Het landschap van ons allemaal

Op een koude middag vorig jaar in februari ging ik als verslaggever voor het eerst op pad om de vraag ‘van wie is het landschap?’ te beantwoorden. Noorderbreedte had me een jaar gegeven voor mijn zoektocht. Wekelijks sprak ik een landschapsgebruiker in Noord-Nederland. In losse afleveringen verschenen mijn interviewtjes op de website. Individueel laten ze ieder hun eigen licht op het landschap schijnen, maar samengeven ze een sentiment weer: een oprechte waardering ervoor. Soms ligt die waardering aan de oppervlakte. Neem Ted en Gre Dudink, toeristen uit Medemblik, die ik op het Dwingelderveld ontmoette. Ieder jaar gaan ze op vakantie naar Drenthe, want ‘Drenthe is prachtig, waarom zou je dan nog verder gaan?’ Skeeleraar Josephine Haisma had haar rolschaatsen al aan de wilgen gehangen, maar toen ze vanuit Den Haag naar Meppel verhuisde, vond zij het landschap daar zo mooi dat ze een manier zocht om het verder te verkennen. De skeelers kwamen weer uit het spreekwoordelijke vet. Henk Leutscher, stadsgids in Leeuwarden, is zo te spreken over zijn stad dat hij er rondleidingen geeft.

Bij anderen gaat de waardering verder, hun passie voor het landschap vertaalt zich in een drang om eraan bij te dragen. Landschapskunstenaar Jeroen van Westen verbindt elementen in het landschap om dat mooier te maken. Visser Martin Huizing houdt zijn stekkie schoon door iedere keer dat-ie naar het water gaat vooral rondslingerend afval mee terug te nemen, het gros van de vissen die hij vangt laat hij weer vrij. Weer anderen dragen bij aan het landschap door de gemeenschap erin bij elkaar te brengen. De gemeente heeft de molen van Harrie Barentsen onlangs van verlichting voorzien. Zoals Parijs de Eiffeltoren heeft, heeft Sumar zijn molen, die geeft de dorpsbewoners een identiteit. Ook carbidschieter Yoerie Renkema uit De Wilp draagt op die manier zijn steentje bij: op oudejaarsdag is iedereen welkom in de keet van zijn vriendengroep om de traditie bij te wonen; hij vindt de gezelligheid belangrijker dan het knallen. Hij deed me net als mountainbiker Eddie, jager Bastian en motorrijder Luca inzien dat ook mensen die het landschap lijken te verstoren er op hun manier aan bijdragen. Of het op zijn minst waarderen. Dus: van wie is het landschap? Wat mij betreft: van iedereen die eraan bijdraagt of ervan geniet. Belangrijk om daarbij te vermelden is dat het een het ander niet uitsluit. Op www.noorderbreedte.nl kun je al mijn gesprekken met landschapsgebruikers terugvinden. Laat me op de discussiepagina van onze website ook vooral weten wat het landschap voor jou betekent. Want de antwoorden op die vragen herinneren ons aan het belang ervan. •

Het is waardevol om af en toe ergens te zijn waar het anders is dan thuis. Je eigen perspectief bepaalt hoe je je omgeving ziet. Van dat perspectief word je je bewust als je ergens komt waar andere uitgangspunten gelden, waar mensen anders omgaan met de ruimte.

Voor een dienstreis was ik in Wit-Rusland. Onze delegatie woonde het 1000-jarig bestaan van de stad Brest bij. Onderweg van Minsk naar Brest passeerden we een torenhoge stalen bizon. Het teken dat we het oblast Brest, de zuidwestelijke regio van het land, binnenreden.

Tijdens de feestelijke ceremonie viel mij de rol van de bizon opnieuw op. Zangeressen brachten een ode aan het oerbos Bialaviezskaja Pusca, met haar ongerepte natuur en groot wild. Het lied werd gebracht op een gigantisch podium, ondersteund door een choreografie, perfect uitgevoerd door tientallen balletdansers. Een groot videoscherm op de achtergrond toonde de bizon in het wild. Ik interpreteerde het als een symbool van kracht en trots, dat de liefde voor het vaderland belichaamt.

In een stad als Brest is alles groots opgezet, met brede boulevards en hoge gebouwen. Wonen in torenhoge ‘Sovjet’-flats is voor het gros van de bevolking de normaalste zaak van de wereld. Niemand loopt er ooit door een rood stoplicht. Heel anders dan bij ons op het Drentse platteland, waar je kunt wegkijken en ik me vrij voel door de ruimte om me heen.

Op de terugweg, in het vliegtuig van Minsk naar Amsterdam, dacht ik na over de verweving tussen landschap en identiteit. In Brest bezingt men de schoonheid van Bialaviezskaja Pusca, maar doet Drenthe niet iets vergelijkbaars met de campagne ‘ontdek Oerdrenthe’? Ondanks dat wij niet eens echte oernatuur hebben.

Deze zomer zag ik in Nieuw-Buinen het theaterspektakel Mammoet, dat perfect past in de profilering van Drenthe als oerprovincie. Ook wij gebruiken dus iconen uit de natuur. Je zou kunnen zeggen dat deze mammoet onze bizon is, hoewel de maatschappijkritische invalshoek van het theaterstuk in Wit-Rusland ondenkbaar zou zijn. Het is ook voor ons een manier om de verbinding te maken met de geschiedenis die zich afspeelde in het landschap om ons heen. Het is maar net vanuit welk perspectief je het bekijkt.

Het is het verhaal van een Albert Heijn (AH), die verplaatst en vergroot is, die welkom is maar door zijn hervestiging het klantenbezoek naar andere winkels heeft verminderd. Het speelt in het Groningse wierdedorp Loppersum. Eigenlijk is het verhaal in Nederland al duizend keer verteld: een supermarkt in een oud dorps- of stadscentrum groeit uit zijn jas, gaat zich elders vestigen en neemt daarbij een flinke stroom klanten mee. Vaak is de hervestiging aanleiding om uitbreidingsbehoeftige buur-ondernemers mee te laten verhuizen en zo elders een nieuw winkelcentrum te maken met ruime parkeergelegenheid. De achtergebleven ondernemers moeten zich dan zien te redden in een stil geworden straat.

De nieuwe AH aan het nieuwe winkelplein in het centrum van Loppersum. Rechts van de Hubo-baniervlag is de foto van de Hogestraat op de achtergevel van het oude AH-pand te zien.

In Loppersum lag de oude AH aan de Hogestraat, de hoofdstraat van het dorp, die zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een gezellige winkelstraat. De middenstand heeft er veel te bieden, van vloerbedekking tot kleding, van biologische producten tot bloemen en boeken. Er is een drogisterij, een warenhuis en een kapperszaak. Zo’n dertien ondernemers kunnen er bestaan. Nu AH uit hun midden is verdwenen is, zoals gezegd, de loop uit de straat en zijn er dagen dat er geen mens is te zien. Het baart de winkeliers en veel dorpsbewoners zorgen. ‘Houden we de Hogestraat als winkelstraat nog wel vitaal?’ vragen ze zich af.

Het oude AHpand met daarop de foto met doorverwijzing naar de ‘verborgen’ winkels in de Hogestraat. Er is aan het eind van het steegje nog net een stukje Hogestraat te zien.

Op de gevel van de oude AH hangt, zichtbaar vanaf het nieuwe winkelplein, een grote foto van de Hogestraat met daarop de aanbeveling ‘Winkel verder in Loppersum’. Een pijl geeft de looprichting aan. Het is een poging om AH-klanten in de winkels van de Hogestraat terug te krijgen. De foto laat een gezellig straatje zien met winkels in mooie, oude pandjes. Een aantrekkelijk beeld, dat de aandacht volledig afleidt van de oorzaak van de ellende: de lange blinde muur waarop de foto bevestigd is. De muur is de achterkant van het oude AH-pand, dat de winkelstraat volledig aan het zicht onttrekt en deze ook nog eens een lange dooie wand bezorgt. Wat moet je met zo’n pand dat na verlies van zijn functie ineens aan alle kanten verkeerd staat? Het nodigt in elk geval niet uit tot een leuke herbestemming, bijvoorbeeld een bierbrouwerij of een evangelisatiecentrum. De raamloze wanden maken het gebouw eerder geschikt voor een kringloophal of clubhuis voor bikers.

De Hogestraat met winkels. Het oude AH-pand links scheidt de Hogestraat visueel en fysiek van het nieuwe winkelplein

In het wonderschone stadje Appingedam, vijf kilometer oostelijk van Loppersum, zijn net de HEMA en het postkantoor gesloopt. Twee ‘onmogelijke’ panden uit de jaren zeventig. Er werd nog jaren na sluiting gehoopt op een briljant vastgoedplan, maar nu is de sloopvlakte in het hart van het stadje dan toch een feit. Ook Appingedam heeft even buiten de kern een gloednieuw winkelcentrum met de grootste AH van Groningen. De oude kern heeft hier zijn tol voor moeten betalen met talloze winkelsluitingen.

Arnold Hol, eigenaar van de Hubo in Loppersum, vindt de winkelproblematiek van Loppersum een verkleinde versie van die in Appingedam. Hij spreekt zijn zorgen uit over de ontwikkelingen in de Hogestraat, maar voegt er tegelijk zijn ondernemende visie aan toe: ‘Er moet veel meer samenhang tussen het nieuwe winkelplein en de Hogestraat komen. Daarvoor moet de oude AH worden gesloopt, waardoor je de Hogestraat weer zichtbaar maakt vanaf het nieuwe plein. De open sloopruimte zou een spaarzame invulling moeten krijgen met een paar kleine winkels in een transparante architectuur met veel glas. Zo trek je AH-klanten op het plein richting Hogestraat.’ Hol voegt eraan toe dat de kioskachtige winkels met kleine gespecialiseerde assortimenten beheerd zouden kunnen worden door Lopster ondernemers.

Het idee van Arnold Hol spreekt ons erg aan. Het is overigens van alle oorden en gezindten dat centrumplannen maar half worden uitgevoerd. De ambities zijn meestal hoog waardoor planonderdelen niet of gefaseerd worden uitgevoerd: Aankoop van slooppanden kan worden vertraagd, evenals tracéherzieningen van ontsluitingswegen en de aanleg van parkeerplaatsen. Met alle schadelijke gevolgen van dien. In het geval van de oude AH gaat het om incourant vastgoed. Het pand hoefde niet meer te zijn dan wat het is: een stenen schuur voor de verkoop van kruidenierswaren. Alleen daar was het voor gebouwd. Nu het leeg staat valt op hoe lelijk het is en hoe misplaatst het staat tussen al die leuke winkels in de Hogestraat.

De nieuwe AH is een mooi bedrijf geworden met een goed ontworpen bistro (+Peil Architecten) als aansluiting van de supermarkt op de Markt. Alleen, een gebouw heeft vier zijden, die alle vier een stimulerende (en geen frustrerende) relatie met hun omgeving moeten hebben. De sloop van het oude AH-pand zorgt ervoor dat ook de vierde zijde van het nieuwe AH-pand een goede aansluiting krijgt op de oude kern van Loppersum.

Tussen de bomen Brasserie Meer, een geslaagde gecamoufleerde verbinding van de nieuwe AH met het Marktplein van Loppersum

Het huis blijft warm en ook het fornuis kan branden. Bijna niemand die merkt dat uit het immense gasveld van Slochteren jaarlijks minder gas mag worden gewonnen. Maar in het krachtenspel rond gas en olie gebeurt juist wel veel. In 2050 moeten burgers in een energieneutraal huis wonen. Nu nemen alle burgers een derde van het Nederlands energieverbruik voor hun rekening.

Nederland is rijk aan gasschatten. Het bekendst is de enorme gasbel van Slochteren, maar er zijn ook honderden kleine gasvelden waarmee in veel huishoudens nog jaren de kachel kan branden. Deze gaswinning was decennialang vanzelfsprekend, maar is dat nu niet meer. De aardbevingen in Groningen hebben het maatschappelijk verzet aangewakkerd. Nieuwe plannen van energiewinningsbedrijven stuiten bijna overal op verzet, zowel bij burgers als bij politici. Vermilion ontmoet protesten in Harlingen, Nieuwehorne en Oppenhuizen, Tulip Oil heeft de toorn van Terschelling over zich heen gekregen, Schiermonnikoog richt de pijlen op Engie en de NAM moet moeite doen om Ternaard en Moddergat te overtuigen.

Trots op gasbel

Heel anders was het een halve eeuw geleden. In 1972 waren de inwoners van het dorp Oppenhuizen trots op de gasbel, waarvan de NAM met een immense boortoren het bestaan had aangetoond. Veel dorpelingen rekenden zich rijk, het gas zou wellicht extra welvaart brengen. Maar de droom spatte uiteen, de vondst werd te klein geacht. Winning moest wachten.

Nu is het voor energiebedrijf Vermilion alsnog interessant om de 500 miljoen kubieke meter gas onder Oppenhuizen te winnen. Dat gebeurt binnen een tijdsbestek van tien tot vijftien jaar. Op zijn snelst is de start in de tweede helft van 2017, maar eerst wacht nog een lange weg vanwege bezwaarprocedures. De trots van de inwoners van toen is ingeruild voor zorg. Niemand zit te wachten op verzakkingen en schade aan huizen. De protesten vanuit de bevolking zijn duidelijk: ‘Laat ons niet zakken’.

Sentiment negatief

Het sentiment is negatief. Vermilion acht de kans op aardbevingen verwaarloosbaar voor Oppenhuizen. De bodem zal echter wel dalen, ook in de naburige stad Sneek. Zo’n twintig millimeter schat het Franse gasconcern. Uit een in opdracht van de provincie Fryslan en de gemeente Sudwest-Fryslan gemaakte contra-expertise komen ernstiger gevolgen: maximaal zestig millimeter bodemdaling en negentien procent kans op een aardbeving.

Zowel gemeente als provincie verzet zich tegen nieuwe gaswinningsplannen, ook al hebben ze er verder niets over te zeggen. De beslissingsbevoegdheid over mijnbouwactiviteiten ligt bij de rijksoverheid. Dorpsbelang haalt alles uit de kast, onder andere met een beroep bij de Raad van State. Het is raar om een winning toe te staan op basis van gegevens uit 1972, licht voorzitter Tsjerk Bouwhuis toe. ‘Beter is het te oordelen met de kennis van nu.’ Of gaswinning in Oppenhuizen valt te voorkomen, betwijfelt Bouwhuis. Volgens de wet mag het en hij ziet niet dat de rijksoverheid besluit om het roer om te gooien. ‘De politiek is er nog niet klaar voor. Ook wij snappen dat we in Nederland de komende decennia nog de kachel willen laten branden. We proberen daarom het beste eruit te halen en de schade te beperken.’

Er is op veel fronten actie. Na de NAM heeft ook Vermilion inmiddels een bodemdalingsovereenkomst getekend met de provincie Fryslan en Wetterskip Fryslan. Voortaan doet een onafhankelijke commissie uitspraak over schade door gaswinning. Voor burgers blijven zo ingewikkelde procedures achterwege. Bovendien komt er bij de start van nieuwe gaswinningen een representatieve nulmeting van gebouwen.

Olie- en gasbedrijven zoeken een nieuw maatschappelijk evenwicht om zo de komende decennia nog honderden miljarden kubieke meters gas te kunnen winnen. De uitkomsten van alle strijd van nu zijn waarschijnlijk maatgevend voor andere gaswinningsplannen in Nederland. Anders dan in het verleden zijn bedrijven ook bereid om de bevolking mee te laten profiteren van de baten van gaswinning.

Kleine speler

Tulip Oil, dat zich als kleine speler juist richt op exploitatie van kleine gasvelden, was net op tijd met de plannen voor de winning van zo’n 250 miljoen kubieke meter gas bij Donkerbroek, Hemrik en Akkrum. Sinds het voorjaar van 2015 loopt de meter. ‘In ruim twee jaar tijd hebben we dat voor elkaar gekregen’, licht woordvoerder Joost den Dulk toe. ‘Ons voordeel is dat we een kleine organisatie zijn.’

Heel anders is het op Terschelling. Tulip Oil uit Den Haag kocht in 2012 voor een appel en een ei het gasveld boven Terschelling. De basisinvestering van maximaal 450 duizend euro lijkt snel terugverdiend als eenmaal het gas stroomt. Met een beetje geluk is de opbrengst 5 miljard kubieke meter gas, hoopt Den Dulk. Vooreerst rekent hij op 2 miljard. Het plan van Tulip Oil om bij Terschelling gas te winnen, schoot de bevolking en de politiek in het verkeerde keelgat. Den Dulk stond in het voorjaar van 2015 op verschillende avonden in propvolle zalen met Terschellingers die zich grote zorgen maakten over de natuurwaarden van hun eiland. ‘We hadden commotie aan zien komen.’ Hij erkent dat er nog een lange weg is te gaan. Alle energie zet Tulip Oil nu in op de Noordzee, waar het bij IJmuiden uit een veld zonder veel problemen 15 miljard kubieke meter gas kan winnen.

Massaal verzet

Met handtekeningenacties en demonstraties op het Haagse Binnenhof was gaswinning bij Terschelling vanaf dat moment voor de politiek een heet hangijzer. Economisch profijt staat nog scherper tegenover het behoud van de natuurwaarden van het Waddengebied. De gaswinningsplannen bij Terschelling, Schiermonnikoog en Ternaard hebben opnieuw duidelijk gemaakt hoe behoedzaam politici manoeuvreren: het gas heeft een economisch belang. Het is inmiddels duidelijk dat nieuwe gaswinningsplannen in het Waddengebied uitgesloten zijn. Maar schuin boren vanaf de Noordzee of vanaf het vasteland is wel mogelijk. Dat is de uitkomst van een politiek compromis. Zo kan toch alsnog het gas uit de velden bij Terschelling en Schiermonnikoog gewonnen worden. En kan de NAM bij Ternaard 4 miljard uit het 25 miljard kubieke meter grote Pinkegatveld onder de Waddenzee vandaan halen.

Dilemma

Het is steeds een duivels dilemma, want er ligt in de kleine gasvelden zeker 200 miljard kubieke meter die technisch gezien gemakkelijk is te winnen. Als dat alleen naar de Nederlandse huishoudens gaat, kunnen deze er vijf jaar mee vooruit. Er is zelfs nog veel meer – een totale voorraad van 500 miljard kubieke meter – maar een groot deel daarvan valt niet of slechts met veel moeite of met veel kosten te winnen.

Het begerig oog richt zich meer dan voorheen op de kleine gasvelden, nu de gaswinning uit het Groningenveld tot 2022 in principe beperkt blijft tot 24 miljard kubieke meter per jaar. Het is een halvering ten opzichte van 2012. Jarenlang werd het grootste Nederlandse gasveld uitgeput om de financiele tekorten van het rijk aan te vullen. Van de oorspronkelijke reserve van naar schatting 2.800 miljard kubieke meter is nog zo’n 700 miljard over. Deze voorraad kan volgens plan over de komende vijftig jaar verdeeld worden.

Nederland telt 473 ontdekte kleine gasvelden, waarvan er 255 in productie zijn genomen. Niet allemaal zijn ze zodanig groot dat het ook lonend is om het gas te winnen. Dat is afhankelijk van de prijs van fossiele brandstoffen. Opvallend is dat de lage gasprijs zelfs bijdraagt aan een productiedaling uit de kleine velden. Producenten zijn in de afgelopen jaren minder gretig geweest, omdat de marges onder druk staan. Het maakt veel verschil als de gasprijs beneden de 15 cent zit, of op een veel lucratievere 25 cent.

Stormbal

De Nederlandse olie- en gasindustrie heeft daarom de stormbal gehesen. Want bij een lage gasprijs zoals in 2016 is er weinig lust om geld te steken in nieuwe gaswinningsplannen. Volgens secretaris-generaal Jo Peters van de in de Nogepa samenwerkende olie- en gasindustrie is de gaswinning uit de kleine velden in gevaar. Al over tien jaar is deze volgens hem verdwenen: weg infrastructuur, weg werkgelegenheid, weg miljarden euro’s aan inkomsten.

Jaarlijks wordt er 22 miljard kubieke meter uit de kleine gasvelden geput, zodat het einde snel nabij is. Er moeten nieuwe gasvelden bij komen, waarschuwt Energiebeheer Nederland (EBN), de partij die namens de staat steevast voor veertig procent participeert in gaswinningsprojecten. Uiterlijk 2030 ligt het omslagpunt dat Nederland niet meer zelfvoorzienend kan zijn met gas. Opmerkelijk, omdat ons land oorspronkelijk een kwart van de Europese gasvoorraad onder de grond had.

Voor rijks schatkist zijn de kleine gasvelden van toenemende waarde. De winbare voorraad gas in de kleine velden is goed voor een opbrengstwaarde van zeker 30 miljard euro. De teller loopt snel, want van de prijs van elke kubieke meter gas snoept de overheid ruim de helft af via diverse belastingen. Daarbij deelt de staat in de winst van elk gasveld door de participaties van EBN. Dit is een grote factor in alle afwegingen, los van zaken als de economische betekenis.

Ambitie

De urgentie is groot om niet meer afhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen. Nu staat Nederland met zes procent schone energie onder aan de Europese ranglijst. Het streven voor 2020 is veertien procent. De klimaat- en energiedoelstellingen zijn ambitieus: in 2050 moet ons land een volledig duurzame energievoorziening hebben. In deze rapporten staat echter ook dat de doelen niet zonder inzet van gas zijn te bereiken. Hoeveel wind- en zonnekracht we ook oogsten. Een kleine bijdrage levert het dorp Oppenhuizen. De bevolking zit boven op een gasbel, maar kijkt inmiddels heel anders aan tegen energiewinning. Juist in 2017 ligt er een plan voor een grootschalige zonneweide, langs de snelweg A7. Hij zal twee hectare groot zijn en kan vierhonderd huishoudens – bijna het hele dorp – van groene stroom voorzien. De dorpelingen willen zelf participeren en ook profiteren van zonnestroom. Dorpsbelang heeft het voortouw genomen. Voorzitter Bouwhuis: ‘Je kunt nee zeggen tegen gaswinning, maar dan moet je wel nadenken over alternatieven. We willen realistisch zijn. Hoe mooi is het om als dorp al over enkele jaren energieneutraal te zijn! Dankzij de zon.’

Het is goed mogelijk dat u nog nooit een heivlinder Hipparchia semele hebt gezien. Deze vrij grote dagvlinder is dan ook een meester in camouflage. Als hij met dicht gehouden vleugels op een stukje open zand zit, of op wat korstmossen of de stam van een grove den, valt hij bijna niet te ontdekken. Als hij eenmaal is opgeschrikt, flitst een opvallende oranje vlek met zwart oog op. De heivlinder heeft dan een fractie van een seconde de onderzijde van zijn voorvleugel laten zien en de waarnemer als het ware een knipoog gegeven: je ziet me… je ziet me niet! Door de voorvleugel razendsnel achter de achtervleugel te schuiven, verdwijnt het dier uit zicht. Daarbij weet hij zich ten opzichte van de zon zo te draaien dat hij zo min mogelijk schaduw geeft. En zie hem dan maar weer eens te vinden voor hij wegvliegt…

Een blik op de vleugels maakt onmiddellijk duidelijk dat de heivlinder familielid van het zandoogje is. Andere vertegenwoordigers van deze familie in Noord-Nederland zijn bijvoorbeeld het algemene bruin zandoogje, het bescheiden hooibeestje en de sterk afgenomen argusvlinder. Van de verschillende zandoogjes stelt de heivlinder de hoogste eisen aan zijn leefomgeving. Hij is strikt gebonden aan de zandgronden. Die delen van Groningen, Friesland en Drenthe met klei- of veengronden mijdt de heivlinder dan ook. Dat de ene zandgrond met zijn bril op de andere niet is, laat het verspreidingsbeeld op de kaart goed zien.

Deze soort moet het in zijn leefgebied hebben van open zand. Een eerste reden voor deze voorkeur is de bijzondere balts van de heivlinders. Waar andere vlinders gewoon paren, of in een baltsvlucht door de lucht dwarrelen, gaat bij de heivlinders het mannetje naast het vrouwtjes in het zand zitten. Hij klappert opgewonden met de vleugels, richt zich hoog op de poten, opent zijn vleugels en buigt zich voorover. Dan klemt hij een of beide voelsprieten van het vrouwtje tussen zijn vleugels. Daarna beweegt hij achteruit totdat de voelsprieten weer loslaten, loopt zijdelings om het vrouwtje heen en begint te paren. Zoals adolescente mannen op de dansvloer van de discotheek een vrouwtje versieren alvorens tot paarvorming over te gaan.

Het vrouwtje zoekt na de paring een heel specifieke plek om de eitjes af te zetten. Dit doet ze op of vlak bij een pol schapengras, maar alleen als zo’n pol in het open zand staat. Om zich te kunnen ontwikkelen hebben de rupsen warmte nodig en het moge duidelijk zijn dat zo’n sprietje gras in een kaal stukje ‘brandend’ zand veel sneller opwarmt.

Gebieden met open zand zijn in ons rijk bemeste Noorderland nog slechts te vinden op sommige heidevelden en in de duinen van de Waddeneilanden. Het Aekingerzand bij Appelscha is een topgebied voor heivlinders. Hier zijn nog stuifzanden waar je op een mooie dag tijdens de vliegtijd van heivlinders (half juli-half augustus) honderden heivlinders kunt zien. Ook de bezoeker van de blanke top der duinen maakt kans heivlinders te treffen. Daar verzamelen ze boven op het duin, of warmen zich op in de door menselijk gestruin op de duinhelling uitgesleten zandbanen.

Helaas worden de heivlinders steeds schaarser. De continue deken van stikstof die uit de lucht op hun leefgebied neerdaalt, is daar een oorzaak van. Hierdoor zien we duinen vastgelegd raken door lange grassen, pakketten grijs kronkelsteeltje en duindoorns. Op de heidevelden valt door beheerders bijna niet tegen deze ongewenste stikstoflast op te maaien, begrazen en plaggen. In de recente atlas van de dagvlinders in Drenthe staat dan ook dat het aantal kilometerhokken met heivlinders sinds eind vorige eeuw grofweg gehalveerd is. Hierdoor komt er nu een probleem bij voor deze toch al getergde vlindersoort: geïsoleerd geraakt in steeds verder van elkaar gelegen leefgebiedjes ligt inteelt op de loer. Eenmaal van een plek verdwenen zal deze soort, die zich slechts over een afstand tot vijftien kilometer verspreidt, deze niet snel opnieuw weten te koloniseren. Willen we ons blijven verwonderen over de knipoog van de heivlinder dan is zorgen voor schone lucht een must.

Twee weken lang sieren kleurrijke tentjes het landschap rondom het kantoorgebouw van Staatbosbeheer. Vanuit alle windrichtingen vinden circa twintig vrijwilligers van over de wereld hun weg naar Oudemolen. Ze hebben de handen uit de mouwen gestoken en Staatsbosbeheer bijgestaan met het hooien, het verwijderen van berken en vogelkers en het verzorgen van jeneverbesstruiken. Maar wat brengt hen hier?

Wojchieck Jach

De drieëntwintigjarige wiskundestudent is samen met zijn vriendin Martha vanuit Polen naar het pittoreske Oudemolen afgereisd. Wojchieck is een graag geziene vrijwilliger, binnen de groep staat hij bekend als een harde werker. Net als de andere achttien deelnemers heeft hij zich aangemeld als vrijwilliger via de SIW Internationale Vrijwilligersprojecten. Deze Nederlandse uitwisselingsorganisatie verzorgt wereldwijd verschillende groepsprojecten waarbij cultuur, gezondheid en duurzaamheid centraal staan. Dankzij hen is het selecte internationale gezelschap in Oudemolen tot stand gekomen, al twaalf jaar lang werken zij samen met Staatsbosbeheer.

De keuze voor Oudemolen als bestemming ligt voor de hand. Het kleine dorpje is gelegen in het prachtige nationale park de Drentsche Aa, waar de natuur veelzijdig is. Toch zijn veel deelnemers door toeval hier terecht gekomen omdat zij gestuurd werden vanuit een internationale uitwisselingsorganisatie. De verrassing is des te groter wanneer de vrijwilligers kennismaken met de schoonheid en veelzijdigheid van het landschap. Zo ook voor Wojchiek. ‘Met verwondering kijk ik naar Drenthe. Met name de heide – eind augustus een prachtige paarse weelde – spreekt me aan. De afwisseling van gesloten en open landschap in de vorm van weilanden en bosgebieden vind ik erg mooi, het is uniek.’

Ryousei Kochikawa

‘Ik geniet deze weken het meest van de frisse lucht, de ruimte en de rust die de Drentse natuur me biedt’, aldus Ryousei. Hij is vanuit Japan naar Nederland afgereisd. Voordat hij neerstreek in Oudemolen heeft hij een aantal dagen sightseeing gedaan in Rotterdam en Amsterdam. Ryousei woont en studeert in de miljoenenstad Nagoya. Voor de achttienjarige student Chinees en Engels is het verblijf in Oudemolen in groot contrast met het dagelijkse leven in een metropool.

Het meest opmerkelijke vond Ryousei zijn eerste ontmoeting met een schaapskudde. ‘We hebben bij de schaapsherder in De Strubben Kniphorstbos nabij Anloo een kudde mogen ‘herderen’. Alle vrijwilligers namen de taak van de schapenhonden over, we hebben hier veel lol om gehad. Ik maakte voor het eerst kennis met een schaap, want afgezien van muizen, honden en katten zie ik weinig andere dieren in mijn woonplaats.’

Staatsbosbeheer staat er deze twee weken niet alleen voor als het gaat om het faciliteren van activiteiten. Kees van Son, medewerker bij Staatbosbeheer, vertelt dat hij de afgelopen weken veel betrokkenheid vanuit de omgeving heeft ervaren. ‘De vrijwilligers hebben naast het bezoek aan de schaapskudde ook rond mogen kijken bij kamp Westerbork, wadgelopen, een rondleiding gehad in de molen van Oudemolen en het Boomkroonpad bij Borger bewandelend. Elke ochtend mogen we brood halen bij de bakker in Rolde en er wordt gegeten bij gastgezinnen uit de buurt. Vanuit mijn woonplaats Appelscha worden er fietsen beschikbaar gesteld. Er heerst deze weken een gevoel van saamhorigheid’.

Isla Nicolson

‘De afgelopen weken heb ik van veel verschillende werkzaamheden kunnen proeven. We hebben gehooid, jeneverbessen schoongemaakt en waterplanten verwijderd. Het bevalt me goed om op deze manier kennis op te doen’, vertelt Isla. Via vrienden werd ze op het vrijwilligersproject in Oudemolen gewezen, waarna ze besloot zich voor haar eerste klus als vrijwilligster bij SIW in te schrijven. Voor de achttienjarige Londense is het niet de eerste keer dat ze Nederland bezoekt, ze heeft Nederlandse roots.

Het ‘schoonmaken’ van een Pingoruïne is voor Isla een van de hoogtepunten. De ruïnes zijn restanten van heuvels die gevormd werden in de laatste ijstijd. Ze vormen nu kleine kraters in het noordelijke landschap en liggen vaak verscholen onder veen en andere plantenresten. Isla, lachend: ‘Aan de telefoon vertelde ik mijn vriendin dat we een Ognip gingen schoonmaken. Ognip is het begrip dat we in onze geografiecolleges gebruiken voor een ingestorte, omgekeerde Pingo.’ Ze heeft ook erg genoten van het wadlopen. ‘Ik voelde me als een kind in het water.’ Ilsa heeft een grote interesse in fysische geografie en gaat waarschijnlijk een opleiding in deze richting volgen.

Er is de afgelopen weken een hechte band ontstaan tussen de vrijwilligers. Naast het harde werk is er in het weekend en in de avonduren ook tijd voor ontspanning. Ze hebben onder andere een uitstapje naar de stad Groningen gemaakt. ‘De oliebollen waren hier erg lekker!’, vertelt Isla.

Marìa Picazo

‘Het eerste wat me opviel tijdens de introducerende fietstocht door het Drentse landschap was de gelijkenis met mijn thuisland’ vertelt de Mexicaanse Maria. Maria woont in Aguascalientes. Deze hooggelegen stad ligt in het midden van het land en is relatief ‘vlak’ ten opzichte van de rest van het Mexicaanse landschap. ‘Net als in mijn woonplaats is het landschap hier niet heel heuvelachtig. Ook de hoge temperaturen en de verdroogde natuur doen me aan thuis denken. Het grote verschil is dat ik vanuit mijn woonplek uitkijk op de Cerro del Muerto, ofwel ‘dode man heuvel’. In Drenthe zal ze misschien op grafheuvels stuiten.

Maria vond het heerlijk om met lieslaarzen in het water te staan. ‘In samenwerking met Landschapsbeheer Drenthe hebben we in Schipborg een ven ontdaan van waterplanten. Het was erg leuk om in het water te werken. Het wadlopen daarentegen was een van mijn minder favoriete bezigheden. Tijdens de rondtocht bij Noordpolderzijl bleef ik voortdurend vastzitten in de modder, het was een zware tocht.’

In de ochtend werkt de student duurzame-energie in een callcenter, in de middag en avond besteedt ze haar tijd aan studeren. Op haar vrije dag, zondag, studeert ze ook nog eens Japans. De werkzaamheden voor Staatsbosbeheer ervaart ze als een welkome afwisseling van haar drukke leven in Mexico. Het bevalt haar hier, ze is zich aan het oriënteren op een Masterstudie in Nederland. ‘Het vlakke land van Drenthe en omstreken geeft mij een thuisgevoel.’

Aan de vroegere rand van dorpen zie je soms van die merkwaardige, wegkwijnende, grote panden. Ooit woonden er oudere mensen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn er heel wat gebouwd: bejaardenhuizen waar gepensioneerden van hun oude dag mochten genieten. Ze waren moderne uitvoeringen van de proveniershuizen, de begijnhoven en armenhuizen. Een eerbetoon van onze voorouders aan degenen die hen hadden opgevoed. In de jaren zeventig werd ‘bejaard’ een vreselijk woord en bouwden we verzorgingshuizen (vaak gestapeld) en aanleunwoningen voor ouderen met gezondheidsproblemen. Sinds 2015 doen we het weer een slag anders: alleen ouderen met ernstige gezondheidsproblemen wonen in instellingen. Thuis oud worden is nu de norm. In vier jaar tijd is het aantal ouderen in een instelling met een kwart gedaald (tot 117 duizend). Dat scheelt heel wat geld – thuis wonen is goedkoper voor de samenleving. Bovendien sluit het beter aan bij wat mensen willen; velen willen helemaal niet verhuizen.

De vergrijzingsgolf is nog maar net begonnen. Bovendien: de mensen die nu op leeftijd zijn, blijven langer leven – ook als ze een lichamelijk of geestelijk gebrek hebben. Het aantal mensen dat meervoudige zorg nodig heeft, zal dus nog stevig groeien. Daarom zoekt de minister van Volksgezondheid gretig naar innovatieve routes om deze mensen zorg te kunnen bieden tegen zo laag mogelijke kosten. De Groninger zorginstellingen en overheden vonden bij hem dus gewillig gehoor toen ze in eind vorig jaar aankwamen met een visie om de zorg anders aan te pakken.

Het initiatief om met elkaar aan tafel te gaan en een grote deal te sluiten, kwam van de Nationaal Coördinator Groningen. In plaats van de vele verpleeghuizen en instellingen stuk-voor-stuk te versterken en vernieuwen vanwege de aardbevingsschade, schetsten zorgverleners, gebouwenbezitters, overheden en verzekeraars een moderne zorgsector die rekening houdt met een krimpend aantal inwoners. Het plan behelst onder meer om een flink aantal zorggebouwen te slopen en een klein deel te herbouwen in een nieuwe vorm.

De crux van deze Groninger aanpak zit in het mengen van bewonersgroepen. Nu nog krijgen ouderen, lichamelijk en geestelijk hulpbehoevenden zorg vanuit afzonderlijke gebouwen. Om in de krimpende regio’s mensen toch dicht bij huis te kunnen verplegen, worden de nieuwe gebouwen ontworpen voor een gemêleerde groep bewoners. Ouderen, gehandicapten, mensen die gerevalideerd worden en mensen die psychiatrische zorg nodig hebben komen soms in één gebouw – bijvoorbeeld tegen een huisartsenpost of school aan. Zo kunnen mensen na een opname nog redelijk in de buurt van hun oude woonomgeving blijven, is het idee. Instellingen kunnen de personeelslasten delen en dorpsbewoners vinden er werk. Op 11 maart kwamen twee ministers naar Groningen om hun handtekening te zetten onder het Groninger Zorgakkoord, – een uitwerking van de zorgvisie voor zover het gebouwen betreft. Een investeringspakket ter waarde van 331 miljoen euro. De zorginstellingen en gebouweigenaren hebben dat bedrag deels zelf bijeengebracht, het is aangevuld met de versterkingsgelden van de NAM, middelen uit de pot van het Nationaal Programma Groningen terwijl de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een bonus gaf. Samen moet het genoeg zijn om de ‘zorggebouwen van de toekomst’ neer te zetten. En de oude te ontruimen. Twintig zorggebouwen verliezen hun functie en op zeven plaatsen worden aanleunwoningen verbouwd tot aardbevingsbestendige gewone woningen. Op negen plekken komen nieuwe instellingen waar jong en oud door elkaar heen worden verzorgd. De zorgvernieuwing zit hem echter niet zozeer in de gebouwen maar in de opdracht om zorg dichter bij huis te bieden en ouderen en hulpbehoevende langer thuis te laten wonen. Daarvoor moeten er hulptroepen om de mensen heen komen. In de provincie Groningen zijn relatief veel particuliere burgerinitiatieven en zorgcoöperaties actief. Dat gaat niet alleen om fysieke zorg, maar ook om hulp op afstand via bijvoorbeeld e-health en domotica. In de Groninger Zorgvisie reizen specialisten bovendien vanuit een expertisecentrum in Delfzijl naar de patiënten in de regio toe. Ook zij kunnen innovatieve technologieën gaan benutten.

 

Over vijf jaar staan er in het aardbevingsgebied negen nieuwe zorgcentra. Naast de armenhuizen en voormalige bejaardenhuizen prijken aan de dorpsranden dan wellicht ook nog enkele voormalige verzorgingshuizen uit het begin van de 21e eeuw. De meeste zullen echter gesloopt worden, want het budget om deze gebouwen aardbevingsbestendig te maken is overgeheveld naar de nieuwe panden. Daar waar ooit verzorgingshuizen stonden, zal dan hopelijk een park aangelegd zijn. Een openbare groene ruimte met veel bankjes. Ouderen kunnen er even op adem komen en voorbijgangers vertellen over wat hier vroeger was.

Een enkeling zal memoreren hoe de woorden van het zorglandschap tijdens haar leven zijn gewijzigd: ‘armen’ transformeerden tot ‘bejaarden’, ‘patiënten’ tot ‘cliënten’, en daarna kregen ouderen een cijfer. Want sinds 2015 worden de ‘zorgbehoeften’ afgemeten in zorgzwaartepakketten en is de hoogte van dat zorgprofiel allesbepalend voor waar je woont. Wie niet hoog genoeg komt, moet thuisblijven en rijdt als het meezit met de elektrische ‘pride-to-go’ naar het park. De plek waar ooit oude mensen verzorgd werden.

Deze kerstdagen doken we, gewapend met laptops, onder in BoLo, de nieuwe troetelwijk van hip en booming Amsterdam. Het was een soort CSI, omdat we tussen de schrijfuren door fietstochtjes maakten door de naoorlogse wijken waarover in maart een boek verschijnt. BoLo, wij moesten ook even wennen, staat voor Bos en Lommer en is de eerste wijk waar vlak voor 1940 de stedenbouwkundige en architectonische idealen van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) uit 1934 werkelijkheid werden. De ambitie was groot: zoals de maatschappelijke verhoudingen van de zeventiende-eeuwse koopmansstad in de grachtengordel hun uitdrukking kregen, zo moesten de waarden van de twintigste eeuw gestalte krijgen in het AUP. Dit was de eeuw van de sociale gelijkheid, de vrije mens die zichzelf kon ontplooien en in moderne flats woonde te midden van een uitgestrekt parkenstelsel. Het geloof in de maakbaarheid van de mens stolde in moderne architectuur en een geabstraheerd ontworpen polderlandschap. Het gezin vormde daarin de module. De wijken waren de etalage van een modelsamenleving, die in luttele jaren werd opgebouwd.

De afbraak ging zo mogelijk nog sneller: tegelijk met het einde van de maakbaarheid werden de groene stadsuitbreidingen successievelijk tot periferie, no-gogebied en prachtwijk verklaard. Maar BoLo kwam er weer bovenop en werd centrum, de overige wijken zullen volgen. Waar de biologische hipsterfrietzaak nu nog naast de Indiase bruidsjurkenwinkel zetelt, heeft de betutteling plaatsgemaakt voor creativiteit en hippe lifestyles van multiculturele snit. Gentrification, alweer een Engelse term, zo heet het fenomeen waarbij buurten van kleur verschieten door verStarbuckisering en stijgende huizenprijzen. Voor de wijken van het AUP een onvermijdelijk proces; de marktwerking heeft haar eigen maakbaarheid.

De periferie van Amsterdam wordt centrum – hoe zit het met de periferie van de Randstad? Daar ligt de stedenbouwkundige onderneming waarmee de verzorgingsstaat zo ongeveer is uitgevonden. In de Kolonien van Weldadigheid is vanaf 1818 volop geexperimenteerd met de mens als onderwerp van staatsgestuurde social engineering. Duizenden paupers uit de verarmde Hollandse steden belandden via crowdfunding (voor 1.600 gulden kon je, heel weldadig, een gezin voor 16 jaar wegzenden) op de arme Drentse en Overijsselse zandgronden – zonder boerenverstand, en nog zonder kunstmest. In deze mini-maatschappij droegen kolonisten koloniekleding en werd iedereen continu in de gaten gehouden. Maar er was ook godsdienstvrijheid, een ziekenfonds en leerplicht. Ook deze utopie hield het niet lang vol en werd niet de plek waar oplossingen werden gevonden, maar waar problemen zich opstapelden.

Volgens ons is het een kwestie van tijd voordat de onderscheidende kwaliteiten van dit staatslandschap herontdekt worden. In een drukke wereld worden splendid isolation, onthaasting, landschap en verte schaarse goederen. En we weten wat er dan met de prijs gebeurt.

In de hal hangt een foto van de oude Aebinga State, met Pixelhobbypixels ingezet. In mei 2010 brandde de monumentale boerderij van de familie Reitsma af. Binne Reitsma en zijn vrouw waren op de camping in Makkinga. Hun oudste zat in Nigeria, hun dochter en tweede zoon waren op stap in Dokkum. Zij waren de eersten die het hoorden, van de taxichauffeur. Binne en Nel hadden nog wat kleren in de caravan, verder was alles weg.

Nu is het eind december, 2016, tussen kerst en oud en nieuw. De donkere dagen, maar vandaag schijnt de winterzon. Reitsma zit aan de keukentafel, in een keuken zoals je in nieuwbouw ziet. Modern spul. Alles is weer opgebouwd, op dezelfde plek, aan de Ljouwerterdyk buiten Blije, Noord-Friesland. Niet in de originele staat maar in de staat van nu: een modern woonhuis en een moderne schuur voor de opslag van aardappelen, uien, bieten, machines.

Je krijgt het niet cadeau. Reitsma heeft een baan van zeventig procent als docent op de agrarische school in Leeuwarden. Nog eens die tijd gaat op aan het werk op de boerderij, de akkers, de weiden. Dat maakt een werkweek van 140 procent, minstens. Het is elke dag vechten voor een bestaan. Je bouwt wat op met elkaar, en kunt het door pech, toeval of de natuur zo weer kwijtraken. Dan is het uithuilen, opstaan en weer doorgaan.

Hij pacht de boerderij en 36 hectare grond van de Stichting Old Burger Weeshuis in Leeuwarden. Wezen zijn er al lang niet meer, maar de stichting leidt nog een florerend bestaan als weldoener en grootgrondbezitter. Reitsma heeft 30 dertig hectare in eigendom. Hij heeft 25 hectare pootaardappels, 5 ui, 6 suikerbiet, 5,5 graan. In de zomerpolder buiten de Waddendijk grazen van april tot de late herfst zijn 200 schapen.

De zilte, buitendijkse wei en kwelder bij Blije zijn samen een waterstaatkundig uitzonderlijk stukje Nederland: Blija Buitendijks, ’s lands kleinste waterschap. Reitsma zit in het bestuur. Het gebied, honderd hectare, ging niet mee toen de Friese waterschappen in 2004 opgingen in Wetterskip Fryslan. Er was geen belangstelling voor, volgens Reitsma. Door buitendijks ‘eigen baas’ te blijven, konden een paar buiten de dijk boerende boeren er op een boerenmanier blijven beheren. ‘Boeren is en blijft een economische activiteit’, zegt Reitsma.’Het is de bedoeling dat de grond wat opbrengt. Het kan niet gratis. Als het voor niks moet, zijn we verkeerd bezig.’ Hij doet wat in agrarisch natuurbeheer, met een vogelakker, en ‘strookjes met het een of ander’. Hij is de beroerdste niet. Maar boeren zijn er niet voor de bloemetjes en de bijtjes, en ook niet voor de grutto’s, maar voor aardappels, graan, vlees, melk.

Er woont geen mens in Blija Buitendijks. De grond is van de weeshuisstichting, It Fryske Gea, een paar boeren. Een gebiedje met een kleine economische en een grote natuurwaarde; zomerpolder en kwelder, van elkaar gescheiden door de zomerdijk. Het overgangsgebied tussen land en zee is een pleisterplaats voor kust- en weidevogels, en voor ganzen, voor landbouwers een van de plagen van Egypte.

Door er in de geschikte seizoenen schapen te laten grazen, paarden, pinken en ‘droge koeien’ (pas gedekt, tijdelijk geen melk) halen de boeren het beetje gewin dat er in de grond zit eruit. Gemiddeld een keer per jaar, meestal ’s winters, komt de zee over de dijk en loopt het tot aan de zeekering onder. Dat is, met de beesten binnendijks, geen ramp. Als er veel slik meekomt, wordt het in het voorjaar wat later groen.

Een gewoon waterschap zorgt voor de kwaliteit van het oppervlaktewater, voor de waterstand, -kering, de zuivering van afvalwater. Voor wat met een kranig eufemisme ‘droge voeten’ heet. Het heeft een dijkgraaf en doet mee aan de waterschapverkiezingen. Bij Blija Buitendijks is dat allemaal niet aan de orde. Het waterschap, bestaand uit Binne Reitsma en Tjalling de Jong, zorgt dat ‘de boel een beetje netjes blijft’, dat de zomerdijk er als een dijk blijft uitzien, dat het water in en uit kan. Van de zeewering tot de zee lopen afwateringssloten, met in het midden, bij de zomerdijk, een afwateringsklep. Die werkt door de zwaartekracht: hij opent zich naar zee toe bij overtollig regenwater in de polder, bij vloed gaat hij de andere kant op. De klep is het belangrijkste instrument van het buitendijkse waterbeheer: water erin laten en er weer uit. Het gaat vanzelf.

De afgelopen dagen was het hoog water. De kerstdagen werden gevierd met een schuin oog op een telefoonapp met de waterstanden. Verderop liep het even vol, zegt Reitsma. Inmiddels is het water weer gezakt. Reitsma is aan het werk, met de heftruck en kisten pootaardappelen, in overall, werkjas, op klompen. Er gaan leveringen naar Irak, Algerije, Syrie, naar Israel, Jemen. Aan de aardappels ligt het niet, daar. Boven in de schuur, met een trap te bereiken, is een cabine waar de aardappels op een band doorheen lopen. Nel en volwassen zoon Bartel, die op termijn de boerderij overneemt, zitten aan weerszijden van de band tegenover elkaar en lezen gemankeerde knollen eruit, aardappels met butsen, schimmel, rotte plekken. Reitsma doet een greep in een kist met uitvallers, die tot veevoer worden verwerkt.

We rijden naar de zeedijk, erop en erover, de zomerpolder van Blija Buitendijks in. Langs de dijk, voorbij hekken die Reitsma opent en sluit, een stuk vervaarlijk schuin over de zeekering, tot bij nog een hek. Daar klimmen we overheen, voorzichtig, kijk uit. Het is noordwestenwind. De grond is drassig. Verderop op zee gaan de boten van de veerdienst Holwerd-Ameland.

Het waterschap, bestaand uit Binne Reitsma en Tjalling de Jong,
zorgt dat ‘de boel een beetje netjes blijft’

Grote stukken van de kwelder staan onder water. Kwelder en zomerpolder liggen op 1,50 meter boven NAP, de zomerkade die ze scheidt ligt op 2,50 meter. Sinds het drama met de paarden bij Marrum in 2006 vindt It Fryske Gea dat vanaf half oktober alle vee binnen de zeedijk moet zijn. Reitsma had hier tot Sinterklaas schapen lopen. Het is opletten. Als het om acht uur hoog water is, moet je om zes uur je schapen op het droge hebben, op de zeedijk. ‘Als het water over de zomerdijk komt, haalt het je in.’

Het tweepersoons waterschap zorgt voor drinkwater voor de beesten. Reitsma wijst op een betonnen bak, twee dobbes verderop. Een paar keer per jaar belt hij met It Fryske Gea, dat de afwateringsloten moet ontdoen van aanslibsel en plantengroei. Bij het punt waar de sloot de zomerdijk raakt, kijken we naar beneden. Hier bevindt zich de klep waar we het eerder over hadden. Hij staat bijna helemaal onder water. Er is niets van te zien.

We kijken richting land. Tegen de dijk aan zit een grote kolonie brandganzen. Vijanden van de boer. Ze maaien het gras onder de voeten van Reitsma’s schapen weg. Het is een ongelijke strijd. De ganzen zijn sneller, beweeglijker, slimmer. Reitsma is ook voorzitter van de LTO Noordafdeling Ferwerderadiel en Leeuwarderadiel. Je doet wat je kunt, maar tegen de ganzen is geen kruid gewassen. Je kunt er af en toe een afknallen. ‘Het Faunafonds gaat ze nu wegjagen, met laserpennen.’ ‘We willen het buitendijks land voor de boeren behouden.’ De tendens is, zegt Reitsma: steeds meer ruimte voor de natuur, en steeds minder voor de boeren. Het is het een of het ander: komt er bij het een wat bij, gaat er bij het ander wat af. ‘Tegenwoordig is het: laat de natuur haar gang maar gaan. De natuur, de vogels: fantastisch. Als ze niet aan mijn brood komen, heb ik er geen last van.’ Maar dat komen ze helaas wel. Ze gaan voorlopig nog door met het waterschap, zegt Reitsma. Het is niet veel werk. Hij betaalt de rekeningen van het waterbedrijf. Er is weer een administratie. Het postadres was het enige wat niet afbrandde, in 2010. Het is eindig, Blija Buitendijks. Hij doet de administratie, het andere bestuurslid doet het toezicht.’Als een van ons zegt: we zetten er een punt achter, houdt het op.’

Terug naar de boerderij, waar het werk wacht. We rijden de dijk over, landinwaarts, Blija Buitendijks weer overlatend aan de wind, het water en de vogels.

Zelfs Circus Salto, dat tijdens de kerstdagen zijn vrolijke tenten heeft opgeslagen voor de scheve toren, kan daar weinig aan doen. Gelukkig duurt de ellende kort. Eenmaal de hoek om toont het prachtige Leeuwarden zich: links de Nieuwstad en voor ons het Kleine en Grote Schavernek.

We zijn op weg naar Neushoorn, een bijzondere combinatie van een poppodium en een ROC op een voorheen ‘rotte plek’ in de stad. De verwachtingen zijn hooggespannen. Neushoorn prijst zich aan als ‘een magische plek in het hart van Leeuwarden waar het bruist van talent, muziek, dans en filmcultuur’. Bovendien won Neushoorn recent de Vredeman de Vries Prijs voor architectuur. ‘Een in meerdere opzichten geslaagde stedelijke interventie’, zo vond de vakjury. Zo’n compliment steek je als architect (en opdrachtgever) graag in je zak.

Neushoorn staat aan het Ruiterskwartier en het Mata Hariplein op de plek van de vermaarde discotheek Rock It. Of beter: Neushoorn bestaat uit de oude discotheek, letterlijk en figuurlijk. Een groot deel van de buitengevel is namelijk blijven staan. Verder maakte de architect veelvuldig gebruik van de bestaande (sloop)panden. Oude stenen, stucwerk met graffiti: ze kregen een tweede leven. Ook van drie buurpanden bleven de gevels staan. Daarachter is alles nieuw.

Binnen proeven we de spirit van de bar. Er heerst een getemd Berlijns sfeertje: ietwat rauw en onafgewerkt maar zeker niet hardcore. Tijdens onze rondleiding blijkt dat dit zo ongeveer het leidmotief vormt. De pastiche van de buitengevel was slechts een voorbode. Ruwe stenen, oud stucwerk en betonnen vloeren en muren wisselen elkaar af. Opvallend zijn de ‘blokkendooswanden’ – natuurlijk allemaal ook wat ruw ogend – die met regelmaat opduiken. Volgens rondleider Wietze hebben ze geen akoestische functie. Ze zullen er dus wel voor de esthetiek staan.

Maar wat is Neushoorn nou eigenlijk? Dat vragen we aan Wietze. Tja, wat is Neushoorn eigenlijk niet! Een ROC waar het Friesland College zijn podium- en productieopleidingen heeft ondergebracht. Oefenruimten voor beginnende bands. Danslokalen. Een bar. Twee forse zalen en nog veel meer. Wat betreft de faciliteiten is overal over nagedacht en zit het wel goed, al maakt dat ook dat Neushoorn wat moeilijk te vangen is. Helemaal wanneer we een blik werpen op het concertprogramma. Neushoorn programmeert namelijk zo ongeveer (voor) iedereen: van lokaal talent en underground tot BLOF (uitverkocht), Ronnie Flex en Jan en Anny, u weet wel, van BZN. En misschien schuilt daar wel het probleem. Neushoorn wil een heleboel zijn. Het is een bouwwerk geconstrueerd uit functies die alle elders in Leeuwarden al een plek hadden, aaneengesmeed met oude muren, ruw materiaal en een vleugje Berlijn dat de creativiteit moet stimuleren. Het is bedacht en doordacht met logische looplijnen, prachtige faciliteiten en een kantoortuin. En juist daardoor haalt Neushoorn de pop uit het podium. Wat overblijft is een gebouwde faciliteit, een multifunctioneel centrum dat flirt met de rauwheid van ‘het echte’. Het doet ons haast denken aan tieners die zich kleden als punker, hippie of new wave terwijl ze geen flauw idee hebben waar die stijl voor staat.

Is dat erg? Ach, niet per se. De architecten van DP6 gaven de gemeente Leeuwarden vast waar ze om vroeg. Bovendien past dit in een ontwikkeling van professionalisering en institutionalisering die we al jaren in de kunsten aantreffen. Het multifunctionele theater De Harmonie aan de overkant van Neushoorn is daarvan een ouder voorbeeld. En daarbij: is het niet prachtig dat praktijk en onderwijs op zo’n bijzondere manier zijn samengebracht? Ja, dat is een mooie gedachte. En het is ook een mooie gedachte om oud en nieuw te vermengen, misschien zelfs inclusief de graffiti, het oude stucwerk en de rauwe bakstenen. Maar of dit soort gedachten meteen ook goede architectuur opleveren? Nee, daarvoor hinkt het gebouw op te veel gedachten, is het te veel een pastiche en mist het (nog) een eigen ziel. Wat dat betreft is het wachten op de eerste echte tag.

Op de terugweg werpen we nog een blik op Neushoorn. Binnen is de band aan het soundchecken. De bar stroomt langzaam vol. Op het Mata Hariplein voor de bar is het rustig. Een bezoeker staat buiten te roken. De Harmonie lijkt dicht en met integraal kerstreces. Iedereen zit vast bij Circus Salto.

De dag kan niet mooier. Het heeft gevroren, de lucht is strakblauw en over het Groningerland ligt een zilverwitte glinstering. In de woonkamer van boerderij Nijenklooster kijkt Jakob Slob (86) tevreden naar buiten: het vriest en ‘daar wordt de kleigrond lekker rul van’. We zitten voor het raam in leunstoelen, de rest van de bewoonde wereld lijkt ver weg. Mia (84) komt binnen met de koffie. Ze is hier geboren, op een eeuwenoude wierde. Toen in 1204 werd besloten het Oldenklooster in het nabijgelegen Kloosterburen te scheiden in een mannen- en een vrouwenklooster, werd op deze wierde Nijenklooster gesticht.

Op de reden van mijn bezoek, mijn belangstelling voor de plek waar ze wonen, reageert Mia met een licht verbaasd schouderophalen. Al even weinig ophef wordt er gemaakt van het feit dat ze al zestig jaar boer zijn. Ploegen, zaaien, oogsten, seizoen in seizoen uit. Een tijdje terug, en Mia snapt zelf niet waarom, durfde ze opeens niet meer zo goed op de tractor te rijden. ‘Zomaar, opeens.’ Weer het lichte schouderophalen en dan een vragende blik in mijn richting.

Het logische antwoord dat op mijn lippen ligt, houd ik voor me. Deze mensen hebben hun eigen logica. Toen ze in 1957 begonnen hadden ze twee knechten en vier paarden. Nu wordt alles door machines gedaan. ‘In de tijd van mijn ouders’, vertelt Jakob, ‘liepen de knechten met zakken van honderd kilo kunstmest op de schouders naar het land. Nu wordt een zak van zeshonderd kilo met een heftruck opgetild en in de kunstmeststrooier gegooid.’ Jakob heeft zelf geen heftruck maar wel een zogenoemde hefarm waarmee hij de zakken kan optillen. Mia kruipt achter de computer. ‘De vrouw zoekt een foto op’, zegt hij. Even later verschijnt Jakob op het beeldscherm: gestoken in een blauwe overall en met een rode pet op zijn witte haardos, is hij in de weer bij zijn machines. ‘Ziet u’, zegt Jakob, ‘zwaar werk bestaat niet meer.’

Onlangs publiceerde het CBS gegevens over het aantal boerderijen in Nederland met een 85-plusser als bedrijfshoofd. Dat aantal lag in 2014 op 535 (op een totaal aantal boeren van ruim 65 duizend). Hiervan werkten er 170 zonder hulp vanuit de familiekring. Jakob en Mia – ze hebben een zoon die elders in het land woont – horen tot dit selecte gezelschap. Maar zelf vinden ze dat ze gewoon doen wat ze al hun hele leven hebben gedaan – en dat is nou niet iets om drukte over te maken. Het zestigjarig jubileum hoeft ook niet gevierd te worden. ‘Ach’, zegt Mia, en ze denkt even na, ‘Ach, nee.’ Wat ze me nog wel wil laten zien is de kelder. Als we de stenen trap, gemaakt van kloostermoppen, afdalen, komen we uit in een tunnelvormig vertrek met eeuwenoude plavuizen op de vloer. Met enige verbeelding is voor te stellen dat de kloosterlingen via deze onderaardse gang op vrijersvoeten gingen naar het nabijgelegen Oldenklooster. In een eenvoudig houten rek, nog gemaakt door Mia’s vader, staan de potten pruimen- en bessenjam. Een bezigheid die hier elk seizoen terugkeert, misschien al wel honderden jaren lang. Mia glimlacht en haalt de schouders op. Als ik hun bij het afscheid vraag of ze het goed vinden dat er bij dit stukje een foto van hen beiden geplaatst wordt, zie ik Jakob even naar Mia kijken. In een huwelijk van zestig jaar is een blik genoeg. ‘We houden niet zo van publiciteit’, zegt Jakob.

In Woltersum, een dorp aan het Eemskanaal, wonen 371 mensen in 171 huizen. De meesten willen er blijven ook al wordt hun woonplek geplaagd door aardbevingen en moesten alle inwoners geëvacueerd worden toen de kanaaldijk bijna doorbrak.

Ellis Ellenbroek portretteert verschillende bewoners in woorden, fotografen Gea Schenk en Ronnie Zeemering deden hetzelfde op hun manier. Dit en meer verhalen en foto’s staan in het boek Woltersum, een tijdsbeeld dat eind juni 2019 verscheen. Deze zomer brengt Noorderbreedte enkele verhalen.

Als ik een auto heb wil ik hier later ook wonen.

In Woltersum kun je makkelijker een speelgenootje regelen dan in de stad. Maar in de stad zijn weer méér vriendjes. Hoe dat kan? Simon Ruigendijk (2007) en Aya Muli leggen het uit.

Simon Ruigendijk uit groep 8 van De Huifkar

Waar woon je?

“K. de Boerweg 23.”

Met wie?

“Met mijn vader Chris (1977) en mijn moeder Inge (1977). Ik heb een broer, Marijn (2005) die op het Stadslyceum H.N. Werkman in Groningen zit. Daar ga ik na de vakantie ook naartoe.”

Heb je altijd in Woltersum gewoond?

“Mijn eerste jaar niet volgens mij. Toen woonden we in Groningen. Daar weet ik niks meer van.”

Hoe vind jij het om in Woltersum te wonen?

“Heel leuk. Ik vind het leuk dat ik bijna iedereen ken. Als ik naar school ga kan ik onderweg ‘hoi’ zeggen, iedereen groeten. Er hangt gewoon een fijne sfeer.

Het is ook een erg mooi dorp. We hebben veel dingen, ook best beroemde dingen. We hebben een kerk met een van de oudste preekstoelen van Noord-Nederland. En onze molen. Die kon vroeger drie dingen, koren malen, gerst pellen en hout zagen. Zulke dingen staan gewoon mooi in het dorp. Soms komt er een band in de kerk spelen, waar je naar kunt luisteren. Dat is ook leuk.”

Wat is er stom aan Woltersum?

“Dat je op school weinig keuze hebt voor vrienden. In mijn combinatiegroep zitten zestien kinderen. Dat zijn maar zestien kinderen waarmee je vrienden kunt zijn. Dat is wel jammer. Als de helft van die kinderen stomme kinderen zijn, kun je uit maar acht kinderen kiezen. Niet echt veel. Ik heb denk ik twee tot drie vrienden op school.”

Vind je het dorp niet ver weg van de stad?

“Het is wel ver. Maar als je een goede fiets hebt is dat niet zo erg. En je kunt ook met de bus.”

Op welke clubs zit je?

“Ik voetbal in het dorp. En ik doe taekwondo in Ten Boer.”

Ben je goed in voetbal?

“Ja.”

Op school mochten jullie bij project Woltersum 2080 fantaseren over de toekomst. Wat heb jij bedacht?

“Een dierentuin. Ik deed samen met Roan uit groep 5 en wij willen meer vermaak in Woltersum. Dan komen er meer mensen naar het dorp die dan zien hoe mooi het is. En dan komen ze hier wonen. Dan wordt de school ook groter. Zo kunnen de kinderen meer vrienden krijgen.”

Hoeveel dieren heb je zelf?

“Te weinig. Ik heb een kat. Als je bijen meetelt heb ik er heel veel. Mijn vader is imker.”

Wil je hier ook nog wonen als je groot bent?

“Als ik afgestudeerd ben én ik heb een auto, dan wil ik ook wel hier wonen.”

Wat wil je gaan studeren?

“Dat weet ik nog niet.”

 

Aya Muli uit groep 8 van De Huifkar

Waar woon je?

“Dobbestraat 33.”

Met wie?

“Met mijn moeder Hanneke (1968) en mijn broertje Yael (2010).”

Heb je altijd in Woltersum gewoond?

“In februari 2016 zijn we hier gekomen. We hebben in Oman, Syrië, Kenia en Qatar gewoond. Mijn moeder werd ziek en wou graag terug naar Nederland. We hebben toen op een paar plekken gewoond. Eerst bij een vriendin van mama in Zaandam. We zijn naar Woltersum gekomen omdat mama haar moeder hier woont, aan het andere eind van de Dobbestraat.”
Wat is er leuk in Woltersum?

“School vind ik heel leuk. En ook dat ik bijna iedereen van het dorp ken. Ook al ben je niet zo bevriend met iemand, je kunt elkaar toch helpen. In de stad kan ik niet zomaar even naar een flat lopen om iemand te vragen buiten te spelen. Hier kun je makkelijker iemand vragen. Soms vraag ik zelf iemand, soms komen kinderen naar mij toe.”

Op welke clubs zit je?

“Ik voetbal bij S.V. Woltersum.”

Ben je goed?

“Ik vind zelf dat ik best goed ben. Ik weet niet of anderen mij goed vinden. Ik ben keeper en sta op het veld. Er is nog een meisje in mijn team, Leanne. Leanne is een vriendinnetje van mij. Ik vind haar heel stoer. Eerst zat ik ook nog op turnen, in Bedum. Maar ik vond dat niet meer zo leuk. En ik heb gitaarles. Een muziekleraar komt na schooltijd lesgeven op De Huifkar. Mijn broertje Yael krijgt drumles.”

Wat heb jij gezegd toen jullie mochten brainstormen over de toekomst van Woltersum bij het project Woltersum 2080?

“Ik wil graag meer huizen voor gezinnen. En een grote school. En een dierenspeeltuin. Ik bedoel daar een grasveld mee waar honden kunnen spelen, en katten, en ook vogels. Een plek waar je je huisdieren mee naartoe kunt nemen. Je kunt de dieren er ook laten blijven als je zelf naar het werk moet. Dan kunnen de dieren in die speeltuin nieuwe vriendjes maken.”

Heb je zelf dieren?

“Ik heb een Afrikaanse wilde kat. Pepper. We hebben haar in Kenia gevonden. Met gebroken pootjes.”

Denk je dat je hier over tien jaar nog woont?

“Dat denk ik niet. Dan zit ik denk ik ergens in de wereld. In Frankrijk ben ik nog nooit geweest, daar wil ik nog wel graag naartoe. En ook naar Italië en nog een paar landen. Maar ik zou best nog een keer langskomen, denk ik. Rondkijken hoe het eruit ziet en of er nog dingen veranderd zijn.”

Wat wil je worden?

“Na de zomer ga ik naar het Montessori Lyceum in Groningen. Later wil ik architect worden.”

 

Tweeling Sem en Indi Rozema

Tweeling Sem en Indi Rozema (2003) en hun broer Noah (2000) wonen aan de Hoofdweg 13. Kort voor er kinderen kwamen verhuisden vader Fré Rozema (1960) en moeder Meriam Ausema (1973) vanuit de stad Groningen naar Woltersum. De kids racen heen en weer tussen school, sporten en werk. Welke plek heeft het dorp in hun uitpuilende agenda’s?

Wat doen jullie voor school of studie?

Sem: “Ik zit op het Maartenscollege in Haren. Elke dag twee keer 19 kilometer fietsen.”

Indi: “Ik zit bij Sem in de klas. Dat is gezelliger. We fietsen altijd samen heen en samen terug.”

Noah: “Ik doe de opleiding voor maritiem officier op Noorderpoort in Delfzijl.”

Hoe besteden jullie je vrije tijd?

Sem: “Die vrije tijd is er bijna niet. Ik ben altijd aan het voetballen. Ik speel bij Be Quick in Haren.”

Je bent een goeie voetballer heb ik gehoord, Sem.

Sem: “Ja, ik ben een hele goeie voetballer. Ik ben ook gescout, voor FC Emmen. Ik heb een tijdje meegetraind, maar het vervoer kon niet geregeld worden. Er was geen plek voor mij in het busje dat gescoute kinderen haalt en brengt. Heel jammer. Ik wou er natuurlijk heel graag heen. Anders had ik daar nu op school gezeten, we hadden school al afgesproken.

Nu zit ik in de selectie van Be Quick, we spelen oefenwedstrijden tegen FC Emmen, tegen Cambuur. Superleuk.”

Indi: “Ik doe taekwondo in Groningen. Al zeven jaar. In juni ga ik voor mijn zwarte band. Ik doe het op maandag, woensdag, donderdag en zaterdag. Ik doe ook aan vechtwedstrijden mee. Pasgeleden ben ik bij een wedstrijd tweede geworden.”

Doen jullie ook dingen in het dorp?

Sem: “Slapen bij vrienden hier of samen met een vriend op de Playstation. Of ik ga met de honden Messi en Vriend uit. Verder voetbal ik alleen maar. Soms ook hier op het voetbalveld. Mijn eerste twee jaar heb ik bij S.V. Woltersum gespeeld.”

Indi: “Ik ben vaak met vrienden aan het chillen op het schoolplein, dat vind ik gezellig. Dinand uit het dorp is mijn beste vriend. Op maandag en dinsdag loop ik folders met hem. En wij hebben onze paarden Lorenzo en Douwe natuurlijk, daar rijd ik op. En mama ook. Voor de lol. We rijden meestal bij de dijk. Ze staan nu in de wei bij de eierkeet.”

Moeder Meriam brengt in herinnering: “Jullie werken ook nog op de markt in Groningen.”

Indi: “In een groente- en fruitkraam. Ik op zaterdag. Tussendoor ga ik naar trainen en dan werk ik weer verder.”

Sem: “Ik train op maandag, woensdag en vrijdag. Op zaterdag heb ik een wedstrijd. Als ik dinsdag vrij ben van school sta ik op de markt. Wat geld verdienen.”

Noah: “Ik werk daar ook. Een druk leven.”

Wat betekent Woltersum voor jullie?

Sem: “Tot rust komen. Het is hier veel rustiger dan in de stad. Dat voel ik echt. Heerlijk. Yesss, ik ben weer thuis.”

Noah: “En dan gaat ‘ie op bed liggen en dan valt ‘ie in slaap.”

Sem: “Nee hoor, dat is niet zo!”

Indi: “Alle mensen in Woltersum zijn vriendelijk en gezellig met elkaar en het is hier niet zo druk. Ik houd van de stemmetjes van de kinderen van De Huifkar die je overal hoort op straat. En ik houd van buiten zijn. Hardlopen langs het kanaal en door het open veld als ik van school kom of ik heb heel lang geleerd, dan kom ik ook tot rust.”

Moeder Meriam grinnikt: “Vorige week wilden ze allemaal graag in de stad wonen, nu komen ze hier ineens tot rust.”

Noah: “Ik had het altijd druk hier. Buiten. Met vrienden. Gingen we naar het schoolplein. Of we zaten bij elkaar spelletjes te spelen. Ik heb ook gevoetbald bij S.V. Woltersum. De laatste jaren ben ik meer op de stad gericht. In Woltersum is niet zo veel te doen voor mijn leeftijdscategorie. Ik fitness bij Basic Fit of ik ga op stap. Poelestraat. News Cafe. Ik ben denk ik meer een stadsmens dan Sem en Indi. Ik ben ook ouder hè.”

Kom jij ook in de keet in de tuin van Dani van Dijk, Noah?

Noah: “Ik ga wel met die mensen van de keet om, maar ik heb niet veel tijd er te zitten.”

Als ik aardbevingen zeg…zeggen jullie.

Indi: “Daar hebben wij veel last van. We hebben veel schade. Als je hoort over weer een beving denk je bij jezelf: Kan het niet stoppen?”

Noah: “Ons voorhuis hangt helemaal naar voren. Daar slapen Sem en ik.”

Wat willen jullie worden, Sem en Indi?

Sem: “Profvoetballer blijft een droom van me. Dat zou geweldig zijn. Als ik geen profvoetballer kan worden, dan fysiotherapeut. Fysiotherapeut van FC Groningen! Ben ik toch nog met sport bezig. Ik heb zelf een keer mijn enkelbanden gescheurd en vond het heel interessant hoe de fysiotherapeut mij weer op het goede been zette.”

Indi: “Ik wil heel hoog in taekwondo worden en hopelijk veel wedstrijden doen in het buitenland. Als dat niet lukt wil ik ook fysiotherapeut worden.”

Sem: “Praktijk Rozema en Rozema klinkt goed.”

En Noah?

Noah: “Ik heb me hier altijd thuis gevoeld, nu wil ik graag wat van de wereld zien. Vorig jaar waren we met vakantie naar Montenegro, daar zag ik dingen die ik nog nooit eerder had gezien. Toen begon het te kriebelen.

Op een cruiseschip werken lijkt me tof. Hard werken, de wereld over, een half jaar thuis en een half jaar aan het werk.”

In elk stadje een ander schatje?

Noah: “Ik zeg niks.”

 

In Woltersum geen Rijdende Rechter-taferelen.

Dani van Dijk (1998), Amy Wietsma (1998) en Remco Pot (2000) horen bij de Keetclub, een mannetje/vrouwtje of tien die regelmatig komen chillen in de blokhut bij Dani in de tuin.

Waar woon je en met wie?

Amy: “Aan de Kollerijweg 13 met mijn ouders Klaas Anne (1974) en Henriëtte (1971) en broertje Maik (2007). Vanaf mijn tweede. Daarvoor woonde ik in Sint Annen. Mijn moeder is hier geboren, wij zijn weer terug gekomen.”

Remco: “Aan de Hoofdweg 23 met mijn ouders Frans (1962) en Jenny (1964). Zus Marjon (1995) is al uit huis.”

Dani: “Aan de Kollerijweg 50 met mijn ouders Gert (1967) en Tjakelien (1966) en broertje Marco (2002).”

Jullie hebben alle drie op het H.N. Werkman Stadslyceum gezeten in Groningen. Wat doen jullie nu?

Amy: “Ik heb een opleiding tot onderwijsassistent afgerond, een jaartje bij de slager in Ten Boer gewerkt en daarna een half jaar als onderwijsassistent. Toen ging ik weer studeren, pedagogisch educatief medewerker, maar die studie paste niet bij me. Nu werk ik bij de slager in Bedum. Het liefst wil ik aan het werk als onderwijsassistent of in de kinderopvang.”

Remco: “Ik werk bij de Albert Heijn in de Stad. Vanuit hier de eerste Albert Heijn die je tegenkomt. Ik werk als groenteman. Nee, ik mag niet hopen dat dat mijn eindbestemming is. Zoals het nu lijkt ga ik bedrijfseconomie studeren. Ik ben eerder ook begonnen met een studie, technische bedrijfskunde, maar daar ben ik na vijf weken mee gestopt. Dat was het niet. Toen ik stopte met studeren moest ik per se aan het werk van mijn ouders, ik mocht niet thuis gaan hangen.”

Dani: “Ik heb op dit moment wel werk, alleen geen opleiding. Afgelopen mei ben ik via het uitzendbureau en MUG ingenieurs in Leek begonnen met een werkend leren-project voor landmeter. Alleen door vertraging bij de aanleg van de Ringweg is de opleiding verschoven, omdat ze op dit moment geen werk hebben. Het is hartstikke mooi werk. Ik heb nu tijdelijk ander werk gevonden, bij DUO in Groningen in de afwaskeuken. Thuis zitten is ook niks, iedereen is bezig en jij zit niks te doen.”

Verkering?

Amy: “Met Ronan uit Ten Boer.”

Remco: “Nee.”

Dani: “Nee.”

Wat doen jullie in die keet?

Remco: “Een biertje drinken in het weekend. Af en toe loopt dat uit tot drie, vier uur ‘s nachts.”

Dani: “Goede gesprekken komen ook voor.”

Amy: “In de kroeg van het dorp zitten we niet met zijn allen. Daar zitten ook allemaal oude mensen.”

Ben jij de bink, Dani, omdat jij die keet in de tuin hebt?

Amy: “Best wel.”

Dani: “Neuh.”

Amy: “Wél! Die keet is echt een begrip.”

Remco: “In de Whatsappgroep is het altijd: Dani, kunnen we ook naar jouw blokhut toe?”

Ben je blij dat je in Woltersum woont?

Amy: “Ik wel. Ik vind het hier gezellig. Bijna al mijn familie woont hier. Dani is ook familie. Mijn moeder is een nicht van zijn vader. En mijn andere buurmeisje is familie. Ik vind dat fijn. Je kunt altijd bij iemand terecht als je je huissleutels niet bij je hebt. Of als je niks te doen hebt.

De vriendengroep vind ik ook fijn. Het zijn heel andere mensen dan in de stad. Die stadse mensen bekijken en beoordelen iedereen zo. Hier hoor je er gewoon bij. Iedereen hoort erbij. Als je wilt. We zullen nooit tegen iemand zeggen: Jij mag niet meedoen.

Ik heb het op school wel meegemaakt dat meisjes niet bij mij wilden zitten of dat ik niet mee mocht de stad in. Ik denk omdat ik geen make-up draag en uit een dorp kom. Dan ben je al een beetje anders. Die meisjes in de stad doen zoveel make-up op omdat de jongens hen anders niet leuk vinden.”

Remco en Dani, aangenomen dat jullie meisjes leuk vinden, welke zijn leuker, met of zonder make-up?

Remco: “Maakt niet zo heel veel uit.”

Dani: “Ligt eraan hoe ver ze gaan.”

Remco: “Je hebt er bij die zijn half oranje. Dat ziet er niet uit.”

Wat vinden jullie mooi in Woltersum, Remco en Dani?

Remco: “De gezelligheid. De vriendengroep. Het kermisweekend. Ik voetbal nu in de stad bij Lycurgus. We hebben een vriendenteam van het H.N. Werkman om nog wat contact met elkaar te houden. Ik had liever dichterbij willen voetballen, in Ten Boer, of Woltersum, maar daar was niemand het mee eens.”

Dani: “Ik ben hier opgegroeid. Alles is heel normaal voor mij. Ik heb ook geen vergelijkingsmateriaal. Iedereen gaat normaal met elkaar om. Niemand kijkt elkaar raar aan. Je groet elkaar rustig.”

Remco: “In Woltersum geen Rijdende Rechter-taferelen. En wij konden gewoon op straat spelen, in de stad zouden we meteen zijn aangereden.”

Dani: “Op de middelbare school was ik een van de weinigen uit een dorp. Daar werd ik wel anders om aangekeken. Maar dat maakte mij niet echt uit.”

Amy: “Ze denken ook altijd direct dat je een boer bent en dom.”

Remco: “Of dat iedereen familie van elkaar is. Zoiets als Urk of Volendam.”

Amy: “Dat iedereen hier familie van elkaar is klopt wel!”

Remco: “Ik ben toch ook familie van jou, Amy?”

Amy, lachend: “Ja, ver weg. Héél ver weg.”

Remco: “Hier woont ook wel veel import hoor.”

Op jullie leeftijd wil je toch zo snel mogelijk weg bij pa en moe en op kamers?

Remco: “Woon je daar in de stad op een kamer met allemaal van die kakkerstudenten. Van die verschrikkelijke personen van Vindicat en zo. Ik vind dit ook wel makkelijk. Ik hoef mijn kleren niet te wassen. Ik hoef niet alles zelf te betalen.”

Dani tegen Remco: “Haha, zo kom jij erop te staan!”

Wat doen jullie in Woltersum? Van welke clubs zijn jullie lid?

Dani: “Ik voetbal bij S.V. Woltersum. En ik zit sinds kort op de klaverjasclub.”

Amy: “Ik zit op fitness, maar niet in het dorp, in Siddeburen.

Remco: “Oh, wacht, dat doen Dani en ik ook, fitness. We zijn gisteren nog geweest, bij Basic Fit in de stad.”

Ik heb nog steeds niets gehoord wat jullie stoort aan Woltersum.

Dani: “Ik zou het niet weten. Je hebt eigenlijk alles hier. Een basisschool, een kroeg, een sportvereniging. Er mist niet zoveel. En de stad is binnen handbereik, een kwartiertje rijden.”

Remco: “Alles is hier, alleen geen winkel. Maar ik werk bij de Albert Heijn, dus als ik naar huis ga kan ik gelijk eten meenemen. Als ik als eerste vrij ben kook ik voor iedereen. Een kleine supermarkt zou wel makkelijk zijn, voor als je iets vergeten bent. Maar ach. Nu pak ik de elektrische fiets van mijn moeder en ben binnen vijf minuten in Ten Boer.”

Zijn er genoeg leuke meisjes, Dani en Remco? Komen jullie dadelijk thuis met iemand uit het dorp?

Remco en Dani bijna in koor: “Dan wordt het wel heel erg een eh…een eiland!’
Laatste poging, jongens. Wat is hier minder?

Amy: “Er zijn geen huisjes voor starters. Ik wil hier heel graag blijven. Maar nu kan het niet. Kopen is veel te duur, ik ben nog maar twintig en je hebt hier alleen dikke koopwoningen, geen kleine huisjes om mee te beginnen, een gezinswoninkje. Om te huren is er ook niks. Ze zijn er nu wel mee bezig. We hebben er laatst een gesprek over gehad in de kroeg, met jongeren die hier willen blijven. Twee jaar, dan wil ik wel weg uit huis.”

Dani: “Er moeten nieuwe huizen bij zodat hier ook nieuwe mensen kunnen komen wonen.”

De aardbevingen. Hoe spelen die een rol in jullie leven?

Dani: “Je krijgt er wel wat van mee thuis. Het is niet echt prettig dat je de scheuren in je muur ziet zitten. Ik heb wel eens op de bank gelegen dat ik er bijna af viel. Mijn broertje had op zijn slaapkamer een barst in het raam, van boven naar beneden. Dubbel glas.”

Remco: “Ik lag een keer in bed. Ineens begon alles te trillen. Ik naar buiten. Mijn vader stond daar ook al in zijn onderbroek.”

Amy: “Ik heb nog nooit een beving gevoeld. We hebben wel veel scheuren in ons huis. Maar ik ben niet echt bang voor de bevingen. Als het gebeurt dan gebeurt het.”

ze kennen elkaar en zien naar elkaar om
slank, blond en smetteloos
‘lachen is gezond’
de testresultaten zien er positief uit, zeggen ze

een meetlint, een prikje
het nieuwe geloof

en rond een cirkel van grondhoedjes
herrijst een dier in inkt dat olie drinkt en gouden regen plast

buiten heeft het gehageld
is dit bescherming tegen elementen?

In mijn boekenkast ligt een grote stapel atlassen. Vanaf jongs af aan heb ik al een fascinatie voor kaarten; geef me er eentje en ik kan me er uren mee vermaken. Op papier rondstruinen in de omgeving, verhoudingen proberen te begrijpen en verklaren waarom bepaalde ruimtelijke structuren op een bepaalde plek zijn ontstaan. Eén serie atlassen heb ik tot voor kort regelmatig gebruikt, maar nu liggen ze stof te vangen. Het is de serie Grote Historische topografische atlassen van Groningen, Friesland en Drenthe.

Als je wilt weten hoe een plek is ontstaan, dan is een historische kaart een onmisbare bron. In de Grote Historische atlas vind je gedetailleerde topografische kaarten van rond 1900, met daarop oude slootjes van voor de ruilverkaveling, historische veldnamen en onontgonnen ‘woeste’ gebieden die inmiddels bebouwd zijn door nieuwbouwwijken. Deze serie atlassen is steeds lastiger te verkrijgen, omdat er inmiddels een mooi alternatief is: de website www.topotijdreis.nl. Op deze site vind je alle(!) topografische kaarten van 1815 tot nu. De kaarten zijn schaalbaar en liggen over elkaar, wat snel inzicht geeft in de ontwikkeling van een plek. Toch koester ik de atlassen en kaarten die in mijn boekenkast staan. Want er is niets fijner dan rondneuzen in een papieren exemplaar.

Het Reestdal ligt op de noordflank van het in de Saale-ijstijd gevormde oerstroomdal van de Vecht. In de laatste Weichsel-ijstijd is dat dal deels opgevuld met verspoeld erosiemateriaal en dekzand. Vanaf het Atlanticum is het brongebied overgroeid met hoogveen, terwijl in het dal grondwater gevoede venen ontstonden. Logischerwijs kozen de mensen ervoor om op de dekzandkoppen te gaan wonen waarop ook de oudste boerderijen te vinden zijn.

De Reest is de grensrivier tussen de provincies Drenthe en Overijssel, waardoor hij is ontsnapt aan grootschalige (ab)normalisatie. Het stroomgebied omvat 40 duizend hectare, de rivier is 37 kilometer lang terwijl het verval 6 meter is. De rivier stroomt erg traag van Drogteropslagen naar Meppel. Vóór de ontginning groeiden er eikenbossen, lagen er uitgestrekt hoogveen, riet- en zeggenmoerassen, en broekbos.

Vanaf de elfde en twaalfde eeuw is het Reestdal vanuit de benedenloop gekoloniseerd. De middenloop volgde één à twee eeuwen later terwijl het veen in de bovenloop tussen de zeventiende en twintigste eeuw werd ontgonnen. De benedenloop was welvarender door de aanwezigheid van toestromend grondwater (kwel). Dat maakte door de mineralenrijkdom twee hooioogsten mogelijk, waardoor de daar gevestigde boerenbedrijven zich flink konden ontwikkelen. De bovenloop bestond tot het begin van de twintigste eeuw uit uitgestrekte heidevelden en hoogveen. Deze gronden waren zuur en voedselarm, wat deze streken landbouwkundig minder productief maakte.

Meppel ontwikkelde zich als handelsstad voor de landbouwproducten die onder meer vanuit het Reestdal kwamen. De welvaart van de benedenloop van de Reest valt nog af te lezen aan de aanwezige landgoederen en rijke boerenhoeves. Het landschap is er kleinschalig, besloten en rijk aan monumenten. Naar het oosten toe wordt het landschap geleidelijk opener en armer, ontstaan uit meer grootschalige heide- en veenontginningen.

Het Reestdallandschap is een natuurrijk, geperceleerd cultuurlandschap, dat onder boerenhand vorm kreeg: het rijke hoevenlandschap in de benedenloop, het esdorpen- en esgehuchtenlandschap in de middenloop en de grootschalige heide- en veenontginningen in de bovenloop.

Door ontginningen nam de sponswerking van het landschap af en kreeg de Reest steeds grotere afvoerpieken te verwerken. Geregeld spoelde, tot groeiende ergernis van de boeren, de hooioogst naar Meppel. Dit ondanks het feit dat de voor de ontginning en handel gegraven vaarten en kanalen een steeds groter deel van het oorspronkelijke stroomgebied van de Reest hadden afgekoppeld. Waar eerst een gebied van 40 duizend hectare op de Reest afwaterde, bleef slechts zesduizend hectare van het stroomgebied over. De rivier werd daarmee te groot om ’s zomers dat beetje water af te voeren en groeide jaarlijks razendsnel dicht.

Er zijn tussen 1839 en 1989 in totaal zes verschillende plannen gemaakt om de Reest recht te trekken, te verdiepen en te verbreden om het water sneller af te voeren. Grensperikelen, geldgebrek, persoonlijke naijver en ten slotte een in 1989 door de Stichting Het Drentse Landschap afgedwongen verbod van de Raad van State, verhinderden grootschalige uitvoering ervan. Door alle ingrepen verminderde de toestroming van kwel vanaf het Drents Plateau echter wel sterk. Het resultaat was massieve verdroging van het dal, waardoor juist de te behouden natuurwaarden verdwenen.

 

Dobberende hooioogst

Al ver voor de Tweede Wereldoorlog leefde de wens om delen van het Nederlandse cultuurlandschap te beschermen. De Natuurschoonwet uit 1928 bijvoorbeeld (die nog steeds van kracht is) bood landgoedeigenaren fiscaal voordeel. Op basis van een inventarisatie van SBB uit 1939 werd in 1942 het ‘Besluit bescherming Natuurgebieden’ van kracht. Daarin waren 29 Drentse natuurterreinen opgenomen, waaronder twee delen van het Reestdal: Wildenberg en Dickninge. In 1975 zag de Relatienota het licht, een poging om natuur en landschap nu echt te beschermen. Maar het budget voor aankoop en beheer van reservaten en beheergebieden bleef vaak ontoereikend.

Nadat vrijwel de volledige hooioogst opnieuw naar Meppel was gedobberd, spraken de betrokken partijen in 1975 af dat het geregeld overstromende lage deel van het Reestdal ‘reservaat’ zou worden. Alle hoger gelegen gronden moesten echter wel bij de boeren in beheer blijven en kregen hooguit de status van ‘beheergebied’. Maar dat werkte niet. De boeren kregen subsidie voor het intensiveren van hun bedrijf terwijl het Drentse Landschap, dat vanaf 1962 gronden in het lagere Reestdal bezat, subsidie kreeg om het gebied juist te verschralen. De overvloedig opgebrachte mest op de hogere gronden drong pardoes het lagergelegen reservaat binnen en beide subsidies werkten elkaar tegen. Het moest anders, robuuster.

 

In 1983 werd de RVK Zuidwolde afgestemd. De tegenstelling tussen landbouw en natuur bleek onoverbrugbaar. De landbouw had echter behoefte aan een betere verkaveling en ook natuurbehoud vroeg om ingrepen. In 1990 presenteerde minister Braks een baanbrekende beleidswijziging: het Natuurbeleidsplan. Om de Nederlandse natuur en biodiversiteit te beschermen, moest er een grootschalig en onderling verbonden netwerk van natuurreservaten komen (destijds Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genaamd, nu Natuur Netwerk Nederland (NNN)). Er kwam geld voor aankoop van landbouwgrond en omvorming tot nieuwe natuur.

Vanuit die nieuwe werkelijkheid kwam er tussen 1994 en 2017 een drietal kleinere ruilverkavelingen tot stand. Het begon beloftevol met de inzet op een Herinrichting Bijzondere Doelstelling Zuidwolde. Het hoofddoel hiervan was: de natuur in het Reestdal verbeteren. Maar door bezuinigingen vanaf 2004 werden het uiteindelijk twee afgeslankte RAK’s (Ruilverkaveling Administratief Karakter) en een gewone Herinrichting Zuidwolde-Zuid.

In oktober 2010 kreeg de provincie de door de natuurbescherming vervloekte brief van staatssecretaris Bleker waarin het Rijk alle afspraken rond het natuurbeleid eenzijdig opzegde. De landinrichting, die in Drenthe succesvol was ingezet om landbouw en natuur meer in harmonie te laten samenleven, raakte in onbruik. Vanaf die tijd kwamen ruimtelijke veranderingen maar moeizaam tot stand.

Niet alles ging mis na het afblazen van de RVK Zuidwolde in 1983. Het Drentse Landschap kreeg ruim tweehonderd hectare reservaatgebied toegedeeld. Herstelmaatregelen hebben de hydrologische toestand in de middenloop van de Reest vanaf 2007 ook licht verbeterd. Toch blijft sprake van een sterk versnipperde situatie en een ontoereikende hydrologische situatie. De inzet van de provincie Drenthe om daar echt iets aan te doen, is de laatste jaren afgenomen terwijl het Rijk de verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid wel aan haar heeft gedelegeerd. De provincie Overijssel heeft het zelfs gepresteerd om grote delen van de EHS/NNN in de benedenloop te schrappen.

Sinds een aantal jaren geldt er een nieuw, meer marktgericht natuurbeleid waarin particulieren natuurgronden kunnen aankopen onder dezelfde condities als de aan statutaire natuurdoelstellingen gebonden terrein beherende instellingen zoals de provinciale landschappen en Natuurmonumenten. Dit jaar heeft de provincie Drenthe voor het eerst een perceel nieuw ingerichte natuur in het Reestdal openbaar geveild en aan de meestbiedende particulier verkocht. Het gebied grenst aan de eigendommen van Het Drentse Landschap en het zou logisch zijn geweest wanneer dat deze grond had kunnen verwerven. Deze ontwikkeling leidt tot verdere versnippering en bureaucratisering, groeiend afstemmingsoverleg en controle op de naleving van afspraken. De natuurbescherming zou om principiële redenen moeten weigeren aan marktwerking in de vorm van zo’n prijsopdrijvende veiling mee te doen.

 

Draadrus en draadzegge

Stichting Het Drentse Landschap en Landschap Overijssel beheren samen ongeveer 1.850 hectare in het centrale deel van het Reestdal. Dat betreft heiderestanten, eiken-, berken- en grove-dennenbos, landschapselementen, graanakkers met goed ontwikkeld akkeronkruid, droge heischrale graslanden op de dekzandkoppen, broekbos en vooral veel vochtige schraallanden. Uniek zijn de dotterbloemhooilanden en vegetaties van kleine en grote zeggen met soorten als dotterbloem, moeraskartelblad, noordse zegge, draadrus, draadzegge, stijf struisriet, grote pimpernel, moeraslathyrus en blauwe knoop. In Drenthe liggen de meest waardevolle schraallandcomplexen bij de Wildenberg, de Havixhorst, de Schiphorst en de Reggers. Verder leeft er in het Reestdal een stevige dassenpopulatie, barst het van de ooievaars, komen de grauwe klauwier, boomkikker, grote modderkruiper, zilveren maan en moerassprinkhaan er voor.

Het Reestdal is een museaal cultuurlandschap met een hoge biodiversiteit dat vraagt om een beheer dat daar recht aan doet. De provinciale landschappen streven naar een landschap zoals dat eind negentiende, begin twintigste eeuw bestond – compleet met extensief agrarisch beheer. Het Drentse Landschap werkt veel met lokale boeren samen en heeft sinds 1982 ook een beheerboerderij op de Wildenberg (Uilenburcht). Daar beheert een medewerker vierhonderd hectare oud cultuurlandschap via extensieve begrazing met zoogkoeien. Het vee wordt bijgevoerd met granen in de met eigen stro gestrooide potstallen. Er is sprake van een vrijwel gesloten nutriëntenkringloop. Zo ligt er nu een traditionele en levende Reestdal-boerderij in het landschap waarin ze is ontstaan.

Het Drentse Landschap beheert als trust-organisatie naast natuur ook cultureel erfgoed en vanuit die rol bezit het ter plaatse verschillende monumenten. Het Reestdal kent een grote variatie aan boerderijtypen en in de benedenloop liggen een aantal landgoederen zoals havezate de Havixhorst. Het Drentse Landschap wil met Landschap Overijssel het centrale deel van het Reestdal optimaal beschermen door de meest bepalende monumentale gebouwen te verwerven en het als functionele eenheid te beheren als kleinschalig, natuurrijk cultuurlandschap.

Al bijna tachtig jaar zijn beide provinciale landschappen hier met vallen en opstaan mee bezig. Vaak met hulp van een overheid. Toch valt het in een tijd dat natuur, landschap en biodiversiteit mondiaal en in Nederland meer dan ooit onder druk staan moeilijk te begrijpen dat onze overheid niet meer doet om de verdere teloorgang van natuur en landschap tegen te gaan. Waar Nederland op het punt van natuuren milieubescherming in het recente verleden in Europa vooropliep, behoort het nu tot de staart van het peloton. Niveau Malta. De unieke botterbloemhooilanden en zeggenmoerassen van de Reest zijn niet als Natura 2000-gebied beschermd. Dat het Reestdal daar in het verleden niet voor in aanmerking kwam, is zonder meer vreemd. Cruciaal voor de biodiversiteit in het Reestdal is echter de verbetering van de waterhuishouding.

 

Versnipperd

Een derde van alle plant- en diersoorten in ons land is ernstig bedreigd. Het mestprobleem is nog steeds niet opgelost, de natuurgebieden liggen nog steeds versnipperd in ons landschap. Toen er grond aangekocht kon worden, ontbraken van rijkswege de middelen. Momenteel is de druk op de grond zo hoog dat de kosten om de EHS/NNN te realiseren extreem zijn toegenomen. De angst bestaat dat uitstel tot afstel kan leiden. En dat terwijl Nederland jaarlijks nog geen miljard aan natuur en landschap besteedt, ongeveer 0,15 procent van het bruto binnenlands product, 60 euro per burger.

HDL is al vele decennia een bondgenoot van de provincie Drenthe in het natuurbeleid. De natuurbescherming heeft altijd veel eigen geld en uren gestoken in gebiedsgericht werken en investeert in tegenstelling tot de meeste particulieren (voor wie vermogensbeheer vaker prevaleert) voortdurend in behoud, bescherming en educatie. Ze doet dat vanuit een intrinsieke motivatie omdat natuur en landschap beschermen meer inhoudt dan fysiek beheer. Natuurbeheerders strijden al vele jaren tegen de onttakeling van de natuur in ons land. Het valt dan ook moeilijk te begrijpen dat de overheid hen als partners ten gunste van de particulier op afstand heeft gezet.

Als we snelwegen zouden aanleggen op dezelfde halfhartige wijze als waarmee we natuur realiseren, reden we nog met paard en wagen. De kans dat Nederland aan de door zichzelf geformuleerde natuurdoelen kan voldoen, wordt steeds kleiner. De geschiedenis van het Reestdal lijkt exemplarisch voor de lotgevallen van de Nederlandse natuurbescherming: een zaak van hangen en wurgen.

‘Jongeren trekken weg. Voor de blijvers is het wezenlijk dat ze toegang houden tot voorzieningen’, zegt Bock. Zij zetelt sinds vier jaar op de RUG-leerstoel ‘Bevolkingsdaling en leefbaarheid in Noord-Nederland’. De bevolking op het platteland krimpt en die verdunning van het aantal bewoners heeft grote sociale gevolgen. ‘Daar ligt een grote toekomstige behoefte en we weten nog niet hoe daarin te voorzien.’ Zowel in Wageningen, waar ze vier dagen per week een leerstoel heeft, als in Groningen leidt Bock onderzoeken naar burgerparticipatie. ‘Veel mantelzorg is nu privé georganiseerd: jij zorgt voor jouw moeder, ik voor de mijne. Bij lokale zorgcoöperaties wordt dat met meer mensen gedeeld. Daardoor zijn burgers eerder bereid iets voor elkaar te doen. Jij helpt je buurvrouw maar je doet dat samen met anderen. Wanneer jij met vakantie bent, nemen anderen het over. Gezamenlijkheid is belangrijk om dorpen leefbaar te houden.’

Bocks onderzoeken richten zich daarom mede op de vraag onder welke omstandigheden burgers bereid zijn om elkaar te helpen. ‘De overheid gaat ervan uit dat het vanzelfsprekend is dat iedereen wil meedoen. Dat vindt ze “goed burgerschap”. Maar dat is een norm. Het is de vraag of die aanname wordt geschraagd door de feiten.’ Recent SCP-onderzoek suggereert dat meer mensen actief worden in de relatief ‘rijkere’ dorpen die een hogere leefbaarheid kennen. ‘Dus: waar het minder nodig is, ontplooien mensen vaker initiatieven om de leefbaarheid op peil te houden. Misschien denken ze: het is hier zo mooi, dat moet in stand blijven.’ Bock wil achterhalen wanneer burgers uit minder fortuinlijke streken in actie komen. Duidelijk is in elk geval dat samenwerking met de overheid belangrijk is voor het slagen van burgerinitiatieven. ‘Dat gaat over meer dan geld alleen. Ieder moet zijn rol kennen en goed spelen. Dat is een ingewikkeld samenspel dat er echt op aankomt.’ Succes is kwetsbaar en gemakkelijk te frustreren. ‘Een tot op het bot verdeeld geraakte gemeenschap, bijvoorbeeld door een windmolenpark, maakt het heel lastig om samen te werken aan leefbaarheid.’ Bock verwacht een golf aan innovaties in de zorg. Dat geldt voor dorpsgebieden maar ook binnen grote instellingen. Ze is verheugd over de plannen, zoals in de Groninger Zorgvisie, om hulpverleners naar de bewoners toe te laten gaan in plaats van andersom. Ook ziet ze voordelen in bundeling van instituten. ‘Zoals in Winsum, dat scholen, jeugdzorg en ouderenzorg samen in een nieuw gebouw zet. Dat leidt tot meer contacten en uitwisseling.’

Bij veranderingen zie je een patroon, signaleert ze. ‘Eerst verzetten mensen zich. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de sluiting van verzorgingshuizen. Daarna komen er alternatieve organisaties die de “oude” diensten gaan verlenen maar nieuwe manieren van werken ontwikkelen. Zo ontstaan innovaties. Ik denk dat er daarom nu kansen liggen om werkelijk stappen vooruit te zetten. Ik hoop dat er innovaties ontstaan die mensen op het platteland echt een beter leven geven en die ook veelbelovend voor elders zijn.’

Bocks onderzoek focust op factoren die de goede kant op duwen. Wat maakt nu dat de ene zorgcoöperatie wel slaagt en de andere niet? De grote winst van dorpscoöperaties ligt niet alleen in de zorg. Het onderlinge contact dat zo ontstaat, is ook een remedie tegen de andere vijand van krimp: eenzaamheid. ‘Winkels zijn niet zozeer belangrijk vanwege de boodschappen – die kun je thuis laten bezorgen – maar wel tegen de vereenzaming. Je loopt erheen en knoopt even een praatje aan.’

Lees ook ‘Krimp begeleiden, niet bestrijden’ een gesprek met Bettina Bock in Broerstraat 5, het alumniblad van de RUG over onder meer de groeiende ongelijkheid als gevolg van bevolkingsafname.

 

 

De kunstenaar O.C. (Onno) Hooymeijer uit Spanga stelde een vogelgids samen met verzonnen vogels: De Nieuwe Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa” , waarin opgenomen 49 door hem verzonnen vogels als de Kuifpink, de Napolitaan, de Schotse Nachtduif, de Zeedrijver, de Transportfluiter en de Oudhaan. Het geheel is prachtig getekend, prachtig vormgegeven en rijk aan geestig geschreven ornithologische informatie over zang of roep, het verspreidingsgebied van de vogel, het vliegbeeld en natuurlijk de Latijnse benaming.

Als bonus krijgt de lezer achterin het boek nog een aantal recepten met vogels als de Brilhoen en de Nachtduif.

Het geheel ademt een grote liefde voor taal en vogels in het algemeen. Zo veel, dat de kunstenaar vanuit de verbeelding gewoon een nieuw genre toevoegt aan de natuurliteratuur: het verzonnene. Of, zoals hij als motto op een bordje aan de muur in zijn atelier heeft hangen: “Het is niet waar, maar het had waar kunnen zijn”.

Ik ben Joost de Ruiter (23). Overdag werk ik als tekstschrijver, maar ’s avonds sta ik regelmatig op de planken: ik ben amateuracteur. In mijn theater – het Shakespearetheater in Diever – zitten de zalen iedere zomer vol. Voor mij is toneelspelen de normaalste zaak van de wereld, maar hoe meer ik me verdiep in het amateurtheater van Noord-Nederland, hoe meer me opvalt hoe bijzonder de cultuur is. Ik neem je daarom graag mee in mijn onderzoek naar deze traditie. Mijn eerste aflevering – over de rederijkerskamers van Groningen – vind je hier. In mijn tweede aflevering – over de openluchttheaters van Drenthe – onderzocht ik de identiteit van de amateuracteur, die aflevering vind je hier. In mijn derde artikel neem ik het Friese theater onder de loep, dat vindt vaak buiten de schouwburg plaats. Soms uit praktische overwegingen, soms vanwege de bijzondere mogelijkheden van een plaats.

Van preekstoel naar podium

In Friesland zijn er drie dorpen met de naam Nes. Op een snikhete zomerdag ben ik het meest afgelegen dorp binnengereden, helemaal in het noordoostelijke puntje van de provincie. Voor de grote kerk van het dorp – gebouwd naar Rotterdamse architectuur, zo begrijp ik – staat Anke Bijlsma me in een groene jurk op te wachten, de deur van haar theaterkerk staat wagenwijd open. “Het einde van de wereld hier, hè”, merk ik bijdehand op. “Dat is slechts een kwestie van perspectief,” verbetert Bijlsma me. “Ik zie het als het begin van de wereld.”
Bijlsma is al decennialang professioneel actrice en regisseuse en kent daardoor ieder theater van Friesland als haar broekzak. Als ze er niet heeft opgetreden, heeft ze er wel een stuk op de planken gezet. Maar ze is ook ondernemer, en toen ze een jaar geleden de kans kreeg om de kerk van Nes te kopen, hoefde ze daar niet lang over na te denken. Ze kocht hem – in goed overleg met de bewoners van het dorp – en vestigde er haar theaterkerk. De preekstoel moest plaatsmaken voor een podium, van het lokaal achterin de kerk maakte ze een foyer. Ze beschilderde er zelf het plafond, bezoekers noemen de ruimte soms de Sixtijnse kapel van Nes. Zelf beschrijft Bijlsma – haar tongval verraadt dat ze Friezin is – haar kerk als sober aan de buitenkant maar warm vanbinnen. “Je stapt hier de magische wereld van het theater in.”

De provincie Friesland is dolblij met ondernemers als Bijlsma. Ze zorgen ervoor dat de door secularisering leeggelopen kerken – en daar hebben de Friezen er nogal wat van –onderhouden worden. Toch opende Bijlsma haar theaterkerk in de eerste plaats met de 375 inwoners van Nes in haar gedachten.
Bijlsma groeide op in de buurt van het dorp en woont tegenwoordig weer in de regio, haar hart ligt in het Noordoosten van Friesland. Ze wil er koste wat kost de krimp tegengaan. Die drang komt onder andere voort uit een moederlijk instinct, vertelt ze. “Ik wil mijn kinderen graag de gelegenheid bieden om hier te blijven wonen, maar dan moeten er wel dingen te doen zijn. Ik heb niet de illusie dat alleen mijn theaterkerk de krimp tegengaat, maar een culturele hub als de mijne – in de kerk worden bijvoorbeeld ook workshops en concerten gegeven – is wel nodig voor een regio om interessant te blijven als woonplaats.”
Daarnaast helpen initiatieven als de theaterkerk van Nes volgens Bijlsma Noordoost-Friesland aantrekkelijk te maken voor toeristen. Die kunnen vervolgens weer voor werkgelegenheid zorgen in de regio. “We zitten hier direct aan de Waddenzee, dat is een UNESCO Werelderfgoed. Waddeneilanden als Ameland en Schiermonnikoog kunnen de vakantiegangers eigenlijk niet goed meer aan, het wordt er te druk. Het gebied aan de vaste wal van de Waddenzee zou voor hen een uitstekend alternatief kunnen zijn. Maar dan geldt opnieuw: er moeten wel dingen te doen zijn. Een avondje naar het theater in een kerk, bijvoorbeeld.”
In de manier waarop Bijlsma over haar project praat, valt me op dat ze toneelspelen in een kerk vanzelfsprekend vindt. Ze vertelt dat er op dit moment een stuk geschreven wordt dat exclusief in haar theaterkerk wordt opgevoerd, maar in dat stuk – het zal over Noordoost-Friesland gaan – wordt de kerk in ieder geval niet als zodanig in de voorstelling gebruikt. Eigenlijk ziet Bijlsma haar kerk als een gewone schouwburg. “In de kerk zit het publiek wat dichterbij dan in een theaterzaal,” vertelt ze. “Verder is er niet zoveel verschil.”

Theater op locatie is geen locatietheater

De gemiddelde Fries zal het met Bijlsma eens zijn, begrijp ik uit de woorden van Pieter Stellingwerf. Hij is medeoprichter van locatietheatergroep BUOG, die in Leeuwarden is gehuisvest.  “Friesland heeft een eeuwenoude theatertraditie,” vertelt hij. “Ieder zichzelf respecterend dorp heeft een toneelvereniging, op gegeven moment kregen sommige van die verenigingen te veel ambitie om nog in het lokale buurthuis te spelen. Ze moesten op zoek naar andere plekken.”
De openluchttheatercultuur – die in Friesland zo mogelijk nog levendiger is dan in Drenthe – is erdoor te verklaren: amateuracteurs trokken van het dorpshuis naar het platteland en richtten daar tribunes op. Maar het zorgt er ook voor dat een Fries niet gek opkijkt van een theater in een kerk. Men wil gewoon ergens acteren of naar toneel kijken, maakt niet uit waar. “Dat fenomeen, theater buiten het theater, noemen we theater op locatie,” verduidelijkt Stellingwerf.

Dat is iets heel anders dan locatietheater, de theatervorm waar hij zichzelf mee bezighoudt. “Daarbij schrijf je een stuk dat alleen op die plek gespeeld kan worden, die plek is de bühne en zorgt tevens vaak voor input van het verhaal.  Het kan bijvoorbeeld in een weiland.” Maar Stellingwerf maakte ook stukken op onder andere plekken, een sluis, een nieuw te openen aquaduct en zelfs de TT-baan in Assen.
Stellingwerf begon al met locatietheater tijdens zijn studie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, hij vond het interessanter dan gewoon toneel. “Locatietheater biedt meer mogelijkheden, je kunt veel meer uitpakken. Op het TT-circuit lieten we historische motoren dwars door de voorstelling racen, dat kun je in een schouwburg niet doen.”
Tegelijkertijd moet je oppassen met te veel spektakel, geeft Stellingwerf toe. “We maakte eens een voorstelling op de Afsluitdijk, dat speelveld was simpelweg te groot. Het was een mooi schouwspel en een fantastische beleving, maar het verhaal bleef niet overeind.” Stellingwerf trok er lessen uit. “Je houdt het publiek geïnteresseerd door weinig personages te gebruiken, vier is al aan de ruime kant. En je moet de emotie opzoeken; het verhaal moet herkenbaar zijn voor toeschouwers. Daarna kan je er veel bombarie in gooien.”
Stellingwerf doet zijn verhaal op de bovenste verdieping van een gebouw dat hij zelf – met een beetje hulp van andere professionals – ontwierp. Het laat zicht het best beschrijven als de Pyramide van Gizeh maar dan omgekeerd. Letterlijk. De punt staat op de grond, de bodem hangt in de lucht. En in plaats van in Egypte, staat het gebouw in Zuidwest-Friesland, we hebben een werkelijk adembenemend uitzicht over uitgestrekte weilanden en het IJsselmeer.
Dat landschap is niet alleen mooi om naar te kijken, maar het is ook een van de drie redenen die Stellingwerf noemt voor het succes van locatietheater in de provincie. “Het weidse landschap hier inspireert en het biedt mogelijkheden. En er is ruimte zat. Niemand zal zeuren over not in my backyard.”
Ten tweede, zo vindt Stellingwerf, heb je bij de totstandkoming van een locatietheatervoorstelling de medewerking nodig van de omgeving, nog veel meer dan bij een uitvoering in een dorpshuis. In Friesland kent het gemeenschapsgevoel geen grenzen, niet voor niets passeerde ten tijde van de Culturele Hoofdstad in Leeuwarden het woord mienskip te pas en te onpas de revue. Stellingwerf: “Het is daardoor gewoon makkelijker om hier een locatietheaterproject van de grond te krijgen. Misschien heb je een aggregaat nodig, of een trekker of zo. Er is dan altijd wel een kennis van een kennis van iemand uit het dorp die daarvoor kan zorgen.”
Tot slot, suggereert Stellingwerf, waren de Friezen misschien wel toe aan iets nieuws. Ze zijn trots op hun eeuwenoude theatertraditie, maar hebben ook de behoefte om nieuwe dingen te proberen. Locatietheater kon op die manier populair worden.

Geen overname

Ik vind vooral de laatste observatie die Stellingwerf doet interessant: in Friesland speelt men al zo lang toneel dat er behoefte is aan vernieuwing. Ik vraag me af of dat betekent dat de Friezen hun theaters langzaam maar zeker afbreken en verder gaan in kerken en in het weiland. Mijn hypothese leg ik voor aan Hans Brans, hij is een veteraan in de Friese theaterwereld. Van 1991 tot 2016 was hij theateradviseur bij de Provincie Friesland, daarnaast bezocht hij als recensent van de Leeuwarder Courant talloze voorstellingen in de regio.
Zijn antwoord is simpel: Nee. “Locatietheater is slechts een vorm van theater, net als bij alle andere kunsttradities veranderen vormen continu.” En dat is ook helemaal niet erg, vindt Brans. “In aanloop naar de Culturele Hoofdstad Leeuwarden is het locatietheater in Friesland geëxplodeerd. Soms, als ik weer zo’n voorstelling heb gerecenseerd, vraag ik me af of we niet alsjeblieft weer terug kunnen naar normaal toneel. Locatietheater voegt niet altijd evenveel toe.”
Dat locatietheater het gewone theater niet gaat vervangen, heeft ook een sociale grondslag, beargumenteert Brans. “Bij locatietheater moet je iedere keer iets nieuws verzinnen, je begint steeds bij het begin. Initiatiefnemers moeten op zoek naar bijvoorbeeld acteurs en vrijwilligers en steeds opnieuw gelden los zien te weken. Daar zit een plafond aan.”
Alhoewel Brans dus niet gelooft in een overname, weet hij wel dat er deuren geopend zijn voor locatietheater. “En als de overheid wel zo nu en dan in wil springen, en er ook na de Culturele Hoofdstad geld beschikbaar blijft, heeft het ook zeker een toekomst. Maar theater zal altijd in de eerste plaats in het theater blijven.”
Volgende maand blik ik terug op mijn reis langs de theaters van Groningen, Drenthe en Friesland. Ik probeer antwoorden te formuleren op vragen als: waar komt ons theater vandaan? En: waar gaat het naartoe? Daarbij word ik geholpen door theaterexperts uit de regio.

 

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).

Mark voer in zijn jeugd als scheepsmaat vaak langs de Nederlandse en Duitse eilanden, Sijas kampeert iedere zomer – al 34 jaar – in een (hoe kan het ook anders) De Waard-tent op Vlieland. Maar het Duitse Waddeneiland Borkum, op steenworp afstand gelegen van de Eemshaven, kennen wij enkel van de horizon. Met een dagticket in de hand gaan wij op zoek naar het eiland achter de opvallende skyline.

Kwart voor zeven op een rustige vrijdagochtend in april. De zon laat zich voorzichtig zien achter de windmolens van de Eemshaven. Een halfuur later stappen we aan boord van de veerboot, waarbij de kapitein ons met een vriendelijke lach welkom heet. Het bovendek met de frisse zeelucht lonkt, maar het waait, is fris en de Oberdeck-kiosk is gesloten. Benedendeks wanen we ons terug in de tijd: zithoekjes met geruite gordijntjes en houten banken met oranje-grijze bekleding. De inrichting voelt oubollig aan maar zorgt tegelijkertijd voor een gemoedelijke sfeer. Een handvol reizigers speelt kaart en op een enkele bank ligt iemand te slapen. We varen uit.

Na drie kwartier komt de haven van Borkum in zicht. De befaamde trein tussen de haven en het dorp moet onze eerste kennismaking met het eiland zijn, maar helaas: die rijdt vanochtend niet omdat er te weinig reizigers zijn. Een oude Mercedes-bus brengt ons naar Borkum ‘downtown’, zoals een Duitse medereiziger het noemt.

Het dorp slaapt, de straten zijn leeg en het eiland doet desolaat aan. Langs de vuurtoren wandelen we naar de boulevard. Deze bijna twee kilometer lange en opvallend harde betonnen structuur vormt de grens tussen strand en bebouwing. Wij moeten denken aan Scheveningen, mede door de torenhoge hotels en de gedateerde uitstraling. Op het strand zorgen de kleurrijke strandkorven voor een speelse aanblik, het contrast met de harde betonnen boulevard is groot. Aan de waterlijn zijn groepen bezig met een sportief ochtendritueel. Ze bewegen in grote cirkels langlaufend over het strand of doen yoga-achtige bewegingen in winterkleding. Verbouwereerd kijken wij vanaf de boulevard naar dit schouwspel en besluiten verder te wandelen.

Vanuit de duinen lopen we via de Großes Kaap naar de Wasserturm. De route leidt langs vele in baksteen opgetrokken woningbouwcomplexen. Het valt Mark op dat er in Borkum Stadt nog echt gewoond wordt. Wikipedia vertelt ons dat er zeker vijf maal zo veel mensen wonen als op Schiermonnikoog. Iets verder valt onze blik op een bord: ‘Insel-Camping Borkum’. We passeren rijen caravans die met Duitse precisie zij aan zij staan. Sijas was een week eerder op Vlieland om zijn tent op te zetten, hier is geen enkele tent te vinden. We lopen terug naar het centrum om een broodje te kopen. Onderweg passeren we een basisschool en tellen daar een groot aantal kinderfietsjes, die ordentlich in de fietsenrekken staan. Het bevestigt dat Borkum Stadt meer is dan een vakantiedorp.

Na een kop koffie, een broodje en een sprint van Mark naar de pinautomaat (gepind betalen op Borkum is helaas nog geen gemeengoed) huren we een fiets. Kennelijk zien we er vertrouwd uit, want onze gegevens achterlaten en een borg betalen is niet nodig. Het plan voor de middag is eenvoudig: het nationaal park bezoeken op het Ostland, tot ver in de negentiende eeuw nog een afzonderlijk eiland. De weidsheid en uitgestrektheid zijn indrukwekkend. Een binnenmeer, buitendijkse kwelders en een enkele solitaire boom bepalen kilometerslang het beeld. Sijas spot tureluurs, scholeksters, kiekendieven en hoort in het duinbos de roep van de nachtegaal. De vogelgeluiden worden afgewisseld met rammelende geluiden van onze fietsen op de beklinkerde fietspaden. Knisperende schelpenpaden kennen ze hier niet.

Na een kort bezoek aan het strand besluiten we terug naar het dorp te gaan en een kleine ronde over de boulevard te maken. Deze is inmiddels opgeleefd en de winkelstraten zijn gezellig druk. De desolate sfeer is weggeëbd, ondanks dat het verval op diverse plekken zichtbaar blijft. De trein rijdt gelukkig ditmaal wel en brengt ons naar de veerboot, waar de kapitein ons weer hartelijk welkom heet.

Borkum heeft ons verbaasd en verrast. Van yuppificering en museumficatie, zoals op de Nederlandse Waddeneilanden, is geen sprake. Opsmuk valt er nauwelijks te vinden, het is een plek waar nog echt gewoond wordt en bovenal een eiland waar de Duitse gemütlichkeit de sfeer bepaalt. Dat gevoel begint al op de veerboot vanuit de Eemshaven.

In Woltersum, een dorp aan het Eemskanaal, wonen 371 mensen in 171 huizen. De meesten willen er blijven ook al wordt hun woonplek geplaagd door aardbevingen en moesten alle inwoners geëvacueerd worden toen de kanaaldijk bijna doorbrak.

Ellis Ellenbroek portretteert verschillende bewoners in woorden, fotografen Gea Schenk en Ronnie Zeemering deden hetzelfde op hun manier. Dit en meer verhalen en foto’s staan in het boek Woltersum, een tijdsbeeld dat eind juni 2019 verscheen. Deze zomer brengt Noorderbreedte enkele verhalen.

 

Woltersum is een gevoel

We ontmoeten elkaar in Het Voorhof. Carla heeft de sleutel van het gebouwtje naast de kerk. Al meer dan tien jaar is ze met veel plezier lid van de culturele commissie van de kerk. Carla doet de horeca als er een activiteit is in de kerk. “Ik doe dat samen met Klaaske Lalkens van de pluimveeboerderij en eierkeet.” De kachel is aan in Het Voorhof, de koffie klaar, we nemen plaats dichtbij het raam en Carla steekt meteen van wal. Het paadje voor de kerk langs, waar we op uitkijken, was vroeger toen zij op de lagere school zat het onderwijzerspaadje, zegt Carla. “Alleen het hoofd van de school mocht er overheen lopen. Wij schoolkinderen haalden dat niet in ons hoofd. Dat zou nu toch niet meer denkbaar zijn.” Het is een van de vele herinneringen van Carla aan Woltersum. “Ik stik van de herinneringen.”

In 1951 werd Carla in Woltersum geboren, als jongste in een gezin met zeven kinderen. Carla trouwde met een jongen uit Sint Annen, Ko van Dijken. Samen brachten ze drie zoons groot – Mark, Willy en Leonard – en runden een autoschadebedrijf aan de Kollerijweg 14. Jongste zoon Leonard woont nog in het dorp, met vrouw en twee kinderen. Ook een van Carla’s zussen woont nog in Woltersum.

Ko is er niet meer. Hij overleed op 28 augustus 2018 aan kanker.

Carla en Ko. Het is een verhaal dat velen wel kennen. Ze is er steeds open over geweest, voor Carla de enige manier. Zo rond haar veertigste ging ze weg bij Ko, ze was verliefd geworden op Lucas Kor (1947) met wie ze nu samen is. “Ik heb direct tegen mijn man gezegd dat ik verliefd op iemand was. Dat maakt dat je zoiets overleeft. Wij vonden elkaar nog altijd aardig en waardeerden elkaar. Alleen hielden we niet meer van elkaar op die manier.” De verstandhouding bleef goed. Ko en Lucas konden ook goed met elkaar overweg. Carla bleef van alles regelen in het bedrijf en later kwam Ko elke doordeweekse dag bij haar en Lucas eten. Toen Ko ziek werd nam Carla de zorg voor hem op zich.

Met Lucas, een glaszetter die van origine uit Lageland kwam, woonde Carla een jaar of tien in Appingedam op een woonboot. “Maar we gingen hier in Woltersum kaarten. En als er wat te doen was gingen we ook hierheen. Wij waren helemaal geen Appingedammers. Appingedam vind ik los zand, zo niks, helemaal niet leuk.”

Ze sprong een gat in de lucht toen ze weer terug kon naar Woltersum. “Ik wou wel graag terug, maar ja, ik had voor iemand anders gekozen. Lucas heeft zich toen in laten schrijven en een huis gekregen. Dol- en dolblij was ik. Ik voel me hier thuis, dit is mijn plek. Lucas is ook een echte Woltersummer geworden.”

Ze doet overal aan mee als het kan, komt in de kroeg, maar ook in de kerk als daar iets georganiseerd wordt. “Ik ben net een kameleon wat dat aangaat.” Haar brede interesse maakt dat ze enorm veel Woltersummers kent, en zij haar. Ze hoopt dat nog lang zo te houden. Kennismaken met mensen van allerlei pluimage, daar houdt Carla van.

“Als ik heel veel geld had zou ik best een appartementje in de stad willen en daar af en toe een weekendje zijn”, mijmert ze. Maar ik ben altijd weer blij als ik hier weer ben. Ik kan ook niet heel lang met vakantie. Dan stik ik van heimwee.”

”Het is die rust, dat vertrouwde”, zegt ze als ik doorvraag. De vertrouwde omgeving waar zo veel voetstappen liggen en waar haar leven zich grotendeels heeft afgespeeld. De leuke, maar ook de minder leuke dingen die in haar geheugen staan gegrift. “Mijn vader overleed toen ik zeventien was. Hij was al lang erg ziek, ik maakte me altijd zorgen dat hij dood zou gaan. Dat heeft als kind behoorlijk op mij gedrukt. Mijn moeder, die tien jaar later overleed, was een sterke vrouw. Aan haar denk ik ook met heel veel liefde terug. Hoe bewonderenswaardig zij dat deed, met al die kinderen.”

Carla was de eerste vrouwelijke voorzitter van de ijsbaanvereniging. Ook runde ze een poos een ontbijtservice in het dorp. En dan is er nog dat hilarische zwemclubverhaal. “We hebben een clubje vrouwen uit het dorp waarmee we elk jaar een weekend weg gaan. Op een keer waren we in Amsterdam. Het regende heel hard en wij zaten in een kroegje op de Albert Cuyp. Daar zaten ook wat mannen die aan ons hoorden dat we uit Groningen kwamen. Zij kwamen uit Siddeburen en waren een jeneverclub. Wie waren wij? We moesten à la minute ook wat verzinnen natuurlijk. Toen hebben we gezegd dat wij een synchroonzwemclub uit Woltersum waren. Dat zijn we gebleven. Ook al zwemmen we nooit.”

Carla pendelt heen en weer tussen de woning van Lucas en haar oude huis aan de Kollerijweg, waar ze aan verknocht is. Hond Leon, een Leonberger, is een erfenis van Ko. Zo’n joekel van een beest zou ze zelf nooit genomen hebben, maar ze is evengoed wijs met de viervoeter. “Ik ben heel blij dat ik Leon heb. Lucas heeft mij ook hartstikke gesteund daarin. Het is een schat van een hond. Hij is mooi. Hij is intelligent. Alleen totaal niet opgevoed. Daar ben ik eerst een tijdje mee bezig geweest.”

Van de dreigende dijkdoorbraak in 2012 heeft Carla niet wakker gelegen. “Die dijk heeft altijd gelekt.” De aardbevingen dan? Ook al niet. “Aardbevingen? Dan ben je bij mij verkeerd. Ik vind het heel erg dat ik het moet zeggen en ik maak er geen vrienden mee, maar ik snap niet waar iedereen zich druk om maakt.”

Dat kalme en onverstoorbare moet ze van haar vader hebben. “Die zat in de oorlog op zijn stoel, volgens mijn moeder, met zijn voeten op een andere stoel. De vliegtuigen gingen over. Er was paniek. Maar mijn vader bleef gewoon zijn krantje lezen.”

Ineens zegt ze: “Woltersum is een gevoel.” Nieuwkomers hebben dat gevoel minder, dat is haar niet ontgaan. Niet ieders hart gaat sneller kloppen van de jaarlijkse kermis, zoals dat bij Carla wel gebeurt en bij haar kinderen ook nog. “Men denkt nu: Een schiettent, een draaimolen en een oliebollenkraam. So what?” Ze vindt het jammer, maar de dingen gaan zoals ze gaan. “Ik zelf kan het Woltersumgevoel nog vasthouden in elk geval, ook al veranderen er dingen in het dorp. Daar ben ik heel blij mee.”

In Woltersum, een dorp aan het Eemskanaal, wonen 371 mensen in 171 huizen. De meesten willen er blijven ook al wordt hun woonplek geplaagd door aardbevingen en moesten alle inwoners geëvacueerd worden toen de kanaaldijk bijna doorbrak.

Ellis Ellenbroek portretteert verschillende bewoners in woorden, fotografen Gea Schenk en Ronnie Zeemering deden hetzelfde op hun manier. Dit en meer verhalen en foto’s staan in het boek Woltersum, een tijdsbeeld dat eind juni 2019 verscheen. Deze zomer brengt Noorderbreedte enkele verhalen.

Onze kinderen zijn sociaal wel tien keer zo sterk als stadskinderen

Een watertaxi! Ideetje van de kinderen van basisschool De Huifkar in Woltersum, toen ze hardop mochten dromen over de toekomst. Leuk voor toeristen, zo’n taxi. Maar ook handig om juf Dieta, locatieleider van de school, van huis naar het werk te brengen. Dieta Strijk (1963) mag dan een Woltersumse zijn in hart en nieren, ze woont in Overschild, aan de andere kant van het Eemskanaal.

Het zuidelijkste stukje van Woltersum kwam aan de overzijde van het water te liggen toen in de negentiende eeuw het kanaal van Groningen naar Delfzijl werd gegraven. Eerst was er nog een brug, maar die werd opgedoekt toen het kanaal werd verbreed. Ook sneuvelden er door de verbreding nog wat huizen. Vanaf toen hoorde het plukje Woltersum dat nog restte aan de zuidzijde van het Eemskanaal bij Overschild, gemeente Slochteren (nu Midden-Groningen).

Ete van der Laan (1959), de man van Dieta Strijk, komt uit het stukje Woltersum dat nu Overschild is. Hij heeft er een akkerbouw- en loonbedrijf. Via de liefde belandde ook Dieta in Overschild. Maar een ding is zeker, zegt Dieta. Zodra zoon Tabe de zaak overneemt maken zij en haar man ‘de oversteek’ en komen ze in Woltersum wonen.

Erik Bulthuis (1964) is een Stadjer die samen met zijn vrouw Wilma Naaijer (1963) op zoek ging naar rust en ruimte. In 1996 betrokken ze in Overschild een bescheiden witte woning aan de zuidelijke kanaaloever. Sinds kort wonen de jonge poesjes Rinus en Tygo daar ook. Op zoek naar rust hadden Erik en Wilma even buiten meneer en mevrouw Misker gerekend, twee, intussen overleden, leden van de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk. “Zij stonden al gauw bij ons op de stoep. Wilma en ik werden bij de kladden gegrepen. We zijn allebei belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk, wij moesten ook maar in de kerkenraad. We hebben het nog een jaar weten tegen te houden, maar uiteindelijk konden we er niet onderuit actief te worden.” Erik was jaren ouderling in de kerk, Wilma is scriba.

“Via de kerk hadden wij de gang naar Woltersum en leerden daar allerlei mensen kennen”, vertelt Erik. Van het een kwam het ander. Woltersum omarmde de talenten van Erik, voormalig basisschooldocent en freelance theatermaker en regisseur. Toen in 2012 de voetreis naar Rome van Abt Emo (1212) werd herdacht schreef Erik een toneelstuk. Ook was hij twee jaar regisseur van toneelvereniging Old Egypte. Wilma draagt ook haar steentje bij. Haar interieurwinkel in de stad Groningen leverde bijvoorbeeld de gordijnen voor het nieuwe dorpshuis. “Voor de gewone prijs”, zegt Erik desgevraagd. Zelf vraagt hij voor zijn inzet meestal “een vriendenprijsje”.

 

Dieta Strijk is al drieëndertig jaar verbonden aan de basisschool van het dorp. Als jonge onderwijzeres deed ze eerst invalwerk in Tjuchem en Schildwolde en werd toen benoemd op de school in haar geboorteplaats. Ze schopte het tot locatieleider van wat nu basisschool De Huifkar, locatie Woltersum heet. De school is samengegaan met basisschool De Huifkar in Ten Boer.

Een kleine school in een plattelandsdorpje, die hangt vaak aan een zijden draadje.  Zonder Dieta geen school meer in Woltersum, hoort ze wel eens. Hoewel ze het zeker niet alleen deed, heeft ze wel gevochten als een leeuw voor de school. “Die school is een beetje van mij. Als ze daar aan komen, dan komt er een soort oerdrang bij mij boven.” Ze is er heilig van overtuigd: “Een dorp hoort een basisschool te hebben, anders bloedt het dood.”

Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw werd de Woltersummer basisschool bedreigd met sluiting. Er waren nog maar 17 leerlingen. Nu – schooljaar 2018-2019 – zitten er vierenveertig kids op. Er zijn zes leerkrachten, inclusief Dieta die niet meer voor de klas staat. De resultaten zijn goed: “Wij vergelijken onze resultaten natuurlijk altijd met die van andere scholen. Vaak zitten we boven het gemiddelde. Dit jaar gaan van de acht afzwaaiers er drie naar het vwo. Dan doe je het niet slecht.”

“Onze kinderen zijn op sociaal gebied wel tien keer zo sterk als stadskinderen”, claimt Dieta. Sociale vaardigheden zijn net zo belangrijk als taal, rekenen of aardrijkskunde. “Als iemand gevallen is ga je erheen, vraagt wat er is en of je kunt helpen.” Erik Bulthuis was onderwijzer op een grote basisschool in de stad Groningen.  De leerlinggroepen hadden om de beurt pauze, vertelt hij. In Woltersum treffen de jonkies en de oudere jongens en meisjes elkaar op het schoolplein. “Dat komt het sociale gedrag zeker ten goede”

Riëtte, de dochter van Dieta, treedt in haar moeders voetsporen. Riëtte is onderwijzeres in Stedum. En ook een plattelandsmens. Dieta herinnert zich nog goed hoe Riëtte studeerde in Groningen maar niet op kamers wilde. Op een keer bleef ze na een feestje slapen bij een vriendin. “De volgende ochtend om negen uur of zo, hoor ik een brommertje aankomen. De deur ging open. Daar was ze weer. Het was mooi weer. Ze had geen zin om in de stad op zo’n postzegelbalkonnetje te zitten.”

Dieta houdt van Woltersum omdat haar familie er woont. Haar ouders, 83 en 85, en tante Carla Ruben. En niet te vergeten dochter Riëtte en haar man Job, die naast Carla wonen. Riëtte en Job hebben Dieta net oma gemaakt. In januari is de tweeling Renske en Lise geboren.

 

“Ik heb een geweldige jeugd in Woltersum gehad”, vindt Dieta die de betrokkenheid van de inwoners prijst. “Als bij mijn ouders de gordijnen dicht blijven, dan weet ik zeker dat iemand aan de bel trekt.” Bemoeizuchtig wordt het nooit, is haar ervaring:

“Als ik op zaterdagavond naar een feestje in de kroeg wil en ik sta de hele avond op de dansvloer, dan doe ik dat. Ik sla dat niet over omdat ik toevallig locatieleider van school ben. En dan is er niemand die op maandag tegen me zegt: Nou, jij ging ook mooi los hè, zaterdag!”

Ook Erik voelt zich thuis in Woltersum. “De kern van Overschild ligt drieënhalve kilometer verderop. Woltersum is veel dichterbij. We gaan naar Overschild om in dorpshuis De Pompel te stemmen, verder heb ik er niks te zoeken.”

De molen, de kerk, het diepje door het dorp maken Woltersum ook mooi voor Erik en Dieta. En de ligging aan het Eemskanaal, haast als een verborgen schat. Erik: “Het ligt niet aan een doorgaande weg, je komt er alleen als je er wezen moet.”

Ik heb horen zeggen dat Woltersum iets goddeloos heeft, een goddeloze vibe zou er zelfs hangen. Dieta herkent dat wel. Haar opa van moederskant kwam uit een gelovig gezin. “Maar hij vond dat je aan één regel uit de Bijbel: heb uw naasten lief gelijk uzelf, al een levenstaak had.”

Erik staat daar anders in natuurlijk. Met zijn vrouw Wilma bezoekt hij trouw de diensten van de Kloosterkerkgemeente Ten Boer, Woltersum en Sint Annen. Elke tweede zondag van de maand vinden die plaats in de kerk van Woltersum. Erik is drijvende kracht achter de kindernevendiensten in de kerk. Wilma is zes keer per jaar koster bij de diensten in Woltersum.

De kerk is ook het toneel voor culturele activiteiten. Erik heeft wel eens gemerkt dat niet-gelovigen het lastig vinden om dan te komen of mee te doen. “Ze hebben moeite om een voet over de drempel van een kerk te zetten.” Die weerzin wordt wel  minder, is zijn idee. “Bij de herdenking van de Kerstvloed van 1717, twee jaar geleden, deed ik een act in de kerk met dorpsgenoot Laurens Mengerink. Daar kwamen gelukkig heel veel mensen op af.” Ook is Erik enthousiast over de samenwerking met de Huifkar bij kerkelijke activiteiten als het versieren van Palmpaastakken of een Kerstmusical. “Kinderen van school worden door de kerk uitgenodigd, via mij. Belangstellenden kunnen meedoen. Niet dat het dan storm loopt, maar van een goddeloze vibe is niets te merken. Ik vind het prettig dat de school hier voor open staat en mij de ruimte geeft voor die toenadering.”