Het bos van het Friese dorp Wommels bestond tot de winter van 1872, toen de notaris ‘eene zeer aanzienlijke partij’ kapitale eiken, iepen, essen, linden, kastanjes, esdoorns, dennen, beuken, wilgen, abelen en vruchtbomen te koop aanbood, alsmede week- en kaphout, ‘alles om te rooijen’. Wat ervan rest is de straatnaam It Bosk, ongeveer op de plaats waar eertijds de lanen van de buitenplaats Sminiastate zich uitstrekten. Het bos werd gerooid omdat Sminiastate zelf werd afgebroken. Het had als zoveel buitenplaatsen en states in de negentiende eeuw zijn functie verloren. En zoals het in Friesland ging, ging het ook in Groningen. Toen de eigenaren in 1815 het Huis te Aduard op afbraak verkochten, betekende dat ook het einde van de bossen en vijvers. De borg Luinga te Bierum bij Delfzijl onderging in 1825 hetzelfde lot: daar verdween het ‘Engelsch bos’, ondanks dat dit volgens een bericht uit 1803 ‘na de eerste smaak aangelegt’ was.

In de winter van 1852 volgde de buitenplaats Noordwijk onder Noordhorn. Daar hoorde ook een ‘groot bosch’ bij: zevenhonderd zware eiken en beuken. De verdwijning van de buitenplaatsen maakte ook de bossen zelf overbodig als ‘bos tot vermaak’, zoals het nog op de kadastrale kaart van 1832 heet. Zoals de adel de oude buitenplaatsen en zelfs de provincie in de negentiende eeuw in groten getale verliet, zo paste ook het landschap zich aan de nieuwe heersers van het platteland aan, de moderne vee- en bouwboeren, die geen behoefte hadden aan bossen om in te wandelen, maar des te meer aan bouw- en weiland.

De genoemde bossen waren geen uitzondering. De kaarten van 1832 laten ook op andere plaatsen in de kleistreken van Friesland en Groningen nog wandel- en plezierbossen bij de buitenplaatsen zien. Advertenties in de Leeuwarder Courant maken in de negentiende eeuw gewag van (de verkoop van) aanzienlijke hoeveelheden bomen van buitenplaatsen onder Witmarsum (Aylvastate), Zweins (Kingmastate) en Finkum. In de Groninger Courant staan soortgelijke berichten over Faan, Noordhorn, Lellens, Scharmer, Zuidhorn, Ulrum, Veendam en Kleinemeer. In Kroniek van een Friese boer valt te lezen hoe Doeke Wijgers Hellema van Barrahûs in 1843 verbijsterd reageert als hij de boeldag op Oenemastate onder Wirdum meemaakt en de teloorgang van plantsoen, vruchtbomen en kronkelende paden aanschouwt. Eerst duizenden guldens verspild en later verwaarloosd, treurt hij om deze verwoesting.

Wat er in de negentiende eeuw nog over was aan buitenplaatsen, borgen, staten en stinzen was echter het topje van een ijsberg. De neergang van deze karakteristieke elementen in het noordelijke landschap was rond 1832 al bijna anderhalve eeuw aan de gang. Op zeventiende-eeuwse kaarten zien we welke staten toen nog in wezen waren. Voor zover ze honderd jaar later nog bewoond werden door adel en patriciaat mogen we er wel van uitgaan dat ze naar de smaak van de tijd vaak omgeven waren door hoog opgaand geboomte en liefst door een ‘wandelbos’, een ‘plezierbos’ of met hoge bomen omzoomde fraaie lanen en paden. Een voorbeeld daarvan was Thetinga- of Waltastate onder Wiuwert, de vermaarde verblijfplaats van de sekte der Labadisten. Hoge bomen domineerden het gezicht op deze state zo dat Friezen het landgoed ook wel het Labadistenbos of het Wieuwerderbos noemden. De state en het bos werden kort na 1733 met de grond gelijk gemaakt. Ook hier namen de boeren het over, van een buitenplaats is (behalve in de grond) geen spoor meer te ontdekken. Het open landschap aan deze kant van Wiuwert lijkt er altijd zo te zijn geweest.

Op het vermeende boomloze karakter van de Friese Greidhoeke is heel veel af te dingen. Het landschap is allerminst tijdloos, zo als bijvoorbeeld de initiatiefnemers van Station Fryslân 2018 meenden, die het beschouwen als een van de tijdloze kwaliteitn van de provincie. Nee, het is juist het product van de door de eeuwen heen veranderende functies en eigendomsverhoudingen. De boomloze Greidhoeke is een mythe, een invented tradition uit de late negentiende eeuw. Inderdaad codificeerden de Friezen toen behalve hun geschiedenis, taal en cultuur ook hun landschap, waarmee er een voorlopig einde kwam aan een langdurig proces van steeds verdergaande rationalisering van landbouw en landschap.

Door massaal de terpen en wierden in het noordelijke kustgebied af te graven verwoestten de Friezen toen het bestaande cultuurlandschap nog verder. Die ontwikkeling behoeft hier verder geen toelichting. Maar ook die ontdeed het landschap van zijn nog overgebleven verticale elementen. De combinatie van beide ingrepen zorgde in de periode 1700-1900 voor het platte vlak dat we nu zo kenmerkend achten voor de Greidhoeke en andere landschappen achter de

zeedijken.

Goffe Jensma toont in zijn meesterlijke studie Het rode tasje van Salverda aan hoe veel van wat ‘Fries’ is, pas in de negentiende eeuw vorm kreeg. Hij beschrijft hoe het vernauwde provinciale perspectief van een nieuwe cultuurdragende elite de verschillen binnen Friesland benadrukte. De leden van deze regionale elite deelden ‘Friesland nu vanuit hun provinciale perspectief in naar streekculturen. (…) De diversiteit aan tongvallen en volkskarakters binnen Friesland werd nu gecodificeerd. Er kwam ruimte voor de traagsprekende, trotse kleibewoner maar ook voor het extraverte geratel van de kwieke woudman.’

Deze vorm van codificatie strekte zich volgens mij ook uit over de fysieke omgeving. En zo kwam in deze ideaaltypische constructie het ‘smûkskaadzjend beamtegrien’ van de Wouden

tegenover de kale klei van het westelijk deel der provincie te staan, een landschappelijke tweedeling met vermeende eeuwigheidswaarde.

Zo ontstond een beeld dat als momentopname misschien correct was, maar in wezen ook a-historisch, een ontkenning van de geografische en economische dynamiek. Het beeld van het landschap versteende, en kreeg in een volgende stap normatieve trekken. De vermeende eeuwige kale klei moet liefst voor altijd zo blijven.

Dit verklaart de enigszins overspannen reacties op het Elfstedenbos langs de Zwette, een plan van de Leeuwarder collegepartijen PvdA en VVD begin 2010. Natuurlijk hadden de tegenstanders gelijk toen ze beweerden dat in het open Middelzeegebied langs de Zwette, ontstaan door de laatmiddeleeuwse inpoldering van deze zeearm, nooit een bos (en trouwens ook zeer weinig bewoning) was geweest. Sommigen rekten het argument echter op tot het Friese weidegebied als geheel. Gemakshalve gingen zevoorbij aan het feit dat pas enkele generaties geleden door een zware storm op 2 maart 1898 de laatste restanten van het bos van Dekamastate onder Weidum tegen de vlakte gingen. Weliswaar had dat aan de rand van het Middelzeegebied gelegen, maar toch onmiskenbaar aan de Zwettekant van de Hegedyk, die het oude en nieuwe land van elkaar scheidde.

Ook Weidum heeft gemeend geen nieuwe bomen te moeten planten op de oude park- en bosgrond. De ijsbaan in het open landschap tussen dorp en Zwette ligt erbij alsof het nooit anders is geweest. Het ‘nieuwe’ terpdorp Weidum doet het zonder terp, want waar ooit de terp lag, ligt nu het kaatsveld, zonder staten en stinzen en zonder bos en park. De sporen van voor 1800 zijn hier op veel plaatsen grondig uitgewist.

Is dit de reden, vraag ik mij af, dat veel dorpen in de noordelijke kleistreken zo’n onmiskenbaar negentiende-eeuwse indruk maken? Met name geldt dit voor de Friese Greidhoeke. De fraaie kaaszolders boven de huizen in Easterein of de beschermde dorpsgezichten van Rien, Mantgum en Jorwert uit die periode roepen echter ook de vraag op hoe het er voor die tijd was. Veel van wat er eerder was is juist in die dynamische negentiende eeuw verdwenen. Dat gaf ruimte voor nieuwe dorpsuitleg in de opgaande economie van voor de landbouwcrisis. Het bedrieglijke historische beeld van dit deel van Friesland, is toch vooral het beeld van de ‘gestolde’ late negentiende eeuw.

Maakbaar Groningen

In Groningen is de verhouding tussen inwoners en landschap anders dan in Friesland. De maakbaarheid van het Groninger landschap met zijn grootschalige veenkoloniën is zo

evident dat hier nooit het gestolde landschappelijke ideaalbeeld van de Friezen in dezelfde mate wortel heeft kunnen schieten. Het culturele nationalisme van de negentiende-eeuwse Friezen heeft verder veel meer impact gehad op de eigen beeldvorming over geschiedenis en landschap dan het opkomende regionale bewustzijn in de provincie Groningen.

Iedereen weet hoe Groningers al in de achttiende eeuw op grote schaal grasland scheurden en omzetten in bouwland, met alle landschappelijke dynamiek van dien. De buitenplaatsen en de wierden verdwenen er natuurlijk net zo hard als ten westen van de Lauwers. Toch, als ik mij niet verges, zien mensen het landschap in Groningen vooral als het product van de menselijke scheppingskracht, terwijl het in Friesland soms een quasi-paradijselijke oertoestand lijkt die zo lang mogelijk onveranderd moet blijven.

Het verschil blijkt bijvoorbeeld uit de grote schaal waarop Groningen nieuw bos heeft aangelegd. Het resultaat is dat in laatste halve eeuw het met bos beplante areaal in die provincie meer dan verachtvoudigd is en Groningen inmiddels de positie van minst bosrijke provincie van het land heeft overgedaan aan Zeeland. Noord-Groningen zet volgens het Landschapsontwikkelingsplan uit 2005 in op de versterking van de karakteristieken van het landschap. Ogenschijnlijk een loffelijk streven, want wie zou er tegen de versterking van de kenmerkende kwaliteiten van het Groninger landschap zijn? De vraag of dit de kenmerkende kwaliteiten van het jaar 2005 zijn, die van 1900, die van 1650, of van nog verder terug, wordt echter ook hier niet gesteld.

De hoeveelheid bos in Friesland groeide weliswaar ook flink in dezelfde periode, maar toch lang zo snel niet als in Groningen. Kenmerkend is het feit dat bij een aantal grote na-oorlogse ruilverkavelingen in Westergo het gerealiseerde bosareaal ver achterbleef bij de toch al weinig ambitieuze plannen. In het ruilverkavelingsgebied De Bjirmen (8.550 hectare) bleef er van de geplande 130 hectare bos uiteindelijk 70 over, minder dan 1 procent van de totale oppervlakte. De 8.300 hectare grootte ruilverkaveling Wûnseradiel-Noord resulteerde in een schamele 12 hectare bos, waar 40 hectare gepland was. Al deze ontwikkelingen hebben

Westergo vermoedelijk tot de meest bosarme streek van Nederland gemaakt.

Groningen doet het anders. Getuige de forse groei van het bosareaal kijken Groningers hier meer voor- dan achteruit. Quasi-historische en culturele argumenten spelen hier minder een rol. 

De tijdloosheid van de noordelijke leegte is – zoals boven aangetoond – bedrieglijk. Toch speelt ze vaak een rol in de verdediging van het open karakter van grote delen van de noordelijke provincies. Het is echter een verdediging met verkeerde argumenten. Het echte respect voor een cultuurlandschap kan alleen gestoeld zijn op begrip van de historische dynamiek van de fysieke omgeving. Wie die dynamiek niet ziet, onderschat het aanpassingsvermogen van Friezen en Groningers uit vroeger eeuwen, miskent ook het wezen van een cultuurlandschap als een product van menselijk streven.

Dit artikel is een bewerking van het artikel ‘De kleine leugen van het Friese landschap’, dat eerder verscheen in De Moanne, jaargang 9, nummer 8 (okt. 2010).