Een verplaatsing die zich het best laat omschrijven als een ontworteling. Negen jaar was Gert-Jan Visser (1976) toen hij met zijn ouders en zusje van een boerderij uit het Overijsselse Vechtdal verhuisde naar de Wolddijk in het Groningse Bedum. Gert-Jan wilde maar één ding: terug naar de plek waar hij het jongetje kon zijn dat hij was, vertrouwd met zichzelf en met zijn omgeving. Niet de nieuweling in de klas. Niet het jongetje dat vreemd praatte. Niet het ventje dat woonde in die boerderij met haar vreemde geuren. Alleen in de stilte van de weilanden ontkwam hij. Urenlang zat hij hurkend bij de grachtwal, speurend naar sporen uit het verleden. Zich een eigen wereld scheppend met afgedankt huisraad uit voorbije eeuwen, dat hij uit de klei opgroef.

‘Misschien had ik beter archeoloog kunnen worden dan boer.’ Ter voorbereiding op mijn bezoek heeft Gert-Jan een van zijn archeologische vondsten op de keukentafel gezet: een vijftiende-eeuwse aardewerken schaal van omstreeks 1600 die hij jaren geleden in scherven terugvond in de gracht rond om de boerderij. Er ontbreekt één stukje – het is een tweede natuur van hem geworden om bij laag water de kleiige wal van de gracht te scannen op die ene scherf.

Gert-Jan woont op een historische plek. Het voorgebouw van zijn boerderij Alma is nog een restant van de gelijknamige borg. In de schriftelijke bronnen komt de naam Alma voor het eerst in 1626 voor, wanneer een zekere Teteke Jarges ‘toe Alma’ trouwt met Johan Lewe. Maar al ver voordat Teteke hier leefde, bestond de borg al.

Als ik even later door het rundveestamboek met schetsen van kalveren blader, zie ik de naam Teteke terug. Teteke 9 is een rood blaarkopkalf van een van de 65 koeien. Gert-Jans rundveestapel bestaat grotendeels uit Holstein-Friesians. Maar een paar jaar geleden besloot hij zijn veestapel te verrijken met blaarkoppen, een middeleeuws koeienras waarvan er in Nederland nog maar tweeduizend rondlopen. Dit ras mist de genetische aanleg om veel melk te geven, wat het de afgelopen dertig jaar van de boerderij heeft verdreven. Maar voor Gert-Jan staat de blaarkop niet ter discussie. Natuurlijk, ook zijn koeien zijn productiedieren, ook bij hem gaat het erom dat ze melk leveren. Maar hij voelt daarin wel een verantwoordelijkheid. Voor de koe, voor het landschap, voor wat vorige generaties ons uit voorbije eeuwen hebben nagelaten. Daarom is er plek voor de blaarkop op zijn boerderij. Evenals trouwens voor de zwaluwen. Onder de dakgoot aan de achtergevel zitten minstens dertig nesten van huiszwaluwen geplakt. En van de boerenzwaluwen heeft hij zeker vijftig nesten geteld. ‘Kwestie van geen bestrijdingsmiddelen gebruiken en zorgen voor bloemen op het erf.’ In de tuin bloeien de koekoeksbloem en gele lis er lustig op los en dragen de net uitgebloeide appelbomen de belofte van een zomer vol fruit.

Het leven lijkt hier een pastorale idylle. Maar de zorg voor zijn bedrijf valt Gert-Jan de laatste tijd zwaar. Dat hij koeien moest ruimen vanwege de fosfaatproblematiek – veroorzaakt door boeren die na het opheffen van het melkquotum als een gek gingen uitbreiden – druist dwars tegen zijn gevoel van boer-zijn in. De bizar ongenuanceerde en bureaucratische regelgeving – hij kan er slecht tegen. Momenteel staat hij op een tweesprong in zijn leven: doorgaan met de boerderij of stoppen? Maar Gert-Jan houdt zijn hart vast voor wat er met deze plek gebeurt als hij weggaat.

Als jongetje zocht Gert-Jan zijn toevlucht in de rijke geschiedenis van deze plek. Het bleek de sleutel tot een hechte worteling.