Van nat naar droog naar nat

Kan het trio droogmakerijen oostelijk van Makkum en Workum weer onder water worden gezet?

TEKST
Wim Boetze

F riesland zal altijd een tekort aan bevaarbaar water houden. De recreatievaart zet er al jaren onverminderd door. Elke zomer doorkruisen duizenden hobbyschippers het Friese landschap. In gesloten formaties vullen ze met hun boten de grachten van de Elf Steden en overnachten ze in kleine konvooien aan de oevers van de meren. Bestuurders zorgen met dure kunstwerken dat congestie op de vaarwegen wordt voorkomen. De stroom mag niet stilstaan want varen is business, niet alleen in de handelsvaart, ook in de recreatievaart.

De crisis mag dan de vaart uit de woningbouw en het bedrijfsleven hebben gehaald, de watertoerist blijft royaal besteden in de Friese economie. Landbouwers en natuurbeschermers voelen de druk van het economisch belang van het Friese waterpark toenemen. Hier speelt het principe van de blijvers en de wijkers. De blijvers die de recreatiedruk weerstaan en barricades opwerpen tegen het zorgeloos zwerfgedrag van de vaartoerist – dit zijn de boeren die landbouw blijven bedrijven, zelfs uitbreiden, of de natuurbeschermers die natuurdoelen willen halen en oevers en vaarten afsluiten. De wijkers verkopen bezit aan de blijvers of kiezen voor bedrijfsomvorming en zoeken een bestaan in de recreatie.

Twintig jaar geleden, toen Duitsland herenigde, vreesden sommigen en hoopten anderen dat het merencomplex in Mecklenburg-Vorpommern een fiks deel van het merenbezoek aan Friesland zou overnemen. Wat aanvankelijk leek te gebeuren, is niet gebeurd. De vloot bleef in Friesland groeien. Boven Berlijn lijkt alleen de vaarklasse kano’s en roeiboten te zijn toegenomen.
Al enige jaren onderzoekt een groepje vooruitstrevende vaargasten samen met een enkele bestuurder de mogelijkheid om het trio droogmakerijen oostelijk van Makkum en Workum weer onder water te zetten. Het gaat om het Makkumer-, Parregaaster- en Workumermeer. Na tientallen jaren van politieke besluiteloosheid over het al dan niet droogleggen van de veenplassen – er zat namelijk een fantastische kwaliteit paling in die tot in Engeland verhandeld werd – werden die tussen 1876 en 1878 leeggepompt. De laatste paling werd er gevangen in juni 1877, het eerste kievitsei werd er gevonden in juni 1878. De van oorsprong diepliggende meren wonnen nog aan diepte door de turfwinning vanaf 1892.

De landbouw verliep in de beginjaren van de drooglegging niet zo voorspoedig. Oogst na oogst mislukte. Alleen gras hield het op de kleiige zwarte veengrond goed uit. Tot vandaag zijn de droogmakerijen het domein van melkveehouders. Een beroepsgroep die ook stevig bijdraagt aan de Friese economie. De droogmakerijen zijn zogezegd ‘warme grond’. In totaal een kleine duizend hectare die interessant is voor zowel de landbouw als de recreatie.

Het landbouwbeeld kennen we. Hoe zou het eruitzien als we de droogleggingen weer vullen met water? De hoogtekaart laat de drie meren zien zoals ze er in de negentiende eeuw bij lagen en onderdeel uitmaakten van het merencomplex de Brekken. Door ze weer vol te laten lopen, breiden we het areaal aan meren met duizend hectare uit. Daarmee vergroten we de opvangcapaciteit voor de toeristenvaart enorm en verminderen we de recreatiedruk op de steden.

De kaarsrechte ontginningswegen blijven bij inundatie binnen de historische dijken net boven water. Dit kunnen de ontsluitingen worden voor lintdorpen met waterwoningen. De kosten voor de mega-verandering zullen toch ook terugverdiend moeten worden. Laten we dat toch maar met de verkoop van vastgoed doen, ondanks de bouwcrisis.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50