Groninger imperialisme

Op 8 mei presenteerde een groepje historici met kanonschoten de Canon van Groningen, eind dit jaar volgt de Friese. Noorderbreedte slaat een bruggetje tussen beide geschiedkundige zelfportretten, met een essay van Rimmer Mulder over de eeuwige spanningen tussen Friezen en Groningers.

TEKST
Rimmer Mulder

De grote politiek doet het hele Noorden het liefst in één keer af. Eén landsdeel met ruim 1,6 miljoen mensen met een afwijkende tongval; half zo veel als Zuid-Holland en dat doet het ook met één provinciehuis. De noordelingen kunnen maar moeilijk wennen aan dat idee van die ene provincie. Voor echte Friezen is het zelfs een gruwelijke gedachte.
Het heeft door de eeuwen heen nooit geboterd tussen de Friezen en de Groningers. Er trekken deze dagen geen huurlegers en gewapende bendes over de Lauwers. Het grensriviertje is een onbeduidend stroompje dat nauwelijks is terug te vinden. Totaal ongeschikt om rivaliserende landsheren en hovelingen uit elkaar te houden. Het ergste geweld komt nu van supporters van FC Groningen die zich willen vergrijpen aan het beeldje van Abe Lenstra voor het stadion in Heerenveen en ruzie zoeken in het centrum als hun club de altijd beladen noordelijke derby in de eredivisie heeft verloren.

Veldtochten naar Den Haag

Tegenwoordig pendelen de provinciale bestuurders tussen Groningen en Leeuwarden in hun dienstauto’s heen en weer om vreedzaam te overleggen. Ze bespreken de gezamenlijke strategieën voor de veldtochten naar Den Haag waar ze geld moeten los zien te peuteren voor hun misdeelde provincies. De tegenwoordige commissarissen en gedeputeerden geven hoog op over de noordelijke samenwerking. Maar het verdelen van de buit uit de nationale potten kost net zoveel energie en gehakketak als het binnenhalen. Dan steekt in Friesland weer het wantrouwen tegen Groningen de kop op. Dan groeit de vrees dat het grootste stuk van de koek aan het eind van de dag toch weer ten oosten van de Lauwers terecht is gekomen. Dan blijkt dat de vriendschap alleen bestaat zo lang die bestuurlijk nut heeft. In het zicht van de gemeenschappelijke vijand in Den Haag trekken ze met elkaar op, maar het is een liefdeloos partnerschap. De rivaliteit is minstens zo groot als de saamhorigheid. Dat heeft te maken met verschillen in volksaard en cultuur, met historische achtergronden, met regionale folklore, maar bovenal met uiteenlopende belangen.

Groningen als natuurlijke hoofdstad

Groningen heeft meer te winnen bij noordelijke samenwerking dan Friesland. De kleinste van de drie noordelijke provincies heeft toch de grootste hoofdstad. De stad Groningen is tweemaal zo groot als Leeuwarden en driemaal zo groot als Assen. Hij ligt verder van de Randstad dan de Friese hoofdstad maar heeft meer massa en daardoor meer aantrekkingskracht. Hij heeft meer voorzieningen, winkels, restaurants, cafés en terrassen. Een bloeiende universiteit en een groot academisch ziekenhuis zijn de basis voor de intellectuele elite die een stad nodig heeft om het culturele en sociale leven boven het provinciale uit te tillen. Met zoveel studenten binnen de muren is er in de binnenstad altijd leven in de brouwerij.
In die ene noordelijke provincie zal Groningen de natuurlijke hoofdstad zijn en zal het zwaartepunt oostelijk van Friesland komen te liggen. Het rolt vanzelf die kant op. Als de rijksminister van Economische Zaken verordonneert dat de Kamers van Koophandel in de drie noordelijke provincies moeten fuseren, dan tuigen de besturen een project op met stuur- en werkgroepen. Er komen studies en onderzoeken en ze zetten deskundigen aan het werk. Allemaal met de bedoeling zo eerlijk mogelijk vast te stellen waar het hoofdkantoor van de nieuwe, grote noordelijke Kamer van Koophandel moet komen. De besturen beloven elkaar plechtig dat ze de uitkomst van het proces zullen respecteren. Als de beste plaats een braakliggend terrein langs het spoor bij Buitenpost blijkt te zijn, nou dan komt de Kamer daar. Maar de beste plaats is natuurlijk de stad Groningen, zoals de Groningers zelf van begin af aan wel wisten. Het is voor Friezen moeilijk op te brengen om steeds weer van harte mee te werken aan zo’n proces.

Friese koningen

De vrees voor overheersing door de stad Groningen heeft diepe wortels in de geschiedenis. Ooit moeten er Friezen hebben gewoond in wat nu het Groninger land is, maar dat was meer dan twaalfhonderd jaar geleden. De hele kuststrook van het tegenwoordige Zeeuws-Vlaanderen tot de Weser in Duitsland hoorde bij het rijk van de Friese koningen. Dat was ver voor de opkomst van zoiets als een stad Groningen. De stad die zijn naam gaf aan een hele streek was geen Fries maar een Saksisch bolwerk. Toen het tot bloei kwam, was het rijk der Friezen verkruimeld en voor het grootste deel al verslonden.
Wat Leeuwarden nooit helemaal lukte, kreeg Groningen wel voor elkaar. Het overvleugelde zijn omgeving en groeide uit tot het onbetwiste machtscentrum. Die dominante positie is
de stad nooit weer kwijtgeraakt. Hij heerste en heerst over zijn Ommelanden. Eerst komt de stad en daarna een hele tijd niets. In Friesland waren de macht en het aanzien van de hoofdstad nooit vanzelfsprekend, en ook dat is zo gebleven. Leeuwarden moest altijd delen. Friesland streefde altijd naar meer evenwicht tussen de steden en de gewesten dan Groningen. Nog altijd leeft er in de Provinciale Staten een sterke liefde voor de dorpen en het platteland. De mentaliteit van ‘iedereen wat en niemand te veel’ zit er diep in. Het is een wezenlijke andere bestuurscultuur dan de Groningse en dat verschil zal nog lang een hindernis blijven bij de noordelijke samenwerking.

Anarchie

Door de dominante rol van de stad hadden de Groningers ook minder te lijden van interne twisten dan de Friezen. In de vijftiende eeuw dreigde Friesland ten onder te gaan aan verdeeldheid. De veel geroemde Friese vrijheidsdrang ontaardde in anarchie. Het gebied was permanent toneel van oorlogjes, veldslagen en belegeringen. Bondgenootschappen en kansen wisselden voortdurend. De bevolking leed zwaar onder het geweld en de plunderende huursoldaten. De Groninger heren mengden zich slim in de Friese broederstrijd en breidden hun macht gestaag uit. Tegen het eind van de vijftiende eeuw hadden ze een flink deel van Friesland, inclusief Leeuwarden, feitelijk onder controle. Hun macht reikte tot in Harlingen. De Groninger imperialisten leken het hele gebied tot aan de Zuiderzee voor het oprapen te hebben. Alleen de tussenkomst van een buitenlandse heerser, hertog Albrecht van Saksen, kon voorkomen dat Groningen Friesland voorgoed bij zijn rijk inlijfde.

Verdwenen orkest

Om hun wantrouwen tegen Groningen te voeden, hoeven de Friezen van nu niet helemaal terug naar de vijftiende eeuw. Ze hebben hun eigen levendige herinnering aan 1989, het jaar van het herenakkoord. De heren waren twee commissarissen, Hans Wiegel en Henk Vonhoff, en vier ministers, van wie Wim Deetman en Elco Brinkman de belangrijkste waren, want het ging vooral over onderwijs en cultuur. De ministers moesten bezuinigen en de commissarissen moesten proberen de schade zo gunstig mogelijk te verdelen. Het kwam tot een uitruil van ongelijksoortige grootheden. Groningen kreeg wat meer cultuur, Leeuwarden wat meer onderwijs. Beide steden waren diep ongelukkig met de uitkomst. Aan beide kanten stormde het van de protesten tegen de politieke koehandel.
Groningen wilde zijn agrarische hogeschool niet kwijt, Friesland zijn Frysk Orkest niet. Het Friese verzet concentreerde zich helemaal op dat eigen symfonieorkest, dat wat minder begaafde neefje van het Amsterdamse Concertgebouworkest waarvoor volgens de cultuurminister geen plaats meer was in het nationale bestel. Minister Brinkman had er geen geld meer voor over. Er kwam een heuse volksbeweging op gang voor het behoud van het FO. Omrop Fryslân zond een paar maal per dag een strijdlied uit met als dwingende boodschap: It Frysk Orkest moat bliuwe! Wiegel was de gebeten hond. Hij was de cultuurbarbaar die voor een handvol studenten de professionele strijkers en blazers offerde en daarmee het muzikale leven in zijn provincie de nek omdraaide.
Het akkoord kreeg ondanks alle verzet aan beide zijden van de Lauwers een meerderheid in de Provinciale Staten, vooral omdat het vrijwel onmogelijk bleek er een of twee elementen uit te lichten. Zo hecht hadden de heren het bouwwerk in elkaar getimmerd. Friesland legde zich met onverholen woede neer bij het verlies van het Frysk Orkest.
Inmiddels is de wonde geheeld en heeft het muziekleven het verlies overleefd. De Friezen toeteren, trommelen en fiedelen meer dan ooit. Maar er blijft een litteken, dat gaat jeuken als er weer iets met Groningen te verhapstukken valt. Het verdwenen orkest geldt als waarschuwing voor wat Friesland kan overkomen als het niet goed op zijn tellen past bij samenwerking met die andere noordelijke provincie. Als een verdronken eiland dat in de golven verdween omdat de bestuurders niet goed op de dijken pasten. Want het herenakkoord bleef wel overeind maar de uitvoering verliep moeizaam en pakte niet gunstig uit voor Friesland. Pas jaren nadat de orkestleden hun instrumenten en partituren voor het laatst hadden ingeruimd, kwam de beloofde agrarische hogeschool van Groningen naar Leeuwarden. De Groningers hadden de verhuizing jarenlang weten te traineren, wat natuurlijk helemaal paste in het beeld dat de Friezen toch al hadden van hun oosterburen.

Zuiderzeelijn

Meer plezier beleefde Friesland aan de Zuiderzeelijn, de fata morgana die de noordelijke samenwerking en de relatie met Den Haag zeker tien jaar heeft gedomineerd. Het plan voor een nieuwe snelle spoorverbinding tussen de Randstad en het Noorden dwars door Flevoland is van meet af aan met scepsis ontvangen in Friesland. Een spoorlijn naar het Noorden, zei u? Bedoelt u misschien naar Groningen? Daar doen ze altijd alsof ze de noordelijke hoofdstad zijn. De regionale omroep heet er RTV-Noord en de plaatselijke krant, toen die nog bestond, heette Nieuwsblad van het Noorden.
Met de nieuwe spoorlijn zou de reistijd van Amsterdam naar Groningen een stuk korter worden. Maar wat schoot Friesland daarmee op? Het snelle spoor zou alleen het oostelijk deel van de provincie aandoen. Leeuwarden had er niets aan. Drachten was er vlak voor, want zo zou de tweede plaats van Friesland eindelijk aan het spoor komen te liggen. Heerenveen werd lekker gemaakt met verhalen over de welgestelde westerlingen die dankzij de snelle trein in het Zuiden van Friesland zouden komen wonen. Oranjewoud, Katlijk en Mildam wachtte een gouden toekomst als villadorpen. De Wassenaars en Blaricums van de nieuwe eeuw. De betere slijterijen, restaurants en banketbakkers zouden er wel bij varen. Er zouden heel wat handen nodig zijn om de dure huizen en tuinen te onderhouden.
De tegenstanders lieten zich niet overtuigen. Ze stelden zich bij de nieuwe werkgelegenheid wat meer voor dan grasmaaien en heggenknippen bij rijke Hollanders. De stemming werd er niet beter op toen de plannenmakers de Zuiderzeelijn koppelden aan de nieuwe technologie van de magneetzweefbaan. De achterdochtige Friezen zagen het al voor zich: een monsterlijke monorail op zware betonnen dragers waarover elk uur een paar keer een trein razendsnel voorbij zou flitsen. Zo’n snelle trein zou misschien wel helemaal niet meer stoppen in Friesland.

Groninger nederlaag

Voor Groninger bestuurders werd de Zuiderzeelijn bijna een obsessie. Ze bleven er onder de energieke leiding van commissaris Hans Alders voor vechten in Den Haag. De Friese bestuurders deden voor het oog krachtig mee. Zeker, die regering had de snelle spoorverbinding beloofd dus moest die er komen. Maar het enthousiasme was niet groot. De Friezen hadden eigenlijk liever geld dan een spoorlijn. Onder elkaar vermaakten ze zich al met de Groninger nederlaag die onvermijdelijk zou komen als ze in Den Haag definitief beseften hoe duur en riskant de aanleg van een nieuwe spoorlijn naar het Noorden was. Niemand zou een herhaling willen van de financiële ramp met de Betuwelijn.
Formeel zijn de Friezen de Groningers nooit afgevallen in hun lobby voor de Zuiderzeelijn. Naar buiten bleef het noordelijk bondgenootschap intact maar inwendig kraakte het al vroeg. In de zomer van 2007 had iedereen zich er wel mee verzoend dat het met het spoor door Flevoland naar Groningen niets zou worden. Achter de schermen begonnen de provincies plannen te maken voor de verdeling van de 2,7 miljard euro die vrij zou komen als Den Haag de Zuiderzeelijn definitief zou schrappen. Dat geld zou dan in elk geval wel aan het Noorden moeten toevallen. Na tien jaar gezamenlijke lobby bleken de onderlinge verhoudingen nog niet veel veranderd.
‘Friesland verliest slag om Haagse miljarden’, luidde de kop op de voorpagina van de Leeuwarder Courant van 7 juli. De krant had de hand gelegd op een ambtelijke notitie waarin het Friese provinciebestuur werd gewaarschuwd dat Groningen bij het verdelen van de buit weer aan het langste eind zou trekken. Er stonden te weinig Friese en te veel Groninger zaken op de lijst met projecten die de drie provincies gezamenlijk wilden indienen bij de regering. ‘Een Grinzer spultsje’, schreven de ambtenaren smalend, een Groninger zaakje.

Gekken met stuurse bekken

Het verhaal wilde er wel in bij de Friezen. Zo was het toch altijd gegaan? Rond 1990 streed Friesland om voor Leeuwarden de status van stedelijk knooppunt te krijgen. Dat begrip stond toen in de zoveelste rijksnota ruimtelijke ordening en gold als erg belangrijk. Het kreeg geen enkele steun van Groningen, dat natuurlijk al direct door Den Haag als knooppunt was aangewezen. Commissaris Vonhoff wond er geen doekjes om: ‘We moeten samen het sterktecentrum Groningen overeind houden.’ Dat is noordelijke samenwerking naar Groninger model. Zelden kwam er iets aardigs van die kant. Al in de vijftiende eeuw liepen de Groningers hier te stoken. Driek van Wissen, dichter des vaderlands, zette de anti-Friese sentimenten in Groningen verschillende keren venijnig op rijm: gekken met stuurse bekken. Zelfs het mooiste dat ze hebben, de Elfstedentocht, misgunde hij de Friezen. Als het vriest, krijgen ze weer hoop, beschrijft hij in zijn gedicht ‘Anti-Fries’:

Totdat de goden, als het dooit,
De hoop der dwaze halzen nekken:
Nee, de Elfstedentocht komt nooit.

Natuurlijk, het is maar gekheid, maar de ondertoon zit er niet zo ver naast. Er bestaat weinig hartelijkheid over en weer. Wat hebben de Friezen nog te winnen bij noordelijke samenwerking? Aan de Drenten hebben ze ook al niks. Als het er op aankomt kiezen die altijd de kant van de Groningers met wie ze meer stamverwantschap voelen dan met Friezen. Nee, ze kunnen het mooi bedenken daar in Den Haag, maar die ene noordelijke provincie moet maar niet. Dan nog liever een verbond met de kop van Noord-Holland. Het heet daar niet voor niets West-Friesland.

Rimmer Mulder is hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant. Dit verhaal verscheen eerder in zijn boek Mijn Friesland (Atlas, november 2007). Zie ook zijn bespreking van de Groninger Canon op de volgende pagina.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50