Dorpsstraat, ons dorp

Wij dachten de eerste jaren: zou het platteland toch ongezond zijn?
Jarenlang landbouwgif? In de reeks beschouwingen over regionale
identiteit vertelt voormalig randstedeling Ton van Dijk, journalist en oud-hoofdredacteur van onder meer Nieuwe Revu en Panorama, over
het leven in een klein Fries dorp.

TEKST
Ton van Dijk

Ik ben in de stad geboren, dacht er nooit weg te gaan en toch heb ik mijn plek gevonden in een Fries gehucht. Mijn stadse vrienden denken dat ik in Denemarken woon. Een zenuwenlijder was ik. Dat is voorbij. Wanneer ik vanuit de Randstad naar huis rij, daalt de rust over mij. Voorbij Hoorn wordt de wereld steeds leger. Op de Afsluitdijk zie ik palingvissers hun fuiken legen, witte en bruine zeilen vegen de horizon. Soms klotst het stormende schuim hoog tegen de basaltblokken, kruiend ijs was er ook al eens. Ontelbare malen heb ik die dijk al genomen. Nog even, Harlingen, voorbij Franeker de volgende afrit, nog een klein stukje en dan rij ik in Schingen naast het kerkje mijn flauw afbuigend pad op. Honderd meter van de brievenbus aan de weg tot het met oude rode pannen gedekte afdakje voor de auto. Reistijd anderhalf uur. Nooit een parkeerprobleem. Ik knip de auto dicht, een Amsterdamse gewoonte die hier nergens op slaat. Ik voel eigen grond. Van mij, van ons, bezit. Ooit heb ik gedacht dat bezit diefstal was. Dat is niet waar. Ik kijk naar de dalende avondzon die straks een brede, warme oranje deken over zich heen trekt om te gaan slapen. Ik hoor mijn bladeren ruizen in de wind, hoor mijn vogels, kijk naar mijn struiken, mijn bomen, mijn grind, mijn sloot, mijn uitzicht. Mijn landgoed, mijn paradijs. The landed gentry. Binnen in de grote woonkeuken, bijgebouwd onder het rieten dak van de schuur, ruikt het naar sudderlapjes van de slager die nog zelf fokt en slacht. De aardappelen – rode star – van de beste terp uit de buurt staan op. Na 48 jaar stadsleven hebben mijn genen, tenslotte was mijn vader op de veengronden van Mijdrecht geboren, iets herkend. Een voormalige asfaltjunk, kroegtijger, hasjroker, cokesnuiver, nachtbraker: als ik in Amsterdam ’s avonds mijn schoonmoeder ‘even’ naar huis bracht, zwalkte ik soms tot het ochtendgloren door de stad. Ik leefde en werkte op rare tijden, ’s avonds, ’s nachts. Wanneer een stuk niet vorderde, liep ik te ijsberen. Hier ga ik naar buiten, tel de koeien achter ons, kijk of de post al geweest is, of maak een praatje met buurman die zijn heg snoeit. En kuier ’s avonds een ommetje over ons veld, samen met mijn vrouw, terwijl de poes volgt. Schingen, Skingen in het Fries, tussen Franeker en Leeuwarden, het staat niet eens op alle wegenkaarten van Nederland. Ien klok, sân huzen en in bargehok: één klok, zeven huizen en ’n varkenshok, luidt een streekgezegde. We wonen er sinds najaar ’91, mijn vrouw Marianne, Poekie en ik. Het was geen opwelling, geen vlucht toen we, allebei geboren Amsterdammers, de stad verruilden voor een boerderijtje in Friesland. We waren Amsterdam niet zat, we zaten niet tot de nek vol ergernis over Marokkanen of Turken, hondenpoep, parkeertarieven, verkeerslawaai of vervuilde lucht. We hadden geen ruzie met de buren, we hoefden onze kinderen geen speelruimte of schone lucht te geven, ze waren al volwassen. We woonden heel rustig, op drie hoog in een keurige, lichte huurwoning aan een pleintje in de Rivierenbuurt. Veel huizen in zo’n straat, je kon net een stukje hemel zien. Het was ook geen typisch geval van ‘Drentenieren’; van het zoeken naar rust voor een gepensioneerd echtpaar. Ik was 48, Marianne 45. Nooit hadden we plannen om op een goede dag de stad te verruilen voor het platteland. Nee, terugkijkend was het eerder een soort toeval, noodlot zo u wilt, iets wat min of meer per ongeluk gebeurde, een opwelling die beviel en bleef bevallen. Van lieverlee groeide het gevoel dat het zo hoorde, dat er een ‘buitenleven-ader’ was aangeprikt. We kenden Friesland omdat we in 1972 aan de rand van het dorp Ried voor 12 duizend gulden een tweede huisje hadden gekocht, een zogenaamde dubbele landarbeiderswoning. Alles om ons heen was uitzicht. En licht. Ze zeggen dat Rembrandt hier het licht heeft leren schilderen, zijn vrouw Saskia van Uylenburgh kwam uit Sint Annaparochie. Niets is zo bewegelijk, speels en onvoorspelbaar als het licht in Friesland. Het zonlicht kan ’s zomers midden op de dag hard en scherp zijn, en ’s winters in de ochtend of avond verblindend door je voorruit steken. Bijna altijd stoeien de wolken. Over de vlakten zie je gouden banen afwisselen met voortsnellende stroken schaduw. Een stortbui die aan komt jagen, jij staat droog, een straal zon trekt achter je weg en een kilometer verderop valt in een donker gordijn het water met bakken uit de lucht. Soms is het licht grijs gesluierd, de zon probeert door te breken en af en toe lukt dat bijna en lijkt het of het licht gefilterd wordt door een laken. Of de zon speelt met een windveer, een verwaaiend wolkje en de stralen piepen door steeds wisselende gaatjes. ’s Nachts pinkelen de lichtjes in de dorpen tot het bedtijd is en alleen nog de wegverlichting bij kruispunten brandt. In heldere nachten zwiepen de vuurtorenbundels langs het zwarte zwerk. Wij kunnen er vanuit huis drie zien, en verderop, op strategische plekken zelfs vier. De sterren heb ik nooit geteld. Pas één keer heb ik het noorderlicht gezien. Bel me alsjeblieft als het er weer is en ik het misschien nog niet weet. In Ried, als buitenstaanders, als vakantiegangers, zeg maar parttime dorpelingen leerden we de mores van een kleine gemeenschap. De rond vierhonderd inwoners kenden ons vanaf het eerste uur; nieuwe import uit de grote stad. Wij kenden niemand, laat staan dat we wisten wie van wie familie was: ‘Van wie ben jij er een?’ Of waar men woonde of geboren was: ‘Waar kom jij weg?’ Gegevens die in een plattelandsgemeenschap belangrijk zijn. Mocht je vergeten zijn hoe je heet, dan helpen de mensen je wel herinneren. Ze roepen je achternaam als groet. Het is een goedbedoeld teken van respect, van vriendelijkheid dat ze weten wie je bent en hoe je heet. En dat je, als je in hetzelfde dorp woont, een soort van bij elkaar hoort. Wanneer Marianne en ik kilometers verderop, in een heel ander dorpje of stadje op straat of in een winkel een dorpsgenoot tegenkomen, steekt die de hand op en roept: ‘Hoi, Van Dijk en de vrouw!’ Ze kennen je auto, dus groeten ze als je elkaar ergens op een landweggetje passeert. Ik kan nog steeds niet onthouden wie in welk merk auto rijdt, ik groet volstrekt onbekenden en vergeet soms de hand op te steken of met de koplampen te knipperen voor mensen die vijfhonderd meter bij me vandaan wonen. Te laat vaak, dat ondervang ik door in de eigen buurt vrijwel altijd te groeten, laatst nog een Pool uit de tomatenpluk en een toeristische Duitser, ik zag de nummerborden te laat. De codes, de manieren van groeten leerde ik snel. Men zegt ‘Hoi’. Of ‘Goeie’ (klinkt bijna als koeien). Men steekt de hand op. Wie de kruiwagen rijdt, althans die met één wiel, er zijn er ook met twee wielen, kan geen hand opsteken. Die groet door het hoofd achterover te knikken. Op de fiets, met een hand aan het stuur en in de andere hand de schoffel voor de moestuin, of juist op de terugweg met een bloemkool, is ook de hoofdknik geëigend. In Ried hadden ze bijnamen. Als je klein bent, heet je Mus. Als je een scheve nek hebt, heet je Nekkie. Als je een hoge stem hebt, word je Baby genoemd. De boer die altijd later dan anderen melkt, of maait of zaait, heet de Late Boer. Ik had zelfs twee bijnamen: Aagje, vanwege mijn nieuwsgierigheid, en ‘de kromme banaan’, omdat ik behoorlijk gebogen loop. Dat hoorde ik wel tijdens het kaatsen, dan proberen ze je ‘er af te praten’, je zodanig uit concentratie te brengen dat je dat kleine harde, witte pestballetje misslaat. Ja, ik heb in Friesland kaatsen geleerd, een fascinerende sport waarin geen gelijkspel bestaat en soms een slag de dood of de gladiolen betekent. En, trots als een pauw, ben ik een keer koning in de C-klasse geworden, de beste van de twintig slechtste kaatsers van het dorp. Meer heeft er niet in gezeten, te laat begonnen. Dorpsgenoten zijn kennissen die je niet zelf hebt uit mogen kiezen. Veel kennissen. Ze wonen er al als jij komt. Je moet het ermee doen. Of je nergens mee bemoeien. Dat kan ook. Schingen telt maar een handvol huizen, toch is de gemeenschap losser dan wij in Ried gewend waren. Oudere Schingsters betreuren dat het dorpsgevoel niet meer is zoals vroeger. Er zijn inwoners die zich niet of nauwelijks met het dorp bezighouden. Ze komen niet naar de vergaderingen van Dorpsbelang, naar de merke, de kermis die het Friese carnaval is, of het jaarlijkse toneelstuk. Schingen heeft iets weg van een villadorp zonder villa’s. Vrijstaande huizen, allemaal van elkaar verschillend in bouw en leeftijd. Geen aangeplakte nieuwbouw. Geen sociale woningbouw. De vroegere allerkleinste landarbeidershuisjes zijn samengetrokken, verbouwd, herbouwd, uitgebouwd of aangebouwd. Behalve dat van de botenverkoper Adolfs, die heeft naast zijn grote loods nog steeds het kleinste huisje. Wij kennen iedereen van gezicht, zeker van profiel, want Gerlof Smit, Schingster, grafisch ontwerper en kunstenaar, heeft in 2004 van alle dorpelingen het profiel geknipt, tentoongesteld en er een affiche van gemaakt. De meesten kennen wij iets beter, enkelen kennen wij tamelijk goed. Op één diepFries, boerenechtpaar na, zijn onze kennissen waarmee we méér hebben dan een groet of een praatje in de buorren (Fries voor buurt, dorpskom), allemaal import. Ze trekken op elkaar, die niet-Friezen. Het praat makkelijker, Fries is knap lastig. Toch is dat geen probleem, het is onzin dat Friezen stug zijn, ze zijn een beetje anders, maar wij ook, we haten elkaar allerminst, we gedogen elkaar en eigenlijk mogen we elkaar wel. Het wordt gewaardeerd als de import meedoet met de jaarlijkse puzzelrit, de feestavond en de volkspelen met de kermis. Dan drinken we met z’n allen en wisselen we nieuwtjes uit, al moet ik soms twee keer vragen wat iemand zegt. Want mijn Fries is niet heel geweldig. In zo’n klein dorp weet je veel meer van méér mensen dan destijds van je kring in de stad. In die eigen kring weet je wie gaat scheiden, wie ziek is, wie een kind verwacht. In een dorp weet je dat óók van de dorpsgenoten. De groep respondenten vermenigvuldigt zich, je krijgt meer statistische informatie, of je wilt of niet. Als de buren het je niet vertellen, staat het wel in kerk-, gemeente- of dorpskrantje. Wij dachten de eerste jaren: zou het platteland toch ongezond zijn? Jarenlang landbouwgif? Onzin natuurlijk, gerichte waarneming heet dat geloof ik, vroeger wist je niet of iemand in de straat prostaatkanker had. Nu wel. Is er nooit wat mis? Ja, de rijdende rechter zou wel werk hebben. Verderop ruziën buren over hun erfscheiding. Zoals ook in de grote wereld betekent landjepik oorlog. Mijn buurvrouw laat haar twee hondjes op mijn pad schijten. Dat is niet leuk, maar in de Amsterdamse Rivierenbuurt scheten grote honden in de zandbak op het pleintje. Daar zei niemand iets over, want hun getatoeëerde baasje leek gevaarlijker dan zijn huisdieren. Wij hebben gewapende vrede. Ik zet stokjes bij de drollen en zij ruimt ze op. Met tegenzin, dat is alles. Nog steeds vragen stedelingen zich hoofdschuddend af wat ons bezielt. Van de grootste stad van Nederland definitief naar een van de kleinste dorpjes in Friesland? Wat heb je daar in godesnaam te zoeken? Tja, een keer een snelle doortocht. Maar toch niet om te wonen, toch niet om jezelf levend te begraven! Plattelandstruttigheid, knellende sociale controle. Friezen die zo hard spreken omdat ze gewend zijn de wind te moeten overstemmen. Stank, mest, koeienstront, natte klei, regen en kou. Natuur, oké even dan, maar toch niet iedere dag de hele dag? Bah. ’s Zomers kun je een paar dagen mazzel hebben, ’s winters wil je er niet dood gevonden worden. Ik wel. Ik heb nergens last van.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50