In Woltersum, een dorp aan het Eemskanaal, wonen 371 mensen in 171 huizen. De meesten willen er blijven ook al wordt hun woonplek geplaagd door aardbevingen en moesten alle inwoners geëvacueerd worden toen de kanaaldijk bijna doorbrak.

Ellis Ellenbroek portretteert verschillende bewoners in woorden, fotografen Gea Schenk en Ronnie Zeemering deden hetzelfde op hun manier. Dit en meer verhalen en foto’s staan in het boek Woltersum, een tijdsbeeld dat eind juni 2019 verscheen. Deze zomer brengt Noorderbreedte enkele verhalen.

Woltersum is het stukje aardbol waar ik werken mag.

Vier jaar oud was Kees Westeneng (1966) toen hij in 1970 in Woltersum kwam. “Mijn ouders hebben mij geïmporteerd”, zo zegt hij het zelf. Vader en moeder hadden een boerenbedrijf in het Zuid-Hollandse Giessen-Oudekerk. Daar was geen ruimte voor uitbreiding. Kees: “Mijn vader was ambitieus, hij wou groter. In Woltersum kon hij goedkoop land kopen.”

Vandaag de dag runt Kees het bedrijf aan de Kollerijweg 19. Een prachtig plekje, waar hij woont met echtgenote José Westeneng-Schilder (1973). Het gezin telt drie dochters. De jongste twee, Lisanne (2001) en Ilse (2006), gaan naar de middelbare school in Groningen en wonen nog thuis, de oudste Marleen (1999) woont op kamers in Groningen en studeert geschiedenis. De meiden hebben twee pony’s, Sita en James, vader heeft koeien. 95 Holstein-Friesians en 60 stuks jongvee. Het is de laatste zaterdag van maart dat ik de familie bezoek. Een stralende dag. Ik bof: Ik mag getuige zijn van de allereerste weidegang van 2019 van de zwart- en rood-witte dames.

José volgde de opleiding fysiotherapie in Utrecht, toen ze op een zeilkamp in Friesland in 1993 Kees ontmoette. Kees was er zeilinstructeur. In die tijd zat hij alleen op de boerderij in Woltersum. Een officiële overname van het bedrijf van zijn vader stond voor de deur. Vader had een ongeluk gehad waardoor het melken hem niet meer lukte. De ouders van Kees waren in 1990 naar Aduard gegaan waar ze zich in een nieuw avontuur stortten: een watersportbedrijf. Kees was nog maar 24, maar nam de grote verantwoordelijkheid van een eigen boerderij vanzelfsprekend op zijn schouders. “Het was toch al de bedoeling dat ik mijn vader zou opvolgen.”

Het mooie van zijn beroep? “Ik ben bezig met de productie van voedsel. Heel basic en belangrijk.”

Kees en José trouwden in 1995. José: “Ik kom zelf ook van een boerderij, in Kampen. Ik was echt niet van plan met een boer te trouwen.” Tegen Kees: “Maar jij bent een relaxtere boer dan mijn ouders waren. Jij vindt het prima om op vakantie te gaan en iemand anders de honneurs te laten waarnemen. Dan gaat er misschien een keer iets mis, dat is dan maar zo. Het leven naast de boerderij is voor jou ook belangrijk.” Ze heeft een halve baan als fysiotherapeut in een praktijk in Bedum. De stilte aan de Kollerijweg vindt ze heerlijk. Maar een deel van de week het erf af, de horizon verbreden en allerlei mensen ontmoeten, dat heeft ze evengoed nodig.

Toen zijn ouders met hun vijf kinderen in 1970 voet op Woltersumse bodem zetten waren er nog zeven, acht boerenbedrijven, schat Kees. Nu telt hij er nog maar drie: De pluimveecollega’s Van der Zande en Lalkens, en hij zelf.

Met vijftig hectare eigendom en vijf hectare gehuurd land zit hij net onder het gemiddelde voor een boerenbedrijf. In de loop der jaren is hij wel gegroeid. Op de golven van de schaalvergroting heeft Kees een paar keer omringende percelen gekocht. Bijvoorbeeld van Pieter ter Veer, melkveehouder en voormalig Tweede Kamerlid voor D66. Ter Veer boerde aan de Kollerijweg waar nu zorgboerderij De Slingertuin zit.

Woltersum is voor Kees “het stukje aardbol waar ik werken mag’’. Eens per jaar moet hij volgens de regels opgeven welke percelen hij in gebruik heeft. Met Google Earth en Google Maps tekent hij die dan in. “Het is toch gaaf als je vanuit de lucht dat stukje land ziet waar jij mag werken?”

Komt hij in het Westen, bij familie of kennissen, dan ervaart hij meteen de krapte. “Iedereen op een kluitje, je kunt je kont niet keren.” Geef hem dan Groningen maar. “Hier is ruimte.” Ja zeker, hij voelt zich Groninger. Al wordt hij in Groningen nog steeds als import beschouwd omdat hij geen Gronings praat.

Vader en moeder moesten flink wennen hier, vertelt Kees. “Mijn jongere zus is naar Canada geëmigreerd. Die stap was kleiner dan die van mijn ouders destijds.” Pakweg een halve eeuw geleden werd er nog opgekeken tegen boeren, zeker in een arbeidersdorp als Woltersum. “Bij een boer kwam je niet in huis, die stond boven je. Dat was de arbeidersmentaliteit.” Kees heeft het zelf ook nog meegemaakt: “Een man uit het dorp kwam hier steeds melk halen, maar hij wilde nooit een kop koffie meedrinken in de keuken.”

Zijn ouders zochten hun weg in het dorp waarbij het geloof richting gaf. Vader zat in de kerkenraad, moeder was betrokken bij de kindernevendiensten in de kerk. Kees: “Maar hier in Woltersum liep de kerk leeg. Er waren veel oude mensen, weinig jeugd.”

Omdat Woltersum alleen een openbare basisschool had, gingen Kees en zijn broertjes en zusjes in Ten Post naar een christelijke basisschool en later ook naar de jeugdclub van de kerk in Ten Post. Zo raakte de blik van het gezin op het buurdorp gericht. De Westenengs sloten zich ook bij de kerk van Ten Post aan.

De huidige generatie Westeneng combineert het beste van verschillende plekken. Zij voelen zich thuis bij de Stadskerk in de stad Groningen, een eigentijdse kerk. Voor de dochters Marleen, Ilse en Lisanne kozen José en Kees de christelijke basisschool De Fontein in Ten Boer. Maar de meisjes zaten wel in Woltersum op de peuterspeelzaal. José: “Wij vonden het belangrijk dat ze hun eigen leeftijdsgenootjes in het dorp zouden kennen. Voor mij persoonlijk is dat ook van meerwaarde geweest. Zo leerde ik de ouders van die kinderen kennen en werd mijn netwerk in het dorp weer groter.”

José collecteert in het dorp voor Amnesty International. Kees zegt desgevraagd dat hij niet veel doet buiten zijn erf. Dat lijkt valse bescheidenheid. Kees Westeneng is voorzitter van de straatvereniging, een van de twee straatverenigingen die de Kollerijweg telt. Bij hem in de schuur wordt de wagen voor het straatfeest opgetuigd, Kees regelt de wagen.

Kees is ook drager bij de begrafenisvereniging. Als de plicht roept brengt hij met drie anderen de kist naar het graf. Grijs pak aan, hoge hoed op. De week voor het interview nog werd een oud-Woltersummer, die een graf had in het dorp, naar zijn laatste rustplaats gedragen. “Het is mooi als je dat voor je dorpsgenoten kunt doen.” Drie dragers zijn er momenteel, hij en twee vrouwen uit het dorp. “We zoeken nog iemand. Gelukkig is er in Ten Post meestal wel iemand die wil helpen.”

Ze keken om naar hun overbuurvrouw Ina die in april 2014 een einde aan haar leven maakte in het Eemskanaal. José vertelt over de bijzondere ontmoetingen met deze eigenzinnige overbuur die nogal op zichzelf was, maar haar op een dag toch vroeg om hulp bij het aantrekken van haar steunkousen. Andersom stond het hele dorp klaar voor het gezin Westeneng toen in januari 2012 de dijk dreigde te bezwijken en de hele veestapel moest worden geëvacueerd. José: “Iedereen wou iets doen. Mensen die wij helemaal niet kennen. Dat vond ik heel bijzonder.”

Wie wil mag wandelen op het land van de familie. Sinds twee jaar loopt er een wandelroute van een kilometer of twee over hun percelen. Kees heeft er gemengde gevoelens bij, geeft hij eerlijk toe. Hij is huiverig voor honden die in zijn weilanden poepen, ondanks het bordje ‘verboden te poepen’. Een bacterie in hondenpoep kan ertoe leiden dat een drachtige koe haar kalfje verliest door spontane abortus. Dat is nogal wat. Maar Kees probeert te vertrouwen. “Er is zo’n grapje, heb je dat wel eens gehoord? Over een Groningse boer. Dat God de aarde geschapen had en een rondje ging maken over de Schepping. Overal werd hij gastvrij onthaald. Maar hij komt in Groningen en het eerste wat een boer daar zegt is: Van mien laand af! Zo willen wij niet zijn. Het is Gods grote wereld. Het is niet allemaal van mij.”