De verrassing is groot! Waar ik 2005 in Schildwolde (Groningen) een meisje trof met een gedrongen postuur dat aan krachttraining deed om toptennisser te worden en een trekkerrijbewijs wilde halen om te kunnen meewerken op de boerderij, doet nu een slanke, beduidend langere vrouw ontspannen de deur open van een appartement, zeven hoog met uitzicht op het Noorderplantsoen in Groningen. Gerjanne Glas (25) is veranderd…

‘Dat trekkerdiploma heb ik trouwens niet meer gehaald. Papa deed langzamerhand de boerderij parttime, in 2009 stopten we met de aspergeteelt. Het land is verkocht en hij heeft het nu beter naar zijn zin als fulltime vrachtwagenchauffeur bij de Betoncentrale Groningen. Eindelijk collega’s. Ik weet niet of hij het boerenbestaan echt mist. Hij woont nog wel op de boerderij.

En tja, dat tennissen… Vlak nadat we elkaar toen gesproken hebben, kreeg ik de ziekte van Pfeiffer. Gevolgd door een stevige enkelblessure in 2007. Maar het was toch vooral het mentale plaatje. Als je gaat nadenken hoe je een backhand moet slaan, gaat alles mis. Mijn moeder vond het denk ik wel jammer. Ze heeft me jaren begeleid en me overal naartoe gesleept, maar ze zag het waarschijnlijk wel aankomen dat ik geen toptennisser zou worden.

Toen was tennis alles voor me, nu mijn studie. Ik ben twee keer uitgeloot voor tandheelkunde hier in Groningen. Op het laatste moment werd ik nageplaatst. Het eerste jaar viel trouwens bar tegen. Er komt zoveel op je af. Je moet wennen aan de grote hoeveelheid theorie. Op de middelbare school leer je alleen voor wat toetsjes. Gevolg: het jaar daarop twee eerstejaarsblokken overdoen. Alleen celbiologie, het grote struikelblok voor iedereen, haalde ik gek genoeg moeiteloos. In mijn tweede jaar werd ik lid van studentenvereniging Albertus, maar echt actief werd ik nooit in de kroeg. Nachten doorhalen is lastig als je de volgende dag bij zeven patiënten gaatjes moet boren. En op iedere stap volgt controle.

Archigenes, de studievereniging Tandheelkunde, leek me veel interessanter om mijn energie in te steken. Daar kwam ik Allard tegen. Vanaf het allereerste begin had ik een gevoel van thuiskomen bij hem. Op een gegeven moment wil je meer dan vriendschap, dan krijg je serieus verkering. Sinds augustus vorig jaar woon ik bij hem. Hij was toen inmiddels al twee jaar tandarts. Maar ik ben niet veel anders gaan leven. De meeste van mijn vriendinnen wonen nog niet samen. Ik zie ze nog iedere week, eet op woensdag in de kroeg en train nog een keer per week. Zondags tenniscompetitie spelen. Gezellig druk.

In het laatste jaar van mijn bachelor, werd mama ziek, longkanker. Heel oneerlijk, ze heeft nooit gerookt. Ze is op 15 april 2013 overleden. Die anderhalf jaar belden we elke dag met elkaar en probeerde ik zo veel mogelijk thuis te zijn. Over haar dood kan ik goed praten. Ik ben blij dat ik al in de twintig was toen ze ziek werd en dat we als volwassenen dingen konden delen. Maakt haar overlijden me anders? Tien jaar geleden overkwam alles me zo maar. Nu denk ik veel meer over dingen na. Voor de rest ben ik nog steeds dezelfde vrolijke frans.’