In het korte verhaal Onderzoekingen van een hond horen we het levensverhaal aan van een zonderlinge hond die zich onophoudelijk vastbijt in de grote levensvragen, de ene na de andere, in een vruchteloze zoektocht naar het merg van het hondenbestaan. Franz Kafka maakt van de hond een eenzame galileo in een leerstellige hondenmaatschappij, zo’n dweepziek randfiguur zoals ook Herman Hesse of W.F. Hermans kon beschrijven, maar dan met vacht en scherpe tanden. De hond, die zelf aan het woord is, twijfelt waar de meeste honden zwijgend door het leven gaan.Steeds is er die ene vraag die zich opdringt: ‘Waar haalt de aarde het voedsel vandaan?’ De hond merkt dat hij zich in een materiële keten bevindt die zowel aan de voor- als achterkant al snel in de mist verdwijnt. De hond ‘besproeit’ de gr…
In het korte verhaal Onderzoekingen van een hond horen we het levensverhaal aan van een zonderlinge hond die zich onophoudelijk vastbijt in de grote levensvragen, de ene na de andere, in een vruchteloze zoektocht naar het merg van het hondenbestaan. Franz Kafka maakt van de hond een eenzame galileo in een leerstellige hondenmaatschappij, zo’n dweepziek randfiguur zoals ook Herman Hesse of W.F. Hermans kon beschrijven, maar dan met vacht en scherpe tanden. De hond, die zelf aan het woord is, twijfelt waar de meeste honden zwijgend door het leven gaan.
Steeds is er die ene vraag die zich opdringt: ‘Waar haalt de aarde het voedsel vandaan?’ De hond merkt dat hij zich in een materiële keten bevindt die zowel aan de voor- als achterkant al snel in de mist verdwijnt. De hond ‘besproeit’ de grond en de aarde geeft er eten voor terug. ‘Over dit onderwerp is in beginsel niets meer te zeggen.’ Toch blijft hij maar op het vraagstuk kauwen. Het is een fascinatie zoals we die kennen van Teun van de Keuken, de journalist die het metabolisme van ons land probeert te begrijpen met tv-programma’s over productieketens en afvalverwerking. Kafka’s hond bewatert de bodem, ‘onder een zekere dwang’. Maar wat gebeurt daar vervolgens mee? Hoe houdt het verband met zijn eten? En waarom komt het eten vervolgens niet vanuit de aarde omhooggeschoten, maar uit de lucht vallen? Vreemd, denkt de hond, hoe de aarde dat toch voor elkaar krijgt.
De hond voert wat experimenten uit, laat het eten soms op de grond vallen en pikt het dan weer uit de lucht. Maar helaas bewijzen die enkel ‘wat iedereen al wist, dat de grond het voedsel niet alleen recht van boven naar beneden trekt, maar ook in schuine richting, ja zelfs in spiralen.’
Als lezer krijg je al na een paar pagina’s het vermoeden dat het hier om een onbetrouwbare verteller gaat. De hond ziet nogal wat dingen over het hoofd, er zit een missing link in zijn zoektochten. Zo treft hij zeven muzikale soortgenoten die op hun achterpoten lopen, maar ziet hij niet in dat ze misschien bij een circus werkzaam zijn. Onze held treft een jachthond, maar heeft niet door dat die bij een groep jagers hoort. Niet één keer in het verhaal heeft de hond het over mensen, en ook andere soorten doen er weinig toe. Dat het eten hem wordt toegeworpen door menselijke baasjes, komt dan ook niet in de hond op, want hij is blind voor alles wat zich buiten de hondenwereld afspeelt. Voedsel valt uit de lucht en uitwerpselen trekken weg in de grond. Tja, misschien valt er niet meer over te zeggen.
Gespleten bewustzijn
Als het op afval aankomt, leef ik een vreemd dubbelleven. Het is alsof ik me tegelijk in het perspectief van de hond als die van de lezer bevindt. De meeste dagen breng ik door met dezelfde blinde gewoontes als de hond in Kafka’s verhaal. Eten valt nog net niet uit de lucht, maar verschijnt elke dag netjes verpakt in de supermarkt. Ik besproei niet de zwarte grond, wel het toilet, en de verpakkingen en schillen gooi ik weg in een zwarte afvalzak. In de dagelijkse ervaring verdwijnt de lange, materiële keten waar mijn lichaam onderdeel van uitmaakt al bij de stortcontainer aan de straatkant in de mist. Weg is weg.
Tegelijkertijd zijn er momenten dat het me allemaal bekruipt. Het NRC trof een paar jaar geleden Nederlands afval aan op Turkse vuilnisbelten, waar het verbrand wordt. Katjadrop, Heineken, geraspte kaas en reclamemateriaal voor oliebollen van een bakkerij uit Oud-Beijerland. Sinds China ons vuilnis steeds minder wilde hebben, vertwaalfvoudigde de export van plasticafval uit de EU naar Turkije. Nederland verscheept jaarlijks een paar honderd miljoen kilo plasticafval. In 2021 brachten alleen Japan en de VS meer plasticafval naar landen in het mondiale zuiden, aldus de Plastic Soup Foundation. Nederlands afval wordt aangetroffen van Java tot aan het Noordpoolgebied.

Samen vormen die ervaringen het gespleten bewustzijn van de vervuiler. Vaak ga ik werktuigelijk door het leven, maar dan ineens is er het besef onderdeel te zijn van iets groters, zelfs iets monsterlijks, iets wat zich net achter de duinen van mijn dagelijkse ervaring verschuilt. Afval is hier onzichtbaar – het staat altijd op het punt te vertrekken – en tegelijkertijd is het alomtegenwoordig. In een opgeruimd land als Nederland heeft vervuiling dan ook iets spookachtigs: je hoort dat het overal is, maar je ziet het zelden.
Het is belangrijk te beseffen dat je dit gespleten bewustzijn alleen in een rijk land kunt hebben. Er zijn genoeg plekken op aarde waar van het spookachtige van afval geen sprake is. In Accra, de hoofdstad van Ghana, verdienen jonge migranten een paar centen per uur met het verbranden van opladers en afstandsbedieningen die door westerse bedrijven en universiteiten zijn ‘gedoneerd’. Deze ‘burner boys’ wonen op één van de giftigste plekken ter wereld, schreef journalist Alexander Clapp eerder dit jaar in The New York Times. Een ei daar bevat zo’n 220 keer de maximaal toegestane hoeveelheid dioxine, aldus de World Health Organization.
Ik zie in die vervuiling dan ook een voortzetting van eeuwenoude koloniale relaties tussen het globale noorden en zuiden, waarbij banale gemakken híér ten koste gaan van anderen élders, ver buiten het zicht. Juist in de landen die het zwaarst vervuilen is maar weinig van die vervuiling te merken.
‘Denk het plastic weg en er blijft van onze beschaving niets meer over’
‘Het is voor westerse consumenten erg moeilijk om de omvang van de crisis te bevatten, wanneer het continu onzichtbaar wordt gemaakt, verplaatst naar andere plekken, duizenden kilometers verderop’, schrijft Clapp daarover. Hij reisde voor zijn laatste boek de hele wereld over, het westerse afval achterna.
Traag geweld
Waarom is de impact van ons afval zo ongrijpbaar? Verschillende denkers benadrukken dat vervuiling zich moeilijk in overtuigende beelden en krantenkoppen laat vangen. Vervuiling is een voorbeeld van wat de Zuid-Afrikaanse hoogleraar Rob Nixon ‘traag geweld’ noemt. Wereldwijd takelen ecosystemen af, daalt de vruchtbaarheid, hopen gifstoffen zich op in de lichamen van mens en dier. Toch mondt dit niet vaak uit in sensationele berichtgeving en collectieve verontwaardiging, zoals wanneer bij een oorlog het internet volstroomt met gruwelijke beelden. De aftakeling is daar te traag en gradueel voor. En omdat liberale democratieën in de regel pas in actie komen bij aantoonbaar menselijk leed, blijft vervuiling onderbelicht.
Als het op plastic aankomt, zit er daarnaast een enorm contrast in tijdschalen tussen het gebruik en de lange geschiedenis van het materiaal. De fossiele grondstoffen waar het van is gemaakt, hebben miljoenen jaren nodig gehad om te ontstaan. Daarna krijgen deze, heel kort, de vorm van een gebruiksproduct. Een colafles, plasticfolie, een hersluitbaar kuipje voor eiersalade. Vervolgens heeft het als afval nog honderden of duizenden jaren effect op de aarde, zo niet langer. De twee of drie dagen waarop ik het in handen heb, vallen volledig in het niet bij de geologische tijdschaal waarbinnen het materiaal zich bevindt.
Zowel in ruimte als tijd onttrekt vervuiling zich tot op zekere hoogte aan de directe ervaring. De effecten zijn elders, later. Ze spelen zich af op een schaal die het handelingsvermogen van een liberale democratie ontstijgt. Mijn blik op de zaak is dan ook – in het grote geheel – niet bijzonder meer omvattend dan die van de harige wetenschapper in Onderzoekingen van een hond.
Bloedvaten
Aan het begin van een warme zomermiddag liep ik dit jaar aan de Grote Markt in Groningen het oude V&D-winkelpand binnen voor een symposium over plastic, georganiseerd door de Rijksuniversiteit Groningen. Direct bij binnenkomst werd me een keycord aangeboden, waaraan een blanco naamkaartje bungelde. Ik had me niet aangemeld, dus ik schreef mijn naam op met een blauwe balpen terwijl ik aan iets anders dacht.
Ik dacht natuurlijk aan dat plastic keycord. Hoe hallucinant maar onontkomelijk het was om de middag daarmee te beginnen. Daarna nam ik plaats in een overwegend witte ruimte vol plastic dingen. Dat is inmiddels een pleonasme, iedere ruimte is een ruimte vol plastic dingen, maar ineens viel het me op. Plastic conferentiestoelen, balpennen, kabels. Kleren van synthetische stoffen, de kaften van de notitieboekjes. Zonwering. De strakke witte vloer. De televisie. De wielen ónder de televisie. Het kapje om de microfoon. Denk het plastic weg en er blijft van onze beschaving niets meer over.
‘Iedere ruimte is een ruimte vol plastic dingen, maar ineens viel het me op’
Met welke beelden proberen wetenschappers en activisten bij het grote publiek door te dringen over de ernst van het afvalprobleem? Die vraag werd deze middag gesteld door de Duitse cultuurwetenschapper Kylie Crane, die de hoofdpresentatie verzorgde. Eén van de eerste dingen die ze daarin opmerkte was dat het in boeken en pr-campagnes rondom plastic inmiddels een bekend stijlfiguur is om plastic objecten op te sommen in handzame lijstjes, een beetje zoals ik dat in gedachten had gedaan terwijl ik plaatsnam. Daarmee krijgen auteurs twee dingen voor elkaar. Enerzijds laat het de alomtegenwoordigheid van plastic zien, anderzijds maakt het die alomtegenwoordigheid voelbaar op een menselijke schaal. Het brengt vervuiling terug naar individuele, herkenbare objecten.
Naast lijstjes kom je ook veel afbeeldingen tegen van zeeleven dat verstrikt is geraakt in herkenbare plastic verpakkingen uit de supermarkt. Ik denk daarbij direct aan een foto van een schildpad die verstrikt is geraakt in de doorzichtige plastic ringen waar ooit sixpacks bier in werden verkocht. Het zijn vaak zulke foto’s die opeens tot maatschappelijke verontwaardiging kunnen leiden.
Maar wat het presenteren van het plasticprobleem in termen van herkenbare objecten óók doet, zei Crane, is suggereren dat het plastic zich makkelijk laat opruimen. Individuele objecten kun je namelijk oppakken en verzamelen. In haar boek Concrete and plastic beschrijft ze dat er iets vergelijkbaars aan de hand is met het idee van het plastic eiland in de Stille oceaan: The Great Pacific Garbage Patch, dat vaak het nieuws haalde. Hoewel de schaal anders is, suggereert de term ‘eiland’ een beheersbare, afgekaderde ruimte en een stabiele entiteit – iets wat je met een beetje inzet en een gigantische sleephopperzuiger wel op zou kunnen ruimen.

Crane beargumenteerde die middag echter dat de vervuiling veel vloeibaarder is dan de objecten en eilanden suggereren. Giftige stoffen uit plastic sijpelen weg in het water en binden zich aan de vetten in organismen. Ik denk aan de honderden plekken in Nederland waar staalslakken in aanraking komen met regenwater en giftige metalen in de bodem verdwijnen. Plastic breekt op in microscopische deeltjes en belandt zo in onze bloedbanen. PFAS van de Chemoursfabriek in Dordrecht wordt via borstvoeding doorgegeven aan baby’s. Veel vormen van vervuiling dringen vanwege die vloeibaarheid diep door in de bloedvaten van de wereld. Dat betekent dat je die niet met een prikstok of een sleepnet uit ecosystemen en lichamen kunt halen.
Hoe vervuiling zichtbaar en voorstelbaar wordt, bepaalt de vormen van regulering en verzet die we ervoor kunnen bedenken. Kylie Crane waarschuwt ons voor de suggestie dat vervuiling omkeerbaar is, dat hoe erg het ook wordt, ze met genoeg werk nog wel op te ruimen is. Daarmee worden producenten van giftige materialen uit de wind gehouden van het ongemakkelijke feit dat de productie van nieuw plastic een onomkeerbare mutatie van de wereld is. Verzet zou zich zoveel mogelijk moeten richten op het aan banden leggen van de productie. Sommige tandpasta krijg je niet meer terug de tube in.
Het afvalspook
Wat zijn dan wél passende termen om ons vuilnis te omschrijven? Een mooi voorbeeld daarvan vind ik in het werk van de Nederlandse filosoof Lisa Doeland. Zij deed mij inzien hoe potentieel ontwrichtend het afvalprobleem is voor de nog altijd levendige utopieën over oneindige economische groei.
Doeland muntte de term ‘afvalspook’ om te beschrijven dat afval nooit ‘weg’ is, maar blijft ronddolen op aarde. ‘We raken steeds dieper doordrongen van het besef dat wat wij wegspoelen niet verdwijnt, maar rond blijft spoken.’ De afvalbak noemt ze een zwart gat; alles wat erin gaat verdwijnt uit de directe ervaringswereld. Tegelijkertijd duikt afval op steeds vreemdere plekken op. Zo wordt er nu PFAS aangetroffen in eieren van hobbykippen of in moedermelk. Microplastics worden aangetroffen in het brein van overleden mensen. Her en der klopt het afvalspook aan.
In haar veelbesproken boek Apocalypsofie verweert ze zich dan ook tegen de verschillende manieren waarop afval ‘weg’ wordt gedacht. Volgens Doeland gaan daar grote belangen achter schuil. Zo bestaat er tegenwoordig een dominant ‘frame’ dat afval eigenlijk niet bestaat, omdat alles hergebruikt kan worden. Die zero-waste-economie is onhaalbaar, schrijft ze, niet in de laatste plaats omdat recyclen altijd meer energie kost. Het is vooral de recyclingutopie die de wind uit de zeilen haalt van de tegenstanders van vervuilende industrieën. ‘Recycling voedt immers de illusie dat het weggegooide niet écht afval wordt’, schrijft ze. Zolang er de mogelijkheid bestaat om afval op te ruimen, kan de productie onverminderd doorgaan.
Doeland is niet tegen recyclen en netjes je afval scheiden, maar laat wel zien dat we er nooit helemaal vanaf komen. Volgens haar is het tijd om te leren ons thuis te voelen tussen de rommel. Als je een spook negeert, zal die je immers op steeds indringendere manieren blijven achtervolgen.
Door de alomtegenwoordigheid van ons afval leest Onderzoekingen van een hond als een parabel voor het leven in een industriële samenleving. Waar komen producten vandaan? Waar gaan ze heen nadat ik ze heb weggegooid? Westerse vervuiling strekt zich zo ontzagwekkend ver en lang uit, dat het onze verbeelding te boven gaat. Als lezer vind je de hond al snel kortzichtig omdat die niet begrijpt dat er een wereld voorbij zijn dagelijkse gewoonten bestaat. Toch is het verschil tussen mijn onwetendheid en die van de hond slechts gradueel. Ik kan lezen zoveel ik wil, uiteindelijk zal ik niet veel meer vat hebben op de materiële ketens waar ik onderdeel van ben.
‘Ik begon mijn onderzoekingen met de allereenvoudigste problemen, aan materiaal ontbrak het mij niet’, zegt de viervoeter halverwege zijn relaas. ‘Het is, helaas, de overvloed, die mij in sombere uren tot wanhoop brengt.’
