Hoe ziet de kaart van Noord-Nederland eruit door de ogen van een dier? Vergeet de mensenkaart en kijk met specialisten mee naar een ander Nederland. Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie aan de RUG en waddenononderzoeker bij het NIOZ, over de kijk van de grutto.
Alles aan een grutto is lang. Lange tenen, lange poten, lange hals, lange snavel en zelfs een lange staart. Al dat langs heeft natuurlijk een functie. Met die lange tenen heeft de vogel grip op de takken van schaarse boompjes op het hoogveen, zijn oorspronkelijke broedbiotoop. Zo kon hij de wacht over zijn territorium houden. Wachthouden doet hij nu vanaf palen en hekken in het boerenland. Door die lange tenen zakt hij trouwens ook niet weg in de zachte modder van de ondiepe plassen waar hij de rest van het jaar doorbrengt en waar hij wadend met zijn lange poten zoekt naar voedsel. Lange poten maken een lange hals noodzakelijk, en dat zoeken in de modder een lange snavel. En die lange staart, met een witte en een zwarte band, slaat hij uit als een opvallende waaier wanneer er iets op h…
Hoe ziet de kaart van Noord-Nederland eruit door de ogen van een dier? Vergeet de mensenkaart en kijk met specialisten mee naar een ander Nederland. Theunis Piersma, hoogleraar trekvogelecologie aan de RUG en waddenononderzoeker bij het NIOZ, over de kijk van de grutto.
Alles aan een grutto is lang. Lange tenen, lange poten, lange hals, lange snavel en zelfs een lange staart. Al dat langs heeft natuurlijk een functie. Met die lange tenen heeft de vogel grip op de takken van schaarse boompjes op het hoogveen, zijn oorspronkelijke broedbiotoop. Zo kon hij de wacht over zijn territorium houden. Wachthouden doet hij nu vanaf palen en hekken in het boerenland. Door die lange tenen zakt hij trouwens ook niet weg in de zachte modder van de ondiepe plassen waar hij de rest van het jaar doorbrengt en waar hij wadend met zijn lange poten zoekt naar voedsel. Lange poten maken een lange hals noodzakelijk, en dat zoeken in de modder een lange snavel. En die lange staart, met een witte en een zwarte band, slaat hij uit als een opvallende waaier wanneer er iets op het spel staat. Een territorium, bijvoorbeeld, of een partner.
De huidige Nederlandse grutto’s
zijn een creatie van onze boeren, die uitgestrekte hoogvenen hebben omgezet in
een landschap waar met de melkveehouderij nog het meeste te verdienen valt.
Grutto’s profiteerden van die ingrijpende landschapsveranderingen. Van een
schaarse hoogveenbroeder ontwikkelden ze zich tot een zeer algemene weidevogel.
Dit proces is al een dikke tweeduizend jaar aan de gang. Maar echt goed kregen
de grutto’s het pas toen in de negentiende eeuw nieuwe bemestingsvormen de
weilanden zeer regenwormrijk maakten. Volop te eten voor de oudervogels. De
kuikens eten zelfgevangen insecten. Ook dat ging prima in het kruidenrijke open
grasland dat tot een half mensenleven geleden zo karakteristiek voor Nederland
was.
Grutto’s zijn dus echte
cultuurvolgers. Niet alleen bij ons. In het najaar en de vroege winter zitten
ze in grote groepen bij de rijstboerinnen in het West-Afrikaanse Guinee. In de
nawinter, op weg terug naar Nederland, verblijven ze in Portugal en Spanje op
natte geoogste rijstvelden. Op de beste plekken kunnen dan wel 50 duizend grutto’s
op een kluitje zitten. Als ze niet in Nederland zijn, eten grutto’s vooral
rijst, en hier eten ze dus vooral regenwormen, aangevuld met emelten en andere
insectenlarven.
Met hun gevoelige snavelpunt kunnen
grutto’s goed regenwormen vinden. Ze zijn zo goed en de regenwormen in
Nederland zijn zo algemeen, dat ze vrijwel overal in open grasland aan de kost
kunnen komen als de grond maar zacht en vochtig genoeg is en de wormen niet te
diep zitten. In het ontwaterde moderne boerenland zijn beide een probleem. Daar
ontbreken ook de grote insecten waar groeiende kuikens van afhankelijk zijn.
Grutto’s hebben de grenzen aan hun aanpassingsvermogen inmiddels bereikt.
Grutto-eieren zijn smakelijke
prooien voor de dagactieve kraaien, meeuwen en honden, en voor nachtactieve
grondpredatoren zoals katten, hermelijnen, steenmarters en vossen. Overigens
schrikken die nachtelijke rovers ook niet terug voor een maaltje ‘broedende
grutto’; overdag zijn haviken een gevaar voor grutto’s op het nest. In het
luchtruim moeten grutto’s oppassen voor slechtvalken. Hun jongeren, die het
wendbare vliegen nog moeten leren, blijven daarom verscholen in lang gras. Het
meeste gevaar komt vanuit het geboomte bij boerderijen, dorpen en steden of uit
brede rietkragen en wilgenbosjes rond de meren. Wegen en het treinspoor zijn
uitvalswegen voor katten, honden en vossen. Zo raakt al het mooie gruttoland
natuurlijk wel sterk versnipperd.
De gruttokaart bestaat dus vooral
uit weilanden. Daar verblijven grutto’s 24 uur per dag als er eieren of kuikens
zijn. Zolang er nog geen eieren zijn, en zodra de kuikens vliegvlug zijn, gaan
ze ’s nachts naar gezamenlijke slaapplaatsen. Op de eilanden en aan de
Waddenkust kunnen dat bij laagwater wadplaten zijn. Ze slapen ook graag op de
zandplaten langs de IJsselmeerkust of in uitgestrekte plasdrasgebieden zoals
bij Pikesyl in het midden van Friesland. De Noordzee, het IJsselmeer, de
bossen, de dorpen, en de steden – daar hebben grutto’s niks te zoeken. Daar
vliegen ze op grote hoogte overheen.