Afscheid, oude weelde en nieuw begin

Ontvangen door de heer des Huizes Christiaan Klasema, stappen we een donkere gang in met deuren waarachter weleens een geheime wereld op je zou kunnen wachten. Oosthouw is een plek die je doet vergeten waar je naar op weg was.

In deze oude weelderigheid nemen drie bestuursleden afscheid die erin slaagden Noorderbreedte een nieuwe tijd in te loodsen. Van een tijd waarin geldzorgen niet bestonden, naar een tijd waar minder mensen lezen en de overheden de geldkraan steeds verder dichtdraaien. Niemand had gek opgekeken als het tijdschrift hierdoor ten onder zou zijn gegaan. Maar mede door de inzet van deze bestuursleden kunnen we zeggen: Noorderbreedte is er nog  en vertegenwoordigt een belangrijk geluid in de regio.

Afscheid nemen kreeg in het eclectische huis uit 1868 een ander gewicht. Met de boeken van Bergson en Meister Eckhart op de achtergrond gingen de gesprekken als vanzelf de diepte in. Terwijl het met zorg bereide eten als vanzelf op tafel kwam, spraken we over waar we vandaan kwamen, waar we staan en hoe we de toekomst tegemoet gaan: als tijdschrift Noorderbreedte, als het Noorden. Vragen waar geen antwoord op zijn en die toch goed zijn om te stellen.

De drie bestuursleden kunnen tevreden afscheid nemen, tevreden omdat ze weten dat ze zich voor honderd procent hebben ingezet. Helaas niet omdat ze weten dat het wel goed komt. Want dat blijft de vraag. Maar wat wel duidelijk werd was dat je een instituut als Noorderbreedte moet koesteren. Mensen komen en gaan, maar het tijdschrift staat, als een huis.

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).

 

Ik ben Joost de Ruiter (23). Overdag werk ik als tekstschrijver, maar ’s avonds sta ik regelmatig op de planken: ik ben amateuracteur. In mijn theater – het Shakespearetheater in Diever – zitten de zalen iedere zomer vol. Voor mij is toneelspelen de normaalste zaak van de wereld, maar hoe meer ik me verdiep in het amateurtheater van Noord-Nederland, hoe meer me opvalt hoe bijzonder de cultuur is. Ik neem je daarom graag mee in mijn onderzoek naar deze traditie. Ik begin bij het kraambed van ons amateurtheater: de rederijkerskamers van Groningen. Waar komen ze vandaan? Wat doen ze? En hoe behouden deze eeuwenoude instituten hun relevantie?

Groningen met een zachte g

“Hoe noemt ge die bruggekes ook alweer?”, wil de man naast me weten. Ik moet even schakelen, iemand met een Vlaams accent in het noorden van Groningen is een vreemde gewaarwording voor me. Ik zit in een tourbus van het 36ste Internationale Rederijkerscongres, mijn buurman is hier niet de enige Belg. Het toeval wil namelijk dat rederijkers alleen nog in Groningen en Vlaanderen actief zijn. Dit jaar organiseert de koepelvereniging van de Groninger rederijkers het congres, de Belgen zijn te gast en krijgen een tour door de provincie.

“Onder Napoleon moesten kamers de teksten die ze voordroegen laten censureren.”

De man naast me legt desgevraagd uit wat rederijkers zijn: “Mensen die in zogeheten rederijkerskamers bijeenkomen om elkaar poëzie en proza voor te dragen.” Hij heet Willy Demeyer en is directeur – voorman, noemen ze dat daar – van een van de drie rederijkerskamers van Brugge. “De meeste kamers in België stammen uit het verre verleden, rond 1420 zagen de eerste het daglicht. Ze speelden een belangrijke rol in de literaire ontwikkeling van de stad,” zo legt hij uit. “Ze brachten de dichtkunst tot leven.” Demeyer vindt het fascinerend. “Onder Napoleon moesten kamers de teksten die ze voordroegen laten censureren. Het laat de kracht van het woord zien.”

Tegenwoordig zijn rederijkerskamers gezelligheidsverenigingen die vooral in Groningen en Vlaanderen actief zijn, Groningen telt zelfs nog twaalf kamers. Maar hoe enthousiast Demeyer ook is over de rederijkerij, hij is somber over haar toekomst. “Kijk maar naar de gemiddelde leeftijd in deze bus, die is rond de zestig,” verzucht hij. “Het voelt goed om onze cultuur in leven te houden, maar of het zin heeft weet ik niet. Slechts een handvol kamers in België houdt zich nog bezig met traditionele rederijkers-activiteiten.”

Groningse en Vlaamse rederijkers bij de Menkemaborg in Uithuizen

Enkele rijen voor Demeyer zit Anneke Jintes, ze is erelid van Eendracht, de rederijkerskamer in Zuidhorn. Ze legt me uit dat de situatie voor rederijkers in Groningen al even precair is als die in België, ook zij haalt ter illustratie daarvan de gemiddelde leeftijd van haar reisgezelschap aan. Ze is er vandaag alleen bij voor de gezelligheid, vertelt ze, want onlangs is ze gestopt met haar activiteiten bij Eendracht. “Ik ben 77, het is tijd voor nieuw bloed. Maar ik vraag me af of dat nog komen gaat.”

De touringcar komt tot stilstand bij de Menkemaborg in Uithuizen, de inzittende rederijkers krijgen er een rondleiding. Terwijl de Belgen de provincie verder verkennen, besluit ik afscheid te nemen om mijn zoektocht naar deze bijzondere Groninger traditie te vervolgen.

Traditie

Ik ben nieuwsgierig geraakt naar hoe zo’n rederijkersbijeenkomst er uit ziet, daarom breng ik een bezoek aan Eendracht in Zuidhorn, de kamer waar Jintes me over vertelde. Om de twee weken komt die vereniging bij elkaar.

Op een vrijdagavond heeft een groep van pak hem beet twintig man – normaal gesproken zijn het er meer, begrijp ik van de leden die er wel zijn – zich verzameld op een broeierige bovenkamer. De gemiddelde leeftijd ligt hoog, net als in de tourbus. Boven de vijftig in ieder geval.

Als ik binnenkom staat een enthousiaste dame van middelbare leeftijd – haar blouse is van dezelfde lichtblauwe kleur als haar ketting – op het punt om van wal te steken. Van het bestuur heeft ze de opdracht gekregen drie minuten over het onderwerp Groningen te praten. Dat is ter bevordering van haar welbespraaktheid, zo begrijp ik. Ook dat is een onderdeel van de Groninger rederijkerij. Na afloop van haar improvisatie – ze vertelt over haar liefde voor de provincie maar haar afkeer van de stad – geven twee dames uit het publiek commentaar. “Je hebt goed contact met de zaal,” leest de een van haar bloknootje. “Als je spreekt, dan luisteren wij,” prijst de ander. “Een typische avond in een rederijkerskamer,” vertelt Herry Cornelius. “Iemand heeft een beurt, twee anderen geven kritiek.”

“De Belgen brachten de rederijkerij naar Nederland, maar niet naar Groningen,”

Cornelius is een van de aanwezige leden bij Eendracht. Vanavond levert hij zelf geen bijdrage, daardoor heeft hij tijd om me een geschiedenislesje te geven. “De Belgen brachten de rederijkerij naar Nederland, maar niet naar Groningen,” vertelt hij. “In de zeventiende eeuw bleven ze in Utrecht en Noord-Holland hangen. Pas tweehonderd jaar later stichtten rijke handelslieden en boeren hier rederijkerskamers. Niet vanwege hun interesse in literatuur en poëzie zoals de Belgen, maar omdat ze hun Nederlands wilden verbeteren. De dialectsprekende Groninger elite dacht door elkaar teksten voor te dragen het ABN beter onder de knie te krijgen. Uiteindelijk moest men zo ook in het westen van het land zijn mannetje kunnen staan. De Groningers gingen zich erdoor wel verdiepen in bijvoorbeeld literatuur, daardoor hebben rederijkerskamers enorm bijgedragen aan de culturele ontwikkeling van de regio.”

 

Vlotte PowerPoint: Wolkom yn Fryslân

Na de pauze houden twee heren een spreekbeurt over Friesland, ze hebben een vlotte PowerPoint meegebracht. De Friese geschiedenis, cultuur en taal passeren een voor een de revue, andere leden hebben gedichten en stukken proza voorbereid waarmee ze de presentatie op relevante momenten aanvullen. Even waan ik me terug op de basisschool, alhoewel de spreekbeurten van mijn klasgenootjes over hamsters destijds lang niet zo informatief waren.

Op het oog lijkt de rederijkerij vanavond nog springlevend, maar dat is gezichtsbedrog, vertelt Cornelius me. “Traditionele rederijkerskamers zijn aan het uitsterven, dat kun je wel stellen.”

Anders: toneel

Inmiddels ontstaat er een duidelijk beeld over de rederijkerskamers van Groningen, toch? In een ver verleden waren ze belangrijk voor de maatschappelijke en culturele ontwikkeling van de regio, maar de traditionele rederijkerij loopt op haar laatste benen. Je krijgt de indruk dat de overgebleven verenigingen over een paar jaar slechts een herinnering uit het verleden zullen zijn.

Terwijl ik het opschrijf, weet ik gelukkig al beter. Dat komt deels omdat Herry Cornelius me niet alleen een doemscenario voorhield, hij vertelde me ook dat het Eendracht zo nu en dan nog steeds lukt om jongeren te interesseren voor de vereniging. “Die komen vooral af op onze toneeltak.”

“Vijf van de twaalf kamers zijn tegenwoordig toneelverenigingen. Sommige daarvan behoren tot de modernste toneelgroepen van de provincie!”

Toneel blijkt de uitkomst voor meer Groninger rederijkerskamers, legt Ben Smit me uit. Van 1992 tot 2012 was hij als theateradviseur in dienst van het Kunstencentrum in Groningen. Hij vertelt over het rederijkerslandschap anno 2019. “Vijf van de twaalf kamers zijn tegenwoordig toneelverenigingen. Sommige daarvan behoren tot de modernste toneelgroepen van de provincie!” Smit tipt me IOVIVAT, de kamer van Garnwerd, zo nu en dan regisseert hij bij die vereniging. “Als ik iets nieuws wil uitproberen, dan probeer ik dat in Garnwerd.” Smit kan zo gauw geen woorden vinden om IOVIVAT te beschrijven, wellicht schieten de theatertechnische termen tekort. Ik moet er maar gewoon gaan kijken, vindt hij.

Op advies van Smit rij ik dus naar Oostum – een buurtschapje ten zuiden van Garnwerd – voor een bijeenkomst van IOVIVAT. In de avondzon tref ik er twee huizen en een kerk aan, verstopt achter bomen en struikgewas. In het gebedshuis zijn de leden van de rederijkerskamer druk aan het repeteren, als ze klaar zijn neem ik met regisseur Renate van den Broek plaats op een kerkbankje. Ze legt uit dat IOVIVAT het “anders” aanpakt. Ze lezen elkaar hier al lang niet meer poëzie en proza voor zoals dat in Zuidhorn gebeurt, maar spelen alleen nog maar toneel.

Dit jaar speelt de vereniging geen gewoon toneelstuk, maar losse sketches die door één steeds terugkerende protagonist samenhang krijgen. Niet geheel toevallig heet het stuk Anders. Van den Broek legt uit dat de naam aan de vernieuwingsgezindheid van de vereniging refereert. “In 1982 koos IOVIVAT voor het eerst niet voor een klucht maar voor een uitdagend toneelstuk, ook het inschakelen van een regisseur van buiten was nieuw voor de vereniging. IOVIVAT ging kortom toen al iets anders doen, bijna veertig jaar later willen we dat opnieuw benadrukken.” Gezien het moderne theater waar de groep tegenwoordig om bekend staat, is de rederijkerskamer met dingen anders doen nooit gestopt.

Van den Broek moet lachen als ik me hardop afvraag hoe het kan dat men in Garnwerd warmloopt voor experimenteel theater. “De Groninger heeft toch zoiets van: ‘als je gewoon doet, doe je al gek genoeg’?”, leg ik haar voor. Ze geeft toe: “Ik weet niet hoe dat kan. Het publiek komt in ieder geval in groten getale, 750 man bij belangrijke voorstellingen. Sommigen van hen komen uit de stad, maar het overgrote deel komt gewoon uit de regio.”

Sanne Folgerts (links) bij een repetitie van IOVIVAT

Wat me in Oostum verder opvalt is dat – heel anders dan in Zuidhorn en in de tourbus – veel van de aanwezigen jong zijn. “Dat komt doordat IOVIVAT een jeugdopleiding heeft,” vertelt Sanne Folgerts (20). Ze vertolkt in Anders de rol van een dienstmeisje in een rijk Russisch huishouden. We praten op een bankje bij het kerkhof, vanuit het weiland tegenover ons kijken drie nieuwsgierige koeien mee. “We hebben drie jeugdgroepen, verdeeld in verschillende leeftijdscategorieën. Hoeveel jeugdleden we precies hebben weet ik niet, maar het zijn er tientallen. Toen IOVIVAT een paar jaar geleden een wat grotere productie speelde, kreeg ik een rol. Ik voelde me er meteen op m’n gemak en ben blijven hangen, twee jeugdleden die tegelijkertijd met mij instroomden ook.” Folgerts merkt op dat de groep leden uit verschillende generaties heeft, die mix spreekt haar aan. “Het zijn allemaal gezellige mensen, iedereen kent elkaar. Ik kom in m’n eigen wereldje terecht wanneer ik hier binnenstap.”

IOVIVAT kan kortom rekenen op veel publiek en een continue aanwas van jeugdleden, het gaat ze voor de wind. Dat komt allemaal doordat de vereniging het accent op het spelen van toneel heeft gelegd. “Dat zie je tegenwoordig terug bij bijna alle kamers,” vertelt Van den Broek. “Het klassieke rederijkerij-werk doen er niet veel meer, maar met alleen theater maken zijn sommigen erg succesvol.” Ondertussen behouden de kamers wel hun identiteit, want alhoewel leden elkaar in het openbaar geen proza meer voorlezen, zijn het niet zomaar toneelverenigingen. Daarvoor zit de rederijkerij te diep in het DNA van de clubs. Sommige leden van IOVIVAT komen bijvoorbeeld – zij het slechts eens per jaar – nog steeds bijeen om elkaar teksten voor te dragen, ze nemen hun traditie serieus.

Zo ziet de toekomst van de rederijkerskamer in Groningen er plotseling een stuk rooskleuriger uit. Van den Broek glundert: “Wij gaan nog wel even door.”

Volgende maand vervolg ik mijn onderzoek naar het amateurtheater van Noord-Nederland. Ik ga ervoor op bezoek bij de openluchttheaters van Drenthe, daar neem ik de identiteit van amateuracteurs onder de loep. Wie zijn ze en waarom doen ze wat ze doen?

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).

Hans “Hoed” Weijer

Op de filmposter staat veearts Maaike van den Berg (40) met haar armen over elkaar tussen de koeien, stethoscope rond haar nek, blonde haren in de wind. Het is een poster die niet zou misstaan boven het bed op een meisjes kamer, zodat je alvast kan dromen: zo wil ik worden als ik groot ben. De film biedt een nieuw soort voorbeeld, niet cliché of over de top, maar echt en uit het leven gegrepen. Na het zien van de film van Musch en Tinbergen krijg je hoop maar ook sta je meteen met beide benen op de grond: zo gaat het (boeren)leven.

De film volgt Maaike tijdens haar bezoeken aan de melkboeren. Stad tot wad reist ze af om haar boeren te bezoeken. We zien haar onderweg: blik op de weg, wenkbrauwen licht gefronst. Vol passie vertelt ze over haar missie: een nieuwe manier van dierenarts zijn, minder antibiotica, gericht op de gezondheid van mens en dier. Daarom is ze ook actief als vertegenwoordiger van de Europese dierenartsen. Maar eenmaal op locatie is er concentratie en doorpakken, met oog voor de boer en voor de koeien.

De film gaat misschien wel net zo veel over de boeren als over de veearts. We zien veel verschillende soorten Groningse boeren: biologische boeren, boeren met oude stallen, boeren met nieuwe stallen, jonge boeren en oude boeren. Allemaal pakken ze het anders aan, sommige laten een traan als een koe het niet redt, de ander zucht ‘het hoort bij het leven.’ Het beeld romantiseert niet: we zien een keizersnede en hoe de kalfjes meteen bij hun moeder weggehaald worden. Maar toch krijg je voor elke boer respect.

De film raakt aan alle facetten van het boerenleven, zonder dat je het gevoel krijgt dat ze teveel tegelijk willen. Ik zou nog wel even door kunnen gaan met deze lofzang, maar eigenlijk is de belangrijkste conclusie: ga kijken die film!

Vanaf 25 juli te zien in de filmtheaters, o.a.:

AMSTERDAM • De Balie
GRONINGEN • Groninger Forum
ZWOLLE • Fraterhuis

 

 

 

 

De geschiedschrijving haalt soms vreemde streken uit. Neem 1918. Dat is de boeken ingegaan als het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog eindigde, het jaar waarin keizer Wilhelm zijn toevlucht zocht in Nederland en zijn zoon, de kroonprins, werd geinterneerd op het eiland Wieringen in de Zuiderzee.

Maar 1918 zou evengoed herinnerd kunnen worden als het jaar van grote ziekte-uitbraken. Zo eiste te midden van het wapengekletter de Spaanse griep 20 tot wellicht 100 miljoen slachtoffers – een veelvoud van de gevallenen in de loopgraven. Maar in de geschiedschrijving legt de stille griep het af tegen de knallende kanonnen.

Datzelfde geldt voor een ander besmettelijk virus, dat in 1918 in Nederland epidemische proporties aannam. Hoevelen de aandoening onder de leden hadden, bleek duidelijk op dinsdag 21 maart. Duitsland had die dag Operatie Michael ingezet, een lenteoffensief om op te rukken naar Parijs. Op datzelfde moment voerde de Tweede Kamer in Den Haag een debat over de ‘Wet tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee’. Dat de Kamer deze wet, het geesteskind van minister Cornelis Lely, aannam zonder dat een hoofdelijke stemming nodig was, maakt duidelijk dat een oer-Hollandse ziekte weer was uitgebroken: polderkoorts, ofwel de diepe drang om water te veranderen in land.

Tussen het griepvirus en de polderkoorts bestaan vele overeenkomsten. Zo geldt voor beide dat het pas tot een uitbraak komt als er voldoende mensen vatbaar voor zijn. Terwijl de ziekte om zich heen grijpt, begint de zoektocht naar de eerste patient, de bron van besmetting.Vervolgens bereikt de ziekte een hoogtepunt, om daarna in ernst en omvang af te nemen, totdat er alleen nog postvirale vermoeidheid resteert. Ogenschijnlijk is de ziekte dan verdwenen, maar niets is minder waar. Voor griep en polderkoorts geldt: het is een kwestie van wachten op een volgende uitbraak.
De Spaanse griep begon vermoedelijk onder rekruten van het Amerikaanse leger. Via de soldaten, die vanuit een legerkamp in Kansas werden uitgezonden naar Europa, verspreidde het virus zich binnen een jaar over de wereld.

De Nederlandse polderkoorts kende een langere incubatietijd. De massale uitbraak van 1918 was twee jaar eerder op kleine schaal begonnen, om precies te zijn op 13 januari 1916. Die donderdagavond kwam het water van de Zuiderzee in hoge golven op de kust af. Het stormde al een paar dagen, maar nu wakkerde de wind aan tot ruim honderd kilometer per uur. ‘ Bulderend kwam hij uit het Noordwesten’, schreef het Nunspeets Nieuws- en Advertentieblad, ‘zwiepend al wat buigen wil, losrukkend wat zijn kracht niet kon weerstaan, opstuwend met onheilspellend geweld, de wateren, die wal en dijken beklotsten.’ Van Kampen tot Den Helder troffen dijkdoorbraken en overstromingen de Zuiderzeekust. Op het eiland Marken vielen zestien doden.
Behalve dijken brak de watersnood ook een mentale weerstand: dit mocht nooit meer gebeuren, de Zuiderzee moest dicht, het water moest land worden. De polderkoorts brak uit.

Wie bracht nu het virus in omloop? In het Amerikaanse legerkamp werd achteraf een kok, Albert Gilchell, geidentificeerd als de eerste patient met Spaanse griep. Vanaf de boerderij van zijn ouders zou hij het virus, dat van vogels op mensen kan overslaan, hebben meegebracht.
Als eerste polderkoortspatient is Gerard Vissering aan te wijzen.Hij genoot bekendheid als president van De Nederlandsche Bank, maar hij was ook voorzitter van de Zuiderzeevereniging, een lobbyclub avant la lettre en een ware haard van polderkoorts. De vereniging verkondigde dat de Zuiderzee afsluiten en inpolderen ons kleine land in den vreemde meer respect zou opleveren dan een leger van bajonetten en een vloot van pantserschepen. ‘En als dan onze jeugdige koningin aan vreemde vorsten de nieuwe provincie zal kunnen tonen, zal zij daardoor eerbied afdwingen en onze nationale roem verhogen.’   ‘

Hoezeer Gerard Vissering door de polderkoorts was bevangen, bleek na de watersnood van 1916. Terwijl minister Lely van Waterstaat per boot de schade opnam, schreef Vissering een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad. Het liet zich, oneerbiedig gezegd, samenvatten in de retorische vraag: hebben jullie nu je zin? Want, schreef hij, een groep van ‘intellectuele en ondernemende mannen’ wees Nederland al jaren op de noodzaak de Zuiderzee in te polderen. Maar de urgentie daarvan wilde maar niet doordringen: ‘Men gevoelde niet de dringende noodzaak om als verdediging tegen de woedende baren onverwijld dit werk te ondernemen.’ En nu, vervolgde Vissering, was plotseling deze grote ramp gekomen, die onnoemelijke schade had toegebracht aan de welvarende provincies rondom de Zuiderzee. ‘Is die ramp dan inderdaad nodig geweest om ook in deze zaak weder ons land wakker te schudden?’

Het had er alle schijn van, want plotseling verspreidde de polderkoorts zich razendsnel over pers en politiek.Minister Lely kon zijn Zuiderzeewet probleemloos door de Kamer loodsen.

Het hoogtepunt van de Spaanse griep was in november 1918. De oorlog was voorbij, soldaten keerden terug naar hun thuisfront – dat ze prompt besmetten. Naar schatting een vijfde van de wereldbevolking werd ziek en miljoenen mensen stierven. Maar na een jaar was de griep voorbij. De polderkoorts bleef na zijn grote uitbraak in 1918 gestaag om zich heen grijpen, om uiteindelijk in mei 1932 tot een climax te komen. Die maand zou de Zuiderzee definitief worden afgesloten. De Afsluitdijk, waaraan bijna twaalf jaar was gewerkt, naderde zijn voltooiing. Het poldervirus woedde in krantenkolommen in binnen- en buitenland. Het Franse dagblad L’Ouest-Éclair schreef bewonderend: ‘Dit is een goed voorbeeld van territoriale uitbreiding, het creeren van nieuwe rijkdom die geen traan of een druppel bloed heeft gekost. Het grote vreedzame werk vereiste doorzettingsvermogen maar zal uiteindelijk meer opleveren dan het heeft gekost.’ De Nederlandse kranten publiceerden in de laatste weken dat de Zuiderzee bestond bijna vierhonderd artikelen over de nieuwe Afsluitdijk. Namens De Spiegel was K. Norel aanwezig bij het dichten van de dijk. ‘De lui van de Zuiderzeewerken vierden de overwinning van wetenschap en volharding met champagne en piepkuikens’, schreef hij, ‘en wij, mannen van de krant, vierden dat feest met vreugde mee.’

Net als de Spaanse griep nam de polderkoorts na enige tijd in hevigheid af. Het ging geleidelijk. Want in de jaren vijftig leken nog alle voorwaarden aanwezig voor een opleving van het virus. Een nieuwe watersnoodramp, in 1953, deed de koorts opvlammen: de Zeeuwse zeegaten zouden dicht moeten, net als de Lauwerszee. En waarom dan niet meteen het Wad inpolderen? In plaats van bestaande zeedijken op deltahoogte te brengen, redeneerde de provincie Friesland, zou je ook twee dammen naar Ameland kunnen bouwen en het gebied ertussen droogpompen. Het plan werd in 1965 gelanceerd, met alle nadruk op de voordelen: het zou veel nieuwe landbouwgrond opleveren, bood ruimte voor recreatie en maakte Ameland via de weg en het spoor bereikbaar. In de Bosatlas van de Wadden, die vorig jaar verscheen, staat een kaartje van het plan: vanuit Leeuwarden lopen naar het noorden twee dikke stippellijnen die ‘hoofdverkeerswegen’ voorstellen. De westelijke route loopt via Stiens naar Ballum, de oostelijke via Dokkum en Ternaard naar Buren. Het Dantziggat is per auto over te steken.

Het plan ging niet door, omdat sleutelfiguren inmiddels leden aan een vorm van postvirale vermoeidheid: ze hadden de polderkoorts twintig, dertig jaar eerder al doorgemaakt en nu hielden ze het virus liever buiten de deur. Dat viel nog niet mee, beschreef Jelle Zijlstra, oud- Minister van Economische Zaken, in zijn memoires: ‘Eind jaren vijftig kwam het vraagstuk van de indijking van de Lauwerszee aan de orde. De bewoners van het oude land rond die zee voelden zich bedreigd. In de loop van 1959 en begin 1960 kwam de zaak in een stroomversnelling.

Het bekende patroon tekende zich af: actiecomites, vakkundig opgezweepte emoties die de zaak rijp maakten voor de politiek.’ De aanval van de polderkoorts werd goeddeels afgeslagen, al werd de Lauwerszee wel afgesloten, en kregen Lelystad en Almere er met Lauwersoog een stiefbroertje bij. Nederland was tamelijk immuun geworden voor de polderkoorts. Zijlstra: ‘Als de Lauwerszee nu nog open zou zijn en de regering had de euvele moed een voornemen tot afsluiting kenbaar te maken, dan zou het land te klein zijn voor de verontwaardiging. De Vereniging tot behoud van de Waddenzee en misschien zelfs wel de Raad van Kerken zouden emotioneel en vakkundig betogen welke onvervangbare planten, karakteristieke vogelkolonies, garnalencultuur, zeehondenbroedplaatsen en ik weet niet wat al meer door het snode plan onherroepelijk tot verdwijnen zouden zijn gedoemd. En de regering zou het moede hoofd hebben moeten buigen.’

In haar boek over de Spaanse griep schrijft de Britse wetenschapsjournalist Laura Spinney: ‘De meeste experts achten het onvermijdelijk dat zich nog eens een grieppandemie zal voordoen.’ Evenzo duikt de polderkoorts op gezette tijden weer op – juist op plekken waar die voorgoed verdwenen leek. Het beste voorbeeld is het Markermeer. Jarenlang leefde iedereen in de overtuiging dat het water van het meer nooit in land zou veranderen. Daar was een bittere strijd over gevoerd tussen landaanwinners (die lijden aan chronische polderkoorts) en natuurliefhebbers. Maar in 2012 bleek dat de twee partijen het na veertig jaar strijd toch eens waren geworden. Ja, er zou nieuw land uit het water worden geschapen. Maar niet te veel, en ook niet om er te wonen. Het idee kwam van Natuurmonumenten en kreeg de naam ‘Markerwadden’. Een archipel van kleine eilanden moest er komen, waar watervogels zich thuis zouden voelen. Baggeraar Boskalis mocht het idee uitvoeren. Het geld kwam van de Postcodeloterij en de regering deed een flinke financiele bijdrage. Bij de start van het werk – waarvoor Boskalis een sensationeel grote cutterzuiger vanuit het Suezkanaal naar het Markermeer haalde – sprak de directeur van Natuurmonumenten van een ‘geweldig visitekaartje’ voor de natuur en voor de waterbouwers. De staatssecretaris van Milieu, namens de regering aanwezig, vond de Markerwadden ‘uniek’. ‘Niet alleen de technische innovatie, maar ook de organisatie ervan kan straks een belangrijk exportproduct worden.’

De Markerwadden bleken bij uitstek een symptoom van polderkoorts. Zelfs de koning leek er vatbaar voor. Op een voorjaarsmiddag in 2017 stapte hij rond over het nieuwste stukje van zijn koninkrijk, met suede schoenen in het mulle zand. Aan de directeur van Natuurmonumenten stelde de koning de ene vraag na de andere, geinteresseerd, kundig en kritisch. Hij vroeg wanneer het project Markerwadden geslaagd zou zijn. Wat moest er concreet bereikt worden? ‘Dat de kroeskoppelikaan hier straks zit’, antwoordde de directeur. Had de koning dezelfde vraag gesteld aan Cornelis Lely, dan had die geantwoord: ‘Dat het koren hier straks wuift.’
De drang om land uit water te maken was niet verminderd, alleen werden er nu andere woorden aan gegeven dan een eeuw eerder. En de ware ziektekiem was nog altijd: de hang naar aanzien in het buitenland.
Het Kamerlid Tjeerd de Groot van D66 maakte begin dit jaar kennis met de Markerwadden. Hij begon bijna te ijlen van polderkoorts. ‘Wat een gaaf gezicht, de Markerwadden!’, twitterde hij. ‘Zou het niet mooi zijn een serie van deze eilanden aan te leggen en zo de kwaliteit van de natuur te verbeteren, de waterberging te versterken en de kwaliteit van het water te verhogen?’

‘De waterberging versterken’ en ‘de kwaliteit van de natuur verbeteren’ – het zijn woorden die de kenners van het Lauwersmeer bekend kunnen voorkomen. Rondom het meer worden tot 2020 de waterkeringen verhoogd en verbreed. Dat is noodzakelijk en onvermijdelijk.Maar de geschiedenis van de polderkoorts in Nederland leert dat er op een dag mensen kunnen opstaan die bevangen zijn door de gedachte dat het water tussen Groningen en Friesland land moet worden. De acute koorts van Gerard Vissering in 1916 is geevolueerd tot een variant van het virus die gepaard gaat met verschijnselen als ‘vooroevers’, ‘vogeleilanden’ en ‘natuurverbetering’. De polderkoorts is nooit ver weg, en Nederland is er allesbehalve immuun voor. Degenen die het Lauwersmeer lief is, kunnen maar beter alert zijn op de symptomen.

 

Door waterbeheer geschapen, tot natuur gelaten.’

 

Emiel Hakkenes (Assen, 1977) is journalist bij Trouw en schrijver.

Hij publiceerde onder meer de boeken God van de gewone mensen (over de geschiedenis van zijn Drents-Groningse familie, 2013) en Polderkoorts (over de inpoldering van de Zuiderzee, 2017). Momenteel werkt hij aan een geschiedschrijving van de gaswinning  ‘Was die ramp nodig om ons wakker te schudden?’

Vader Rispens had net de visnetten aan de wilgen gehangen, toen in januari 1969 zijn zoon Johan te vroeg en krap vier pond zwaar geboren werd. Net een gevild konijn, noemde een tante het visserskind. Het waren moeilijke tijden voor de Zoutkamper vissersvloot. De garnalen waren niks waard en de vloot stond op het punt de belangrijkste visgronden, die van de Lauwerszee, te verliezen. Toen pa Rispens vast werk kon krijgen in de droogbloemenfabriek, was de keuze snel gemaakt.

Het was in mei van datzelfde jaar dat de laatste afgezonken caisson de Lauwerszee afsloot. ‘De Groningers waren tegen afsluiten, want dat waren vissers die hun visgronden verloren zagen gaan’, vat Zoutkamper visserman Johan Rispens vijftig jaar na dato samen. ‘Aan de Friese kant domineerden de stadslui en de boeren, die met een dijk hun landerijen wilden beschermen tegen de zee.’ De zeeen gingen hoog in Zoutkamp, de crisisstemming was compleet. De vissers voelden zich zodanig miskend dat ze koningin Juliana bij de feestelijkheden rond de afsluiting massaal de rug toekeerden, een ongekend bruusk gebaar.
Een nieuwe haven, vanaf Zoutkamp vijf kwartier varen over het Lauwersmeer, werd de uitvalsbasis voor de vissers van beide zijden van het Lauwersmeer. Rispens: ‘Lauwersoog is niemands thuis.’ Toen Zoutkamp het kenteken ZK dreigde kwijt te raken voor de nieuwe afkorting LO, waren de rapen gaar. Het verzet heeft geloond: nog altijd varen de schepen met ZK op de romp en regelmatig komt de hele vloot thuis in Zoutkamp.
Het is de vrijheid van de zee die mannen aan boord lokt: de wijde wereld in, een met de elementen. Ook al is het tegen beter weten in, want weinig sectoren zijn zo intensief gereguleerd als de visserij en het leven in de zee staat onder druk. Er is een grote noodzaak het anders te doen, daarvan is Rispens doordrongen. ‘De zee is zo dood als een pier. Behalve garnalen zit er niks meer in. Maar dat is al lang zo, al wel twintig jaar. Ergens in de jaren negentig vroeg ik mezelf af: waar gaat dit heen?’ Dus wilde hij het graag anders doen. In zijn bestuursfuncties in vissersgeledingen en als excuus-visser in bestuurlijke overleggen, probeerde hij te koersen op ‘gezond verstand’. Dat viel niet mee.
Na een avond in het kegelhuis besloten vier Zoutkamper vissers het voortaan samen anders te gaan doen. Zij richtten een eigen collectief op, op zoek naar erkenning voor de waarde van het product dat ze bij nacht en ontij uit zee binnenhalen in hun netten. Ze maakten om te beginnen een einde aan het gesleep met garnalen door die niet te laten pellen in Marokko. Onder het eigen merk Solt brengen Rispens en drie collega’s nu duurzaam gevangen garnalen en in de toekomst ook Noordzeevis op de markt. Ze varen minder hard, waardoor ze minder schade aan de zeebodem toebrengen en minder brandstof verstoken. Ze waken voor het voortbestaan van soorten door ondermaatse en kuitschietende vissen te sparen. En aan de wal laten ze de garnalen in Lauwersoog machinaal pellen. Dat bespaart duizenden voedselkilometers en veel tijd, waardoor minder conserveringsmiddel nodig is. Doordat hij met melkzuur in plaats van benzoezuur is behandeld, smaakt de Solt-garnaal zoetig (alsof hij net uit zee komt) in plaats van zurig als een supermarktgarnaal.
Winstgevend is de hele exercitie nog niet, maar de vissers zijn bereid de tijd te nemen om te bouwen aan hun merk. En de groei zit er mooi in. Zo komt er een verkooppunt in de nieuwe foodhal Mercado achter de Grote Markt in Groningen. In samenwerking met de Kleinstesoepfabriek is er een Solt- garnalensoep gemaakt. En een stoer merk bouw je niet op zonder je eigen biertjes, dus die zijn er ook. Want de consument met de groene bedoelingen, die moet helpen de zee te redden.
Om de zee te sparen, hebben de vissers zich te houden aan een tijdslimiet, uit eigen kring bepleit bij de overheid. Per week mogen ze op dit moment maar 36 uur vissen. In dat anderhalve etmaal moeten ze een heel weekloon bij elkaar vangen. ‘Dat kan’, zegt Rispens. ‘Elke beperking, of we die onszelf oplegden of opgelegd kregen, heeft zich uiteindelijk altijd opgelost. We kunnen ons inkomen ook verdienen met minder vangst. Het evenwicht herstelt zich altijd weer.’
Thuis in Zoutkamp gaat de bel. Een bezorger overhandigt een aangetekende brief van het Openbaar Ministerie, met een oproep te verschijnen voor de rechtbank in Amsterdam, waar Rispens een boete van 8.500 euro boven het hoofd hangt. ‘Te dicht langs een voormalige boorlocatie bij Ameland gevaren. Stom. Door een update van de navigatie stond de veiligheidsmarkering van de boortoren niet op het scherm. Sinds een paar jaar staan er dikke boetes op als je te dicht bij die plekken komt, omdat er een Friese visser in slaap gevallen was en zo op de boortoren knalde. Dat was vanzelf ook stom van die Fries. Maar hier was niets aan de hand.
Vijf-en-tachtig-honderd euro!’ ‘Weet je dat ook meteen’, zegt zijn echtgenote tegen het bezoek. ‘Zo leuk is vissen nou.’
Het zijn de regels die het werk lastig maken. ‘Al die beperkingen waar de Nederlandse visserman mee te maken heeft, gelden niet voor vissers uit andere landen. Wij krijgen een bekeuring als we in het visreservaat bij Rottum vissen, maar de Duitse visser niet want Duitsland heeft dat convenant niet getekend. Elke vis die wij laten zwemmen, vist een ander op. En toch zullen we samen op die andere koers moeten.’

Rispens beseft dat met de werelderfgoedstatus van het Wad verdere beperkingen maar een kwestie van tijd zijn. Het streven van Lauwersoog de duurzaamste, geheel natuurinclusieve haven van de wereld te maken, draagt hij een warm hart toe. Binnen twee jaar moeten vijf kotters, nieuwe of omgebouwde, op waterstofcellen varen. Uiteindelijk moeten zonneweides, windmolens en getijdenenergie de hele haven vrij van fossiele brandstof maken. Intelligente technieken om garnaal en vis op te sporen, die de zeebodem en het ecosysteem zo weinig mogelijk verstoren, moeten de vangst verduurzamen.
Na een rouwproces van decennia is het een wankele status quo aan weerszijden van de vroegere Lauwerszee. ‘Hier vinden ze vooral dat er natuur verloren is gegaan, met alle visgronden en zandplaten die je hier had. Van de meeste oudere Zoutkampers mag de dijk zo weer doorgestoken worden, dat weet ik zeker.
Hoe Zoutkamp erbij ligt over nog vijftig jaar? Ik denk dat we dan van onze fouten geleerd hebben en dat het dan een levendige vissershaven is waar toeristen graag komen.’ En misschien, heel misschien, denken de Zoutkampers van dan met waardering terug aan die paar pioniers die de steven wisten te wenden.

Drie jaar lang verzorgden Dorine van den Beukel en Freya Zandstra met fotograaf Marieke Kijk in de Vegte voor Noorderbreedte de rubriek Wiens brood men eet. Daarin stond steeds een producent centraal die met een vernieuwende of juist ambachtelijke werkwijze, bijdraagt aan de verduurzaming van ons voedselsysteem.
Omdat dat thema in de toekomst alleen nog maar aan belang wint, zullen deze bijdragen – weliswaar onregelmatig en in wisselende vorm – ook in de komende Noorderbreedtes blijven terugkeren.

De boot naar Schiermonnikoog vind ik een prachtige plek met veel symboliek. Dit omdat de veerboot een wereld op zich is, waarop de mensen zich langzaam door het water voortbewegen. Samen met anderen vaar je naar een eiland, terwijl je op een eiland door het water vaart.De serie heeft een poëtische inslag, waarbij mensen en omgeving centraal staan.

Albert Buursma schreef het boek ‘Beteugeld Esturarium – cultureel erfgoed in het Lauwerzee- en het Lauwersmeergebied.’ Het boek werd overhandigd aan de weduwe van Cees van der Burght, die als ingenieur het hele project overzag. Voor wie het boek doorbladert zal er geen twijfel over bestaan dat dit een gebied is met een bijzondere historie en dat er genoeg belangrijke herinneringen zijn die bewaard moeten worden.

Maar belangrijker is misschien wel de vraag: ‘hoe willen we dat het Lauwersmeer er over 50 jaar uitziet?’ Daarvoor is door de Waddenvereniging een manifest opgesteld dat onderschreven wordt door vijf ondernemers uit het gebied waaronder Albert Keizer, Aaltje Rispens en Johan Rispens. Daarin valt te lezen hoe natuur, landbouw, visserij, wonen, recreatie en duurzaam ondernemen in het gebied vorm kunnen krijgen. Dat gaat van kleinschalige duurzame visserij tot de proeftuin van Maritieme Waterstofeconomie.

Een Estuarium is de plek waar zoet en zout vermengd wordt. ‘De plek waar je het meeste leven vindt’, zegt marien ecoloog Wouter van de Heij. Het zou mooi zijn als Lauwerskust in alle opzichten weer – of nog meer – een plek wordt waar verschillende manieren van leven elkaar kunnen vinden. Het manifest is hiervoor een mooi aanknopingspunt.

Een voorbeeld van een ondernemer die er al goed in slaagt verschillende disciplines aan elkaar te koppelen is Minke Schouten, eigenaar van camping it Dreamlân te Kollumerpomp. En inderdaad, als je haar hoort vertellen over haar dromen voor het gebied dan geloof je het meteen: dit is de plek waar je wil zijn. Op haar website vind je een kaart van het gebied waarbij je op plekken kan klikken en er een tip van de familie komt. Van de sportieve vader tot de jongste dochter die graag rondrijdt op haar prinsessenfiets. Het maakt het gebied in één klap tastbaar en persoonlijk.

Als de bijzondere geschiedenis, de innovatieve toekomstvisies en het persoonlijke van ondernemers als Minke Schouten aan elkaar gekoppeld worden hoeven wij ons geen zorgen meer te maken over dat Lauwerskustgebied! Ik weet in ieder geval waar je mij dit weekend kunt vinden!
Meer lezen of 50 jaar Lauwerskust? Noorderbreedte bracht een speciaal nummer uit.

Ik ben een beeldmaker die indrukken van mijn omgeving vastlegt met fotografie. Hierbij gebruik ik allerlei mogelijkheden. Ik experimenteer met oude fotografische technieken en zelfbouwcamera’s. Ik heb mij gespecialiseerd in tri-colourfotografie. Met een zelfgebouwde pinhole-camera (camera zonder lens) maak ik op locatie, kort na elkaar drie zwart-witfoto’s die ik na een speciale kleurbehandeling samenvoeg tot één nieuw beeld. Het resulteert in beelden waarin het tijdsverloop een heel eigen dimensie geeft aan de weergave van het moment. Ik gebruik zeer lange belichtingstijden van 10 minuten tot enkele uren voor één zwart-wit opname. Door dit tijdsintensieve werken en wachten krijg ik een andere beleving van de locatie. Een beleving die ik ook in woorden heb kunnen uitdrukken. Voor Noorderbreedte heb ik een tweeluik gemaakt over mijn indruk van het Lauwersmeer:

Tijd en Tij

In haar functie als waterboezem voor het waterschap is het Lauwersmeer wisselend aan het vasthouden en loslaten van het water. Dit gebeurt in het ritme van de getijden. Het waterpeil is daarom constant aan het op- en neergaan. Er zijn twee gebouwen die hierbij een belangrijke rol hebben. Het gemaal, de Waterwolf te Lammerburen en de Cleveringsluizen te Lauwersoog.

Uitdrukking in kleur en woord

De zwart-wit foto’s zijn met elk hun eigen kleurfilter gemaakt (rood, groen en blauw). Als ik ze combineer krijg ik het hele kleurpalet. De foto’s zijn niet op hetzelfde moment gemaakt. Daardoor hebben ze elk een andere stand van de zon, en andere waterstand. Bij het combineren moet ik ook de balans bepalen tussen de kleuren. Hierbij laat ik me niet door de objectieve maatstaven van meetinstrumenten leiden, maar door de subjectieve van mijn beleving. De wereld is volgens mij altijd een mix van objecten en persoonlijke ervaring. Een wereld die mij op mystieke wijze verwondert.

Ik gebruik ook woorden zodat het beeld ruimte houdt om meer te zijn dan een boodschap. Door de taal poëtisch te gebruiken kan ik mij op vergelijkbare wijze uitdrukken.

 

Wacht uw tij af

 

Lauwersmeer

spui en gemaal bewegen uw boezem

als een ademtocht

 

door waterbeheer geschapen, tot natuur gelaten

Op een oude foto staat een Aaltje Rispens van zes. Ze heeft een regenjasje aan, of iets soortgelijks, de capuchon op. Achter Aaltje is de zee en de zeedijk in aanbouw – bijna klaar. De foto is genomen op 22 mei 1969. Op 23 mei maakte het laatste ingeschoven dijkblok de Lauwerszee tot het Lauwersmeer. Koningin Juliana verrichtte de openingshandeling, of sluitingsceremonie, net hoe je het wilt zien. Rispens stond die dag met haar vader, moeder en zusje op wat tot dan de zeedijk was. Ze herinnert zich dat de scheepstoeters klonken, allemaal tegelijk. Een intens geluid. Het was emotioneel, weet ze ook nog.

‘We waren blij en opgelucht: toen waren we veilig.’ Nu is het vrijdag, januari 2019, en gebruiken Aaltje en haar man Siebe van der Ploeg de broodmaaltijd in hun van al het eigentijds gemak voorziene keuken. Buiten, een paar honderd meter naar het noordoosten, loopt de dijk waarop de familie Rispens destijds stond te kijken – nu een binnendijk. Een stukje ervan is van Aaltje en Siebe. Ze houden er schapen op, veel anders kun je niet met een dijk. Hun boerderij ligt in Kollumerpomp, aan de zuidkant van het Lauwersmeer. Het bedrijf heeft twee locaties. Op de boerderij waar Aaltje opgroeide, via de weg hier een kilometer vandaan, fokt Van der Ploeg met hun zoon leghennen. Op 85 hectare grond verbouwen ze tarwe, uien en suikerbieten. Ze verhuren land voor de pootaardappelteelt.

Haar vader heeft nog meegemaakt dat de zee over de dijk kwam. De grond was jaren onbruikbaar. De schapen liepen voor 1969 buitendijks. Ze werden bij tijden verrast door de zee. Vader vertelde hoe hij schapen uit zee redde, of dat probeerde. Dat was niet zonder gevaar. Een buurman, vastgezogen in het slik, werd ternauwernood gered. Buitendijks heb je putgaten waarin een mens kopje-onder gaat.

Het gebied ligt op de grens tussen Friesland en Groningen. Hier wordt geen Fries gesproken. In Kollum, tien kilometer naar het westen, spreken ze Stadsfries. Pompsters neigt naar Gronings. Aaltjes vader was in Friesland een Groninger en in Groningen een Fries. Alle Rispensen zijn (verre) familie van elkaar, er woont een garnalenvisser met die naam in Zoutkamp. Van der Ploeg komt uit Koudum, Súdwest-Fryslân. Het sentiment rond de afsluiting van de binnenzee was aan de Friese kant anders dan aan de Groningse. Die emotie gaat tot de dag van vandaag mee, verdeelt zich overeenkomstig rond kwesties van natuurbeheer en water. De Lauwerszee was een zak, zegt Rispens, bij noordenwind kon het water alleen deze kant op. Aan Groninger zijde ligt het land hoger. Friesland heeft eerder last van verzilting, meer last van het water in het algemeen.

Haar vader heeft nog meebetaald aan de inpoldering. Hij was een boer, met een boerenkijk op de dijk. Maar Oostmahorn en Zoutkamp zijn van zeehavens binnenhavens geworden, later recreatiehavens, een stap lager in de nautische orde. De vloot ging naar Lauwersoog, de overgebleven vissers moesten met de auto naar hun boot. Ook vandaag zijn er nog die de dijk hartgrondig vervloeken.

 

Op de keukentafel ligt een kaartje van het Lauwersmeer, het gebiedsgebruik in kleuren: water, recreatie, natuur, landbouw. De militairen rechts bovenin. ‘In mijn beleving liggen de functies op hun goeie plek’, zegt Rispens. Defensie een derde, landbouw een derde, natuur (inclusief natuurvertier) een derde, ongeveer zoals het bij de opzet van het gebied de bedoeling was. Zoom je uit, dan heeft de landbouw een groter aandeel.

De combinatie landbouw en natuur is zoals bekend een lastige. Pleitbezorgers van natuur willen een hoger grondwaterpeil, zout water binnenlaten, ‘natuurlijke dynamiek’. De boeren willen ‘droge voeten’, een bodem stevig genoeg om hun machines te dragen. Zoet water. ‘Als het te zout is plakken de kleideeltjes aan elkaar. Dan krijg je stopverf, daar wil niks groeien. Ook het zilte spul heeft zoet water nodig. Mensen denken daar te gemakkelijk over.’

Landbouw en landschap wringen ook, in toenemende mate. Vroeger genoot de boer respect als brenger van ons dagelijks brood. Nu we genoeg te eten hebben, kunnen we de producenten ervan kritischer bekijken. Het boerenland verschraalt, zien we, voor het oog en op het gebied van de biodiversiteit. Dat doet ons pijn. Boeren hebben het gevoel dat ze zich constant moeten verdedigen, zegt Rispens. ‘Het is makkelijk oordelen over een ander.’ Zij moeten de bank tevreden houden, de rekeningen betalen. ‘Het begint met het feit dat je iets wilt verdienen.’ Daarvoor zijn grootschaligheid en rationalisatie nodig, gruwelen in natuur- en landschapskringen.

‘Een boer verhuist niet.’ De enige mogelijkheid tot verandering, vooruitgang, is uitbreiden ter plekke. Rispens’ betrokkenheid bij de omgeving uit zich in tal van bestuurs- en nevenfuncties. Vroeger bij de rijvereniging (paarden), de Agrarische Jongeren en de AVEBE-jongerenraad. Tegenwoordig bij een aardappelplatform, twee ‘proefboerderijen’ en Dorpsbelang Kollumerpomp (voorzitter). Maar vooral, twintig jaar lang, bij het waterschap.

Water is van levensbelang, niet alleen voor een boer in de polder. Dat er water uit de kraan komt en we de wc kunnen doortrekken, vinden we vanzelfsprekend, net als onze ‘droge voeten’. Dat is het niet. ‘De natuur is heel krachtig.’ De zeespiegel stijgt. Water moet de polder in en uit kunnen, bij overvloedige regenval, of extreme droogte zoals vorig jaar. Er zijn goede gemalen nodig, en bredere vaarwegen, om op te vangen wat er valt.

In het gezin Rispens was het vroeger belangrijk dat het anderen ook goed ging, er golden uit degelijke, ouderwetse boerendeugd voortkomende normen en waarden. Vader had twee dochters ‘en dus geen opvolger’. Maar Aaltje vond de boerderij geweldig. De vrijheid van het boerenleven. Terwijl een boer nooit vrij is. ‘Vader had migraine. Toen hij stopte, had hij geen migraine meer.’ Op het land van Rispens en Van der Ploeg komen wind en regen neer, zon, sneeuw en maatschappelijke druk. Boeren moeten ‘natuurinclusief’ gaan werken: bloeiende randen en waterkanten, kruiden en bloemen tussen het gewas. Minder ‘gewasbeschermer’, de bodem voeden met groen. Bodem en klimaat maken Noord-Nederland uitermate geschikt voor akkerbouw. Het is een bijna heilige plicht om eruit te halen wat erin zit. ‘Maar wel zo dat de bodem gezond blijft.’ De grond moet nog langer mee.

Haar man is naar hun zoon op de kippenfarm. Rispens toont hun boerderij, hun erf. Aaltje is niet groot, maar alles om haar heen wel. Haar paarden, nu op stal, de reuze tractors in de schuur, drie, vier stuks, de combine, de kiepwagen, de ploeg met scharen zo groot als een mens. Aaltje in Kollumerland. Naast de boerderij groeit wintertarwe. Al het omliggende land, bijna zover je kunt kijken, is van hen.

Zij is van 1963, het jaar van de meest barre Elfstedentocht aller tijden. Het klimaat verandert, het boerenbedrijf ook. De maatschap Van der Ploeg-Rispens boert door. Aaltje en Siebe hebben een dochter van 24. Die wordt geen boer. Hun zoon, op die boerderij daar verderop, waar Siebe heen is, is 26. Die staat pas aan het begin.

Wij zoeken in gebieden die dienden als stortplaats. Dat dit legale stortplaatsen waren, zegt alles over hoe mensen vroeger met het landschap omgingen’, zegt Nick Landman. De stortplaatsen van toen zijn getransformeerd tot mooie natuurgebieden. Wie van de paden af loopt, stuit op vondsten uit vroegere tijden. Antiek afval is het vaak, uit de periode van de Middeleeuwen tot nu.

Het begon op de school waar Landman docent was. Hij organiseerde met zijn leerlingen een zwerfafvalproject. Zij ontleedden gevonden afval en verwerkten dat in grafieken. Na een herfststorm nam Landman zijn pupillen mee naar het nabijgelegen Friescheveen. Bomen die met wortels en al waren omgewaaid, hadden het gebied veranderd in een vindplaats voor antiek afval. De leerlingen mochten ieder slechts twee schatten meenemen naar school. Daar zochten ze online naar informatie over de details van de gevonden voorwerpen. Wat hadden ze nou werkelijk gevonden? Porselein, glaswerk, zink. Tekst, logo’s en jaartallen vertelden in een enkel geval de afkomst.

Inmiddels hebben de drie speurneuzen zes interessante vindplaatsen. Uitgerust met onder andere loep en laptop zoeken ze vaak ter plaatse al naar de (informatieve) waarde van hun vondsten. De jutters hebben hun uit de hand gelopen hobby een serieuze vorm gegeven. Er komt een tentoonstelling. Landman levert voorwerpen, Hofman de verhalen en Kortekaas dateert de vondsten.

 

 

 

 

 

 

p.s de natuur vind altijd wel zijn weg

Bert Looper, de directeur van Tresoar, de Friese organisatie voor archief,  opende zaterdag 18 mei de Friese tentoonstelling. Een dag later was Han Steenbruggen, directeur van museum Belvédère in Heerenveen aan de beurt bij de Groningse pendant in Galerie Forma Aktua. De schilderijen zijn gevarieerd en indrukwekkend. Ze tonen het noordelijke wijdse landschap in vele verschillende kleuren en beelden. Wolken, water en licht zijn drie passende woorden, maar ze doen de tentoonstelling ernstig tekort. Lyriek, abstract, warm, donker, duister met hellende horizon – je kunt het niet bedenken en daarom moet je gaan kijken hoe 14 kunstenaars het landschap verbeelden. Steeds weer totaal anders.

‘Noordelijke kunstenaars laten zich allemaal door het noordelijke landschap inspireren. In Friesland hebben we een groep goeie hedendaagse landschapsschilders en in Groningen ook. Ik dacht: laat ik daar eens verbinding tussen maken’,  vertelt Dinie Boogaart, de Friese kunstenaar die met Forma Aktua het initiatief nam voor ‘Groningen ontmoet Friesland’.

De Friezen en Groningers zijn verenigd door hun landschap, de luchten, de leegte. De zee werpt zijn heldere schaduw vooruit en schilders vangen dat – elk op totaal eigen wijze. ‘Met elkaar vieren ze het landschap’, concludeerde Bert Looper in zijn openingswoord. De directeur van Tresoar gaf de werken een plek in hun historische contekst. Want ooit waren er grote verschillen tussen de schilders in Friesland en Groningen. ‘In Friesland stond de artistieke ontwikkeling meer ten dienste van het Friese ideaal’, schetste hij. In Groningen waren de schilders experimenteler. Terwijl de leden van De Ploeg het landschap in trokken en hun kleurige, beroemd geworden schilderijen maakten, bleven de Friezen realistische beelden maken ter versterking van de identiteit. ‘Maar in de jaren zestig slaat het om’, stelt Looper. ‘Zo halverwege de jaren zestig worden de Friese werken abstracter. Tot die tijd hadden de Friezen dat afgewezen. Maar na 65 is er geen houden meer aan.’ Looper constateert dat daarna de abstracte bijna geometrische horizon onderdeel is geworden van de Friese identiteit. Zelfs voor landschapskenners kost het moeite om uit het werk alleen op te maken of het Gronings danwel Fries is. Het zou een leuk quiz-onderwerp zijn!

‘De Friezen zijn de laatste vijftien jaar weer wat lyrischer geworden, maar nog steeds vrij abstract’, vindt Looper. ‘Behoudens de dramatische breuk met de fonteinen…’, grapt hij. Een opmerking die geen toelichting behoeft – de bloemen en figuren die elf dorpspleinen sieren hebben vorig jaar al genoeg reuring veroorzaakt.

’’t Noordelijke Landschap, Groningen ontmoet Friesland’ is tot 23 juni te zien in Tresoar (Leeuwarden) en Forma Aktua (Groningen). Er hangen werken van Brunet Riegstra, Dinie Boogaart, Dirk Beintema, Geert Schreuder, Gerald Schuil, Gerrit Wijngaarden, Gertjan Scholte-Albers, Gert-Jan Veenstra, Huib van der Stelt, Irma Kamp, Marten van Holten, René Tweehuysen, Sip Hofstede en Ton Stoltenkamp.

Het Lauwersmeergebied is een kunstmatig aangelegd gebied, land, gemaakt uit zee.
Na de drooglegging van het gebied gingen alle zeevissen en -planten dood.  Ik las ergens dat het er een tijdlang behoorlijk heeft gestonken. De onderlaag van het nieuwe land bestaat dus uit zeebodem met resten van planten en dieren. Met dat idee ben ik aan de slag gegaan.

Ik heb fotogrammen gemaakt van wier, zoutwaterplantjes, schelpen en visgraten om daarmee kunstmatig, op de computer, een landschap samen te stellen, zoals het Lauwersmeergebied ook kunstmatig is ontstaan uit de zee.

Het maken van fotogrammen is een analoge techniek, die rond 1920 populair was bij de DADA beweging. Het werkt zo: op een lichtgevoelig stuk fotopapier en leg je, in de donkere kamer, een object, bijvoorbeeld een veer. Je belicht ongeveer een seconde en dan staat de afdruk van het object op het fotopapier. Ontwikkelen, fixeren en klaar. Het object op het fotogram is even groot als het oorspronkelijke object (contactafdruk) en daardoor is het beeld heel gedetailleerd.

Ik heb onderzocht op welke manier ik van de fotogrammen landschappen kan maken. Ik ben simpel begonnen:

Een boom en een horizon van wier, een eilandje; samen ziet het er ineens een beetje Japans uit.

Daarna probeerde ik iets anders: de planten in het Lauwersmeergebied hebben hun wortels in dingen uit de zee:

Een wortel die ik aan het strand heb gevonden met uitgebloeid fluitenkruid, veren en een zoetwaterplantje.

Nog een ander idee is een letterlijke stapeling: een zoetwaterplantje bovenop een meeuwenveer:

Uiteindelijk heb ik gekozen voor eenvoud: een haringgraat en uitgebloeid fluitenkruid naast elkaar: zoet uit zout:

 

Toen Albert Keizer vijf jaar geleden met zijn bedrijf voet aan wal zette in de haven van Lauwersoog, was er weinig te beleven. De kade waar NG Shipyards nu gehuisvest is, bestond nog helemaal niet, er liep alleen een weg. En dat terwijl de haven populair is: hij wordt gebruikt door de passagiersvaart naar Schiermonnikoog, maar ook door werkschepen voor nabijgelegen windparken. Daarbij gebruikt het overgrote deel van de Nederlandse garnalenvisserij Lauwersoog als uitvalsbasis. Keizer zag zijn economische kansen schoon: waar schepen zijn, is immers onderhoud nodig. Maar hij had ook een persoonlijke drijfveer om in de haven een nieuwe onderneming te beginnen.

‘Ik heb zeven jaar met Wubbo Ockels gewerkt’, vertelt Keizer in zijn kantoor met uitzicht op de Waddenzee. ‘Ik heb de Ecolution (het wereldberoemde duurzame schip van deze natuurkundige en ruimtevaarder, red.) met hem gebouwd. Voor die tijd was ik sceptisch over al die duurzaamheidsdingen, voor mij was het de wereld van de geitenwollensokken. Pas in 2011 drong het tot me door: het klimaat verandert maar we kunnen er iets aan doen, de techniek is er. Zeker nu ik ouder word, realiseer ik me dat ik mijn verantwoordelijkheid moet nemen. Ik heb vijf kinderen en tien kleinkinderen, die moeten ook allemaal weer verder straks. We moeten de aarde aan hen doorgeven. Toevallig is mijn achtergrond maritiem, daarom begon ik een bedrijf om de scheepvaart te verduurzamen. Maar als ik boer was geweest, was ik vijf jaar geleden waarschijnlijk begonnen met biologisch boeren.’

Om de duurzame doelen van NG Shipyards te bereiken, moet er snel actie ondernomen worden, vindt Keizer. ‘We moeten niet blijven praten en discussieren over de mogelijkheden, we moeten ze in de praktijk brengen. Ik ben ervan overtuigd dat we in het Waddengebied niet door kunnen met fossiele brandstoffen. Naar ons idee kunnen schepen die vanuit Lauwersoog vertrekken overstappen op groene energie, maar dan moeten we dingen in de praktijk gaan proberen. Als dan blijkt dat iets toch anders had gemoeten, dan stuur je bij. Zo ga je ontwikkelen, zo zijn de schepen vroeger ook gebouwd. Onze voorouders hebben niet eerst een heel schip uitgetekend, ze zijn er gewoon een gaan bouwen, elk schip werd een beetje gecorrigeerd. Uiteindelijk kom je dan tot een goed product.’

Icoon Ecolution

Nu zijn bedrijf goed draait – op een beetje groei had Keizer wel gehoopt, maar het succes van NG Shipyards overstijgt zijn eigen verwachtingen – heeft hij de ruimte om echt in duurzaamheid te investeren. Maar er is meer nodig dan geld, Keizer zoekt ook naar maatschappelijk draagvlak. Daarom is zijn bedrijf betrokken bij de Stichting WadDuurzaam, financier van de Ecolution, het eerdergenoemde schip van Wubbo Ockels. Keizer: Wubbo’s kernboodschap was dat verduurzaming nodig is. Hij zei: “De techniek heeft ons in de problemen gebracht, maar kan ons er ook weer uithalen.” De Ecolution is een prachtig icoon daarvoor, het is het bekendste schip van Nederland, we kunnen mensen ermee bereiken. Ons plan is nu om dat schip volledig op waterstof te laten varen: we halen de fossiele brandstoffen eruit en doen de waterstofinstallatie erin. We lopen daarbij continu tegen wet- en regelgeving aan: je mag niet zomaar met waterstof aan de slag, iedereen ziet overal gevaren. Dat is soms frustrerend, maar ik denk dat het belangrijk is om met een project in de publiciteit te staan. Je kan ermee laten zien dat varen op waterstof mogelijk is.’

Ecolution is weliswaar het spreekwoordelijke vlaggenschip van NG Shipyards, maar achter de schermen werkt het bedrijf hard om nog veel meer schepen op waterstof te laten varen. ‘Ongeveer tachtig procent van de Noordzee-garnalen wordt vanuit Lauwersoog gevangen, de vissers komen altijd weer terug in deze haven’, vertelt Keizer. ‘Hun schepen zouden dus heel eenvoudig kunnen overstappen op waterstof, want je hoeft niet heel Nederland vol te zetten met tankstations: we hebben er alleen hier een nodig. Die vissers willen wel, zolang ze een economisch plaatje hebben. En een gewone viskotter gebruikt ongeveer vijfduizend liter gasolie per week, zet dat maar eens af tegen de nul liter die een viskotter op waterstof verbruikt. Als het aan mij ligt wordt over vijf a tien jaar ieder vissersschip dat hier vertrekt voortgestuwd door waterstof, ik denk dat dat realistisch is. De toekomst is altijd dichterbij dan je denkt.’

Voordat het zover is, moet dat waterstof natuurlijk worden geproduceerd en naar Lauwersoog gebracht. Wat Keizer betreft, moet dat lokaal en zo duurzaam mogelijk gebeuren. Windparken in de buurt van de haven kunnen daarbij helpen, maar er zijn andere manieren. ‘Over de hele wereld zijn projecten aangekondigd waarbij waterstof gemaakt wordt. Die productie komt dus wel op gang, daarna zal het een kwestie van transport zijn. Als je in de Eemshaven waterstof produceert, moet je dat hierheen brengen om schepen – en wie weet ook auto’s – te laten tanken. Dat zou met een pijpleiding kunnen, maar ook met vrachtwagens. De hoeveelheden die je dan vervoert zijn niet heel groot, maar als je niets probeert, verandert er ook niets.’

Wat Keizers toekomstvisie voor Lauwersoog is? ‘Ik denk dat de haven zich in de komende vijftig jaar gaat ontwikkelen tot een ontmoetingsplaats tussen economie en ecologie. Je wilt eigenlijk dat die vissers nog duizend jaar kunnen vissen, zonder dat er schade ontstaat en zonder dat de visstand achteruitgaat. Ik denk dat dat evenwicht te vinden is. Iedereen in deze haven is op zijn eigen manier net zo hard bezig met duurzaamheidskwesties als wij. Het is zeker een thema.’ In eerste instantie wil Keizer het gesprek afsluiten door mensen op te roepen duurzamer te leven, maar die boodschap is hem bij nader inzien niet concreet genoeg. ‘Eigenlijk bedoel ik: als je de keuze hebt tussen een gewone oplossing en een duurzame oplossing, kies dan de duurzame oplossing. Dan gaan we er met elkaar wel komen.’

‘Lauwersoog wordt ontmoetingsplaats economie en ecologie’ Albert Keizer

Een van die verhalen is het verhaal over het veen. Hoe belangrijk dat is werd me weer eens duidelijk tijdens de 4e editie van het Schuilingcongres over de toekomst van het veenlandschap in Fryslân. Een jaarlijks congres ter ere van de aardrijkskundedocent Roelof Schuiling.

Het veenprobleem in het kort

De toekomst van het veen staat onder druk. Niks doen betekent dat al het veen verdwijnt. Door ontwatering van het veengebied, noodzakelijk voor de intensieve landbouw, zakt het maaiveld soms wel tot één centimeter per jaar. Daardoor komt er zuurstof bij het veen, dat leidt tot oxidatie (verbranding) van het veen. Twee problemen dus: het verdwijnen van het veen betekent het verdwijnen van het specifieke ecosysteem dat daarbij hoort en de verbranding van het veen zorgt ook nog eens voor een enorme CO2-uitstoot.

Volg je het nog? Ik zou nu namelijk graag willen benadrukken hoe ernstig het is (!!). Maar onderzoek wijst uit dat negatieve waarschuwingen op deze manier alleen maar averechts werken (lees hier meer over in de column van Maartje ter Veen). Dus ik ga hier even op een andere tour. Letterlijk herhalen lukt me niet en heeft waarschijnlijk weinig zin. De sprekers van het Schuilingcongres wisten mij te inspireren met hun verhaal. Maar dat was live en het enige wat ik tot mijn beschikking heb zijn de digitale versie van pen en papier: een toetsenbord en internet.

Lesje aardijkskunde

Wat ik graag met je wil delen is de lessen die ik kreeg van de sprekers (had ik al gezegd dat één derde van de zaal uit aardrijkskundedocenten bestond?). Waarschuwing: ik ben een filosoof en geen geograaf, het is mijn interpretatie van de lezing en het zou kunnen dat ik niet alle feitjes goed heb meegekregen. Het gaat mij om de grote lijn van het verhaal en – vertrouw me – aan het einde komt het zelfs nog goed.

De eerste spreker was Dennis Worst, hij schrijft zijn proefschrift over veenvorming en veenontginningen in Friesland. Er zijn mensen die meteen enthousiast worden van de woorden GIF, hoogtekaart en boormetingen. Ik ben er daar geen van, het kostte mij dus enige moeite om het verhaal goed te kunnen volgen. Maar het enthousiasme van Dennis Worst zorgde ervoor dat zelfs ík het verhaal werd ingezogen (terwijl ik in mijn schriftje driftig woorden opschreef waar ik later toch even de betekenis van moest opzoeken).

Worst vertelde over het ontginnen van het veen in de middeleeuwen: “De mens probeert zijn omgeving zo goed mogelijk te benutten maar door de afgravingen en de bodemdaling komen ze in de problemen en wordt het water de vijand. Ze beginnen met het bouwen van dijken om het water tegen te houden,” vertelt Worst. “En daarmee hebben ze hun eigen graf gegraven, de corrigerende werking van het water hebben ze buitengesloten. De mensen waren niet in staat om over hun behoeften heen te kijken, om na te denken over de lange termijn,” zegt Worst.

Geen weg terug

Eddy Wymenga, directeur Ecologische Bureau Altenburg & Wymenga, neemt het stokje over en begint zijn verhaal met een quote van J.D. Botke uit 1932. De quote is in het oud friesch maar zover ik het begrijp komt het neer op de vraag: “Moet men eerst het mooie kapot maken om het later weer op te bouwen?” Wymenga sluit aan bij de inzichten van Worst: “Het landschap heeft het zwaar te verduren gehad onder de economisering. En dat is geen fenomeen van de laatste eeuw. Dat begint veel eerder. Ja, het is ook waar we onze welvaart vandaan hebben, maar nu zitten we met de problemen.”

Het beroep dat wij doen op het landschap neemt toe: verdijking, ontwatering, bodemberoering, precisielandbouw, bemesting en bestrijdingsmiddelen. Op een steeds dieper niveau tast de mens de grond aan. En dat heeft grote gevolgen volgens Wymenga: ‘Je kunt wel zeggen; we brengen het waterpeil omhoog, maar we kunnen niet meer terug naar de oude situatie.” De natuur heeft een enorme aanpassingskracht. Maar de veranderingen gaan nu zo snel, dat aanpassen onmogelijk wordt. Zo’n beetje de enige soorten die kunnen leven van de landbouw zoals hij nu is zijn de gans en de veldmuis. De biodiversiteit is nul.

Les één van Dennis Worst: de geschiedenis herhaalt zich. Les twee van Eddy Wymenga: we kunnen niet meer terug. Met je permissie sla ik een aantal lessen over om door te gaan naar de laatste les van de dag. Ik hou graag rekening met je aandachtsspanne en ik had je immers een goed einde beloofd.

De toekomst

De laatste les kreeg ik tijdens de laatste lezing onder de titel ‘Inbedding van problematiek met de veengebieden in het aardrijkskundeonderwijs.’ Enthousiaste docente Johanne Krol vertelde over het veldwerk dat ze deed met haar leerlingen. De leerlingen hadden grondboringen gedaan en de leerlingen gaven zelf aan dat ze er ontzettend veel van hadden geleerd. Het was vaak voor het eerst dat ze op die manier naar hun omgeving hadden gekeken en begrepen wat voor belangrijke invloed de bodem heeft. Het was tijdens die les dat de eerdere lessen voor mij op z’n plek vielen. Want als we willen leren van de geschiedenis moeten we beginnen bij het onderwijs. Hoe kun je ervan leren als je die geschiedenis niet kent? Want het is de volgende generatie die een nieuwe weg moet zoeken, we kunnen niet terug, alleen vooruit. Maar kennis van de geschiedenis is nodig om die toekomst te kunnen verbeelden.

Oké nog eentje dan. Johanne Krol zei het even tussen neus en lippen door maar voor haar leerlingen geldt: wil je leerlingen iets bijbrengen moet je het eindeloos herhalen. Misschien gaat het er aan het einde van de dag niet alleen om hoe je iets vertelt, maar vooral dát je iets vertelt.  Niet één keer, maar duizend keer.

Elk jaar vindt het grootste scoutingkamp van Europa, het Noordelijke Pinksterkamp, plaats in het Lauwersmeergebied.

 

KTF Fotografie Groningen

Sinds het expressionisme in Groningen 100 jaar geleden zijn intrede deed via de kunstkring ‘De Ploeg’ en na de Tweede Wereldoorlog via de kunstenaarsgroep ‘Yn ‘e Line’, staat het noordelijke landschap volop in de belangstelling van de schilderkunst.

In deze expositie is de top van de hedendaagse generatie landschapsschilders uit het noorden van Nederland vertegenwoordigd. Het onderwerp mag voor alle kunstenaars hetzelfde zijn, hun uitdrukkingsvormen zijn totaal verschillend. Het gehele scala van kunstuitingen, van realistisch tot abstract, komt aan bod.

Zeven Friese en zeven Groningse schilders bieden allemaal een volstrekt verschillende kijk op het Friese en Groningse land, de Wadden, de wolken, de vlaktes, de meren, de stilte en de dynamiek.

De opening van de tentoonstelling vindt plaats op twee momenten:
Op zaterdag 18 mei om 15.30 uur opent Bert Looper de tentoonstelling in de expositieruimte van Tresoar (Boterhoek 1, Leeuwarden). Richard ter Borg opent de tentoonstelling op zondag 19 mei om 16.00 uur in Galerie Forma Aktua (Nieuwstad 10, Groningen).

De exposerende kunstenaars zijn: Brunet Riegstra, Dinie Boogaart, Dirk Beintema, Geert Schreuder, Gerald Schuil, Gerrit Wijngaarden, Gertjan Scholte-Albers, Gert-Jan Veenstra, Huib van der Stelt, Irma Kamp, Marten van Holten, René Tweehuysen, Sip Hofstede, Ton Stoltenkamp.

‘In mijn longterm project #skyscape volg ik de Nederlandse luchten nu 495 dagen.Voor Noorderbreedte ben ik naar het Lauwersmeergebied geweest om daar de luchten in beeld te brengen.’

Meer luchten vind je op: www.svensleur.com

Van 1969 tot nu in 2019 – het Lauwersmeergebied is dit jaar 50 jaar geworden. Vijftien fotografen van de Fotosalon van Noorderlicht leggen identiteit van het gebied vast. Sander van der Bij beschrijft zijn invalshoek en werkwijze.

Concept

Als landschapsfotograaf kijk ik veel naar de kenmerken van een gebied, wat maakt nou een landschap?
Hoe ontstaat er een vorm van herkenning voor een stuk land en hoe pak je de identiteit van een
specifiek gebied?

Fotografie is een wat lastig medium om achteraf een identiteit mee te pakken, zeker na 50 jaar. Met
schilderen of tekenen ben je minder gebonden aan tijd, fotografie daarentegen pakt altijd
ingrediënten uit de wereld van vandaag en is per definitie dus altijd actueel.

Toch wilde ik als fotograaf liever niet een beeld maken van één korte periode uit één seizoen uit
één jaar, maar een overkoepelende foto die voor mij de identiteit beter weet te pakken van het
Lauwersmeer. Persoonlijk heb ik niet veel ervaring opgedaan in het gebied maar andere mensen zeker
wel, en om die ervaringen en vooral beeldtaal bij mijn werk te voegen heb ik een duik genomen in het
internet op zoek naar 100 foto’s van 100 verschillende mensen met hun eigen invalshoek, elk op een
andere dag.

Deze foto’s pluis ik helemaal uit. Waar ligt gemiddeld de horizon? Wat voor titel geven mensen aan
hun foto? Welke kleur is doorslaggevend?
Kortom alles wat een foto een foto maakt. Met deze verzameling van gegevens probeer ik dichterbij
de identiteit te komen van het Lauwersmeer en implementeer ik die kennis vervolgens in mijn eigen
interpretatie van het gebied.

Vergelijkbaar met de meer klassieke kunstvormen zoals schilderen, ligt mijn focus op het creëren
van een nieuw en overkoepelend landschap in tegenstelling tot het registreren van een huidige. Ik
wil dan ook mijn maquette in de foto terug laten komen om dit te laten zien. Mijn aquarium en het
Lauwersmeer hebben ook een leuke overeenkomst, het zijn beiden artificiële opslagen van water.

Analyse – Kleur

Van 100 foto’s heb ik de kleur gemeten boven de horizon (lucht), onder de horizon (land), en
daarnaast over de gehele foto in het algemeen. Het gemiddelde van alles heb ik vervolgens vrij
letterlijk in mijn maquette gebruikt via een scherm met de juiste RGB-waarden erop.

Ik heb uiteindelijk alleen de data gebruikt van de lucht, die je hieronder kunt zien. Mijn maquette
bestond voornamelijk uit lucht en water, en water neemt de kleur over van de lucht erachter.

Welke kleur is Lauwersmeer?

 

Analyse – Horizon

Door 100 foto’s op te delen in verticale gradaties van 20 heb ik gemeten op welke hoogtes in het frame, de horizon gemiddeld links en rechts het kader verlaat.

De horizon is een herkenbaar eigenschap van elke landschapsfoto, waar legt een fotograaf zijn of haar horizon bij een landschapsfoto van het Lauwersmeer?

Beeld

Op basis van de analyse kom ik dan met mijn eigen interpretatie van het Lauwersmeer, zoals je die op de foto kan zien.

In vier artikelen onderzoeken Sijas en Pauline de Groot, aan de hand van de geschiedenis van het bedrijf FA. H. de Groot & Zn., de verbinding tussen landschap en identiteit. Hun overgrootvader heeft het bedrijf begin 20e eeuw opgericht in Harlingen. Hoewel Sijas en Pauline zelf in andere steden van Nederland opgroeiden, voelen zij zich verbonden met het noordelijke landschap, de zee, de Waddeneilanden en de Friese havenstad.

Als kinderen hoorden Pauline en Sijas de verhalen van hun familie tijdens de wandelingen door Harlingen. Gebouwen en sluizen werden aangewezen: ‘Dit heeft je opa Rimke gemaakt samen met zijn broer Klaas’ en ‘Hier moest ik helpen spijkers rapen’. Tijdens deze wandelingen werden Harlingen en deze bijzondere bouwwerken daardoor ook van hen, de kleinkinderen.

In 2019 is het bedrijf, onder de naam Firma De Boer & De Groot, nog steeds toonaangevend op het terrein van beton- en waterbouw in Noord-Nederland. In de afgelopen eeuw heeft het vele ingrepen gedaan op de grens van land en water.

 

Onderdeel groter verhaal

Je kent de mens wellicht beter in zijn omgeving. Begin april hebben we afgesproken met familieleden in het huis van onze tante in Harlingen. Herke, zoon van Rimke de Groot, de vader van Pauline, is er niet bij – hij is overleden in 2013. In een lichte voorkamer zitten we rond een grote stapel bestektekeningen, foto’s, tekstmateriaal, boekjes en koffie. Voorzichtig beginnen we met vragen over de oprichting van het familiebedrijf. Het handschrift en de aantekeningen van onze opa Rimke maken de verhalen los, die af en toe onderbroken worden door een blik naar buiten. Er dwarrelt natte sneeuw en het hagelt. April doet wat-ie wil en het is ook nog oostenwind.

Wij, een schrijver en een theatermaker, zijn geïnteresseerd in de plekken waar onze opa Rimke samen met zijn oudere broer Klaas aan gebouwd heeft. De bruggen, steigers, de kades en de kapen in het Waddengebied: ze zijn allemaal onderdeel van het handschrift van de Firma in met name het Noorden van het land. In Harlingen heeft vrijwel elke sluis, elke kade met zijn walbeschoeiing en elk stukje remmingwerk zijn eigen verhaal. Het zijn korte anekdotes van een paar regels om een bepaald element in het landschap te omschrijven, deel uitmakend van een veel groter verhaal dat wordt vervolgd op een andere plek. Het zijn verhalen op de grens van land en zee.

Na een uur praten gaan we naar buiten. Een plan? De storm is overgewaaid.

Hoe gaan we lopen? Ooms en tantes stippelen een route uit. Langs het Bolwerk, door de Scheerstraat naar de Rommelhaven, naar de Hoogstraat, de Droogstraat, en tot slot de Bildtstraat, waar het allemaal begon. We kunnen de herinneringen volgen via singels over bruggen naar de plekken waar de familie vroeger woonde en werkte.

Een geschiedenis

 

 

Onze overgrootvader heette Herke de Groot. Zijn zoons Klaas en Rimke waren de tweede generatie in ‘de Firma’. De zoons van Klaas, Herke en Piet, zijn de derde generatie en hebben het bedrijf verder doen uitgroeien tot wat het vandaag de dag is: een moderne en slagvaardige onderneming in beton- en waterbouw, nu geleid door de zoon van Piet, Herke de Groot.

Overgrootvader Herke (geboren in 1885) is al vroeg een goede timmerman. Herke zit in de boerderijbouw, maar ook in die tijd trekt ‘Holland’ en hij bouwt mee aan het Kurhaus in Scheveningen. Als hij getrouwd is en zijn eerste kind krijgt, Klaas (in 1907), gaat hij terug naar Harlingen. Hij trekt in bij zijn ouders in het huisje bij de oliemolen en krijgt een baan bij aannemer J.C. Kooyman als timmerman. Kooyman wist dat Herke goed bestek kon lezen en een kostprijs kon berekenen. Kooyman stuurt Herke naar Vlieland als hoofduitvoerder.

In februari 1912 reageert Herke op een advertentie in de Harlinger Courant. Hij maakt een prijsopgave voor de vernieuwing van een aantal sluisdeuren van de Kleine Sluis. Zijn inschrijving blijkt de laagste te zijn en zo ontvangt hij zijn eerste klus. Aan de Zuiderhaven start Herke de Groot zijn aannemersbedrijf in de voormalige ‘tonnenschuur’.

In een pand aan de Bildtstraat dat voorheen als café dienstdeed, groeit het bedrijf en het gezin. De paardenstal dient als werkplaats. Als actief lid van de christelijke geheelonthoudersvereniging, de N.C.G.O.V., zeg maar ‘de Blauwe Knoop, vindt Herke dat er ook een vergaderzaal moet komen. Zijn zonen Klaas en Rimke (geboren in 1915) treden al gauw toe tot de Firma. De zonen van Klaas, Herke en Piet, groeien op al spelende in de werkplaats waar ook hun woonhuis is.

Bildtstraat 1

‘Vanuit het keukenraampje keek ik als kleine jongen uit op dat grasveldje onder aan de zeedijk’, vertelt Paulus, kleinzoon van oprichter Herke. ‘Hier bracht het korps van het Leger des Heils christelijke liederen ten gehore.’ Met zijn handen legt hij de omgeving uit: ‘Dat was hiernaast de Roptaweg en daar zo ongeveer met die heg mee stonden de nije huzen met kleine tuintjes ervoor.’ Onze tante begint meteen te zingen: ‘en de regen stroomde neer en de vloed kwam op…’ In de verte horen we de scheepshoorn van de veerboot naar de Waddeneilanden. We staan voor het huis Bildtstraat 1, dat er allang niet meer staat. Paulus vertelt: ‘De Firma verhuisde eind jaren vijftig van de Bildtstraat naar de Hoogstraat. Er was in de Hoogstraat meer ruimte ter beschikking. Het mooie pand op nummer 1 in de Bildtstraat is later afgebroken, er kwam nieuwbouw voor in de plaats. Mien vader vond dat verschrikkelijk.’

Naast de Bildtstraat 1 stond de werkplaats waar het bedrijfs zich vestigde toen het in 1946 de naam H. de Groot & Zn. kreeg. Harlingen was erg vervallen na de oorlog. Walbeschoeiingen stortten in elkaar, de Zoutsloot was nog een riool. Het zou tot in de jaren zeventig duren voordat Harlingen een ‘gewoon’ rioleringsstelsel kreeg. Er was volop werk.

Het gaat om de zee

We lopen de weg op die uiteindelijk toegang verschaft tot het Bildt, tussen de bomen door.

‘Ruik je dat? Akkerlucht, gier, jarre! De boeren binne oan it jarjen’, zegt Paulus.

We staan op de oude ringmuur en kijken uit op de visserijhaven, die aangelegd is in de jaren zestig. Daarachter de Waddenzee. Aan de horizon Vlieland en Terschelling, waar de Firma ook haar sporen achtergelaten heeft. Vooral bij stormweer en hoog water kon het weleens gevaarlijk worden. ‘Dan sloeg het water over de dyk heen’, vertelt Paulus. Hij voegt eraan toe: ‘Mien vader werd dan oproepen voor beperkte dykbewaking en ik dink oom Klaas oek wel.’

Links in de verte de aanlegsteigers voor de veerboten van Doeksen, rechts de Tsjerk Hiddessluizen, waarvan de naam werd onthuld bij de opening van het Van Harinxmakanaal in 1951. In de periode tussen 1948 en 1952 maakte de Firma twintig grote houten sluisdeuren. Allemaal met de hand. Niets anders dan vakwerk.

De oostenwind wil door onze winterjassen. We kruipen tegen elkaar aan op de brug over de sluis. Er is een grote en een kleine sluis, het water erachter beweegt in verschillende snelheden en patronen. Je kunt er uren naar staren. Elke dag hetzelfde, iedere dag weer anders.

Aan de ene kant van de sluisdeur is het water hoger dan aan de andere kant. We hangen met zijn allen over de reling van de brug. ‘Hier ging het allemaal om. De zee. Het keren van het water’, zegt een tante. Een ingreep van de Firma in het landschap.

Een schutsluis, of sas, is een kunstwerk dat het mogelijk maakt om schepen van het ene naar het andere waterpeil te brengen. Een keersluis of kering is een sluis die water keert, oftewel tegenhoudt. Doorgaans zijn de keersluizen aan twee zijden kerend en daarom uitgerust met een dubbel stel puntdeuren. De deuren in deze sluis zijn gemaakt van hardhout, in de bouwput.

Het is koud, we lopen de dijk af richting Doeksen, waar we even schuilen voor het gure weer.  Sijas koopt een kaartje voor de boot naar Vlieland voor volgend weekend. Het gesprek gaat door. We praten over het werk van de Firma en de rol van Rimke en Klaas in het bedrijf, nadat hun vader Herke een aantal jaren na de oorlog terug was getreden. Klaas was meer van het binnenwerk en Rim zat meer op de heibak. ‘Rimmert de Roppert’ is een bijnaam. Kreeg hij die door de manier waarop hij oude delen van walbeschoeiing verwijderde alvorens er opnieuw geheid kon worden? Of omdat hij tijdens de werkzaamheden op de heibak soms met zijn stem boven het geluid van het vallende heiblok uit moest komen? Wie zal het zeggen. Een andere bijnaam was ‘Rimmert de Klimmert’. Tot aan het begin van de oorlog blonk hij uit in gymnastiek en turnen. Deze hobby kwam hem in het werk goed van pas omdat hij soms de heistelling in moest klimmen, helemaal naar boven toe.

Over ‘Baas Klaas’ wordt gezegd dat wat zijn ogen zagen, zijn handen konden maken. In zijn vrije tijd zette hij zich in voor de kerk en dan met name het kerkelijke jeugdwerk. De jongeren liepen met hem weg.

We roemen Rimkes atletische vermogen, te zien op de foto waar hij aan het werk is in zijn overall, op zijn nette schoenen. We zien zijn kuif en een glimlach. ‘Nu pas wil je heel veel aan hen vragen. Vroeger deed ik dat niet en nu kan het niet meer’, zegt een van onze tantes.

 

 

Opa’s kuif

Wij, Pauline en Sijas, zijn kinderen van Herke en Paulus, de twee zonen van Rimke, van wie al vrij snel duidelijk werd dat zij niet verder gingen in het familiebedrijf van hun vader en oom. Zo gaat dat. Er is een grootvader en er zijn twee zonen. En die twee zonen, dat is al veel, maar als die twee zonen beiden ook nog eens twee zonen krijgen, ja… dan wordt het te veel.

Onze vaders Herke en Paulus hebben in hun jeugd wel gewerkt voor de Firma, gewoon als vakantiewerk en om te ervaren wat het werk inhield, maar ze hadden niet de ambitie om in de zaak te gaan. Ze hadden andere interesses en kozen andere studies. Herke, de vader van Pauline, is westerse sociologie gaan studeren aan de VU in Amsterdam.  Paulus, de vader van Sijas, godsdienstwetenschappen in Groningen.

We wandelen terug langs de Zuiderhaven. Door de ogen van onze familie leren we de invloed van het bedrijf de Groot op het landschap, de stad en haar omgeving steeds beter kennen. De herinneringen aan al deze plekken blijven levend zolang mensen ernaartoe gaan en zich de verhalen rondom deze plekken herinneren en erover vertellen. De stemmen van Herke, Klaas en Rimke klinken tussen de stenen, balken en het water. De geluiden worden sterker, de beelden scherper. De kuif van opa Rim waait in de wind en we zien zijn grove, sterke handen waarover hij zelf ooit zei ‘hânnen die heel wat ofwrôtten hewwe’.

 

 

Pauline de Groot is schrijfster en ecologisch pedagoog.

Sijas de Groot is theatermaker en houdt zich voornamelijk bezig met landschap.