambitieuze horecaondernemers. Er ontstaan daar wel heel interessante coalities, ook tussen de natuur en plattelandsontwikkeling. Ik vermoed dat er nog een enorme groei zit in deze beweging. Het Europese moet het vooral van de regionale worteling hebben. En eten, dat is echt een centraal thema, al kan het niet zonder aantrekkelijke dorpen, een interessant cultureel aanbod, shopping, kleinschalige verblijfsaccommodaties en sportieve mogelijkheden. Het is een package deal met een culinair uithangbord.

Vraag naar vlees en biobrandstof

Die Slow Food geïnspireerde productie is vrij kleinschalig. Ondertussen zit een aantal extensieve landbouwsectoren, heel onverwacht, weer enorm in de lift. Dit is het gevolg van de gestegen vraag naar vlees in landen als China en Brazilië en de ontwikkelingen rond biobrandstoffen. Het Noorden speelt daarin een belangrijke rol vanwege de gematigde grondprijs. Wat we hier zullen gaan zien is een opschalende melkveehouderij: bedrijven met 1000 tot 2000 stuks vee. Het is voor de Noordelijke provincies van belang om hier goed beleid op te gaan voeren: waar wel en waar niet. Dat was ook de essentie van het Megastallenadvies dat ik eind 2007, nog als Rijksadviseur voor het Landschap, heb gegeven. Het probleem is echter dat het tegenwoordig gaat over vele autonome ontwikkelingen en het ondernemerschap van verschillende individuele boeren. En onze oude planningsmachine, die staat te roesten in de schuur. We hebben de instrumenten wel, maar we doen er niets meer mee.
Toch is het niet te laat te om alles in goede banen te leiden. Ik noem als inspiratie dan vaak het inmiddels bijna twintig jaar oude cascoconcept, bedoeld om de verschillende ontwikkelingssnelheden en functies in het landschap uit elkaar te houden. Het is lang afgedaan als technocratisch, terwijl het, mits bijgesteld, misschien juist nu heel kansrijk is. Het is belangrijk al die andere functies hun eigen raamwerk te geven: bosbouw, natuurbescherming, drinkwatervoorziening, leisure en natuurlijk de landbouw zelf. Dat voorkomt dat, met het wegvallen van het ene deel of juist een exponentiele groei van een ander, niet het hele landschap als een kaartenhuis in elkaar valt of functies in de verdrukking komen. En of die landbouw de leisure in de weg kan gaan zitten….. ja, die kans is aanwezig. Maar ondertussen is het ook ontzettend gevaarlijk hier een voorspelling over te doen. Hoe zal onze landbouw bestand zijn tegen het oplopen van transportkosten? Nu worden we nog weggeconcurreerd door Thaise kippenboeren die met transport en invriezen erbij goedkoper produceren dan onze allergoedkoopste producent. Als de stookolie veel duurder wordt, zullen dit soort tamelijk laagwaardige producten als eerste getroffen worden. Je kunt je voorstellen dat de landbouwsector hier direct op zal reageren. Maar ook dit pleit voor een goed raamwerk voor het landschap zodat veranderingen adequaat opgevangen kunnen worden.

Flipperkast

Hetzelfde geldt voor een voorspelling over hoe het af zal lopen met onze goedkope vakantiebestemmingen en de extra druk op de regionale leisure. Dat hangt heel erg af van hoe serieus internationale organisaties en nationale regeringen het klimaatprobleem oppakken. Er zijn voorbeelden waaruit blijkt dat wanneer het echt moet het ook gebeurt. De Cfk’s zijn uit de wereld verbannen. Hetzelfde geldt voor de fosfaatproblematiek en de loodvrije benzine. Maar die CO2 is wel even iets anders. Dat is geen kwestie van een paar spuitbussen in de hoek zetten en een ijskast afvoeren. Het gaat hier om de speeltjes van de meest verwende aardbewoners. Hun auto’s en hun goedkope vliegreizen zullen we gaan raken. De grootste pessimisten denken dat de piekproductie van de olie al achter ons ligt. Vanaf nu is het all the way down. Daartegenover staan de ‘fossiele optimisten’ die stellen dat we ook weer ouderwets over kunnen op het vergassen van kolen. En inderdaad, dat kan, en dan kunnen we met de huidige voorraden nog wel 3000 jaar door. Voor het klimaat is dat de dood in de pot. Ik ben geen klimaatwetenschapper maar er zijn goede argumenten om de temperatuurstijging niet verder op te laten lopen omdat de veranderingen in het klimaatsysteem dan echt onvoorspelbaar worden. Hoe de bal door de flipperkast gaat lopen is dus heel afhankelijk van hoe serieus de problematiek wordt opgepikt en of we met z’n allen bereid zijn onze verplaatsingsluxe op te geven.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50