Alles draait om water. Onze voedselvoorziening, de natuur, waar we kunnen wonen en werken. Maar hoezeer de belangen bij het beheer van water kunnen verschillen, blijkt uit de teloorgang van het Friese veenweidegebied. Grote delen van dit cultuurhistorisch zeer waardevolle landschap zijn nauwelijks meer te redden, zo bleek eind vorig jaar. 

Dat komt  door een ‘cyclisch proces’, legt Hendrik Oosterveld uit. Dat zit zo: de waterschappen verlagen het waterpeil in de veenweidegebieden, zodat er op de slappe en drassige veenbodem beter te boeren valt. Maar hoe lager het grondwater, des te sneller het veen oxideert, inkrimpt en verdwijnt. Daardoor zakt de bodem en komt het water weer omhoog, zodat – om het boerenland droog te houden – het waterpeil opnieuw omlaag moet. Ziehier het cyclische proces – of de vicieuze cirkel, zo u wilt – in een notendop. 

De gevolgen van deze drooglegging zijn tamelijk funest. ‘Natuurgebieden verdrogen, houten funderingen van gebouwen komen bloot te liggen en gaan rotten, wegen verzakken, er is last met de riolering. Buizen knappen en ook elektriciteitskabels zakken mee’, somt Oosterveld op. ‘Eigenlijk kun je zeggen: hoe dieper de bodem zakt, hoe groter de problemen. Vandaar ook dat de provincie een visie wilde op het veenweidegebied en drie jaar geleden de adviesgroep heeft ingesteld.’

Hans van der Werf zit ongeduldig op zijn stoel te schuiven. De milieubeschermer formuleert het graag nog een tandje scherper. ‘Al vanaf de jaren zestig, zeventig is duidelijk dat die drooglegging ook nadelige gevolgen heeft. Maar de druk op de landbouw om grootschalig te produceren, was altijd dusdanig hoog dat daar niets mee werd gedaan. Het waterpeil moest omlaag, want dat was nu eenmaal beter voor de boeren. Maar dat valt nu niet meer te verdedigen. Ook qua kosten.’

Ook vanuit de landbouw begint het nu te knijpen, vertelt hij. ‘Kijk, vroeger lagen de natuurgebieden in het veenweidegebied laag en de landbouwgronden eromheen hoog. Door de drooglegging is dat nu precies andersom. Om het water in die natuurgebieden vast te kunnen houden, moet je steeds verdergaan met damwanden en bufferzones aanleggen. De scheiding tussen natuur en landbouw is daardoor enorm groot geworden. Die natuurgebieden zijn nu als het ware bloempotten in een leeg landschap.’

Voor een groot deel van de veenweide is redding inmiddels te laat, erkent Van der Werf. ‘Vanaf de jaren zestig is een groot deel van het gebied volgebouwd. Woningen, bedrijventerreinen, wegen. Alles werd afgestemd op verlaging van het waterpeil. Daarom is het niet realistisch om te zeggen: laten we een derde van Friesland weer onder water zetten.’

Een visie op hoe het nu verder moet met het veenweidegebied is dan ook hard nodig, vindt de natuurbeschermer. ‘De handen moeten uit de mouwen, wij willen aan de slag, samen met de boeren.’ Want in de landbouw is een omslag in denken nodig, zegt Van der Werf. ‘Boeren kijken meestal naar de “natschade”.  Vanwege de schaalvergroting willen ze met grotere machines het land in kunnen. Als het land te nat is, kan dat niet en hebben ze lagere opbrengsten. Maar er is ook zoiets als “droogschade”: het land verdort, waardoor de productie lager wordt. Daardoor moet er water worden aangevoerd. Dat kost ook veel geld.’

Oosterveld knikt. ‘Na de Tweede Wereldoorlog was er grote behoefte aan een hogere voedselproductie en verbetering van de werkomstandigheden in de landbouw. Tot in de jaren tachtig was er daarom sprake van een vanuit het rijk gesubsidieerde peilverlaging. Na die tijd is gezegd: Waarom doen we dat eigenlijk nog? Er is genoeg melk en het is niet goed voor de natuur. Toen al is er geen geld meer verstrekt voor diepe ontwatering in veenweidegebieden.’ 

Maar daarmee werd het probleem afgeschoven naar de provincies die het op hun beurt weer op het bordje legden van de waterschappen, stelt Van der Werf. ‘Voor de landbouw werd altijd uitgegaan van een waterpeil van standaard tachtig centimeter onder het maaiveld. Nu ligt dat genuanceerder. De provincie wijst de functie aan van een gebied, bijvoorbeeld natuur of landbouw, en zegt dan tegen het waterschap: regel het maar. Geen wonder dat het dan veel geld kost.’ 

Oosterveld beaamt dat: ‘Al die verschillende peilvakken, een gemaaltje hier, een pompje of stuwtje daar.’ Als we op dezelfde voet verder gaan, zal het waterbeheer ons in de toekomst alleen nog maar meer geld kosten, voorspelt hij. ‘Door de klimaatverandering komt er nog heel wat op ons af. De gemiddelde hoeveelheid neerslag neemt toe, maar we zien ook meer extremen, dus periodes van extreme neerval én grote droogte.’

Dat heeft grote gevolgen voor hoe we in Nederland onze waterhuishouding moeten inrichten, meent Oosterveld.  ‘Tot in de jaren negentig gingen we nog uit van het principe: pas het waterpeil aan aan onze technische normen. Als het peil te hoog werd, dan moesten we het overtollige water zo snel mogelijk uit een gebied afvoeren. Door dat technische denken heeft bijvoorbeeld de stad Groningen in 1998 bijna onder water gestaan.’

Hij legt uit. ‘Moet je je voorstellen: Drenthe is net een omgekeerd soepbord, omdat het hoger ligt. Het water stroomt vanaf dat soepbord via beken onder andere door Groningen naar het Lauwersmeer. Maar bij veel neerslag stuwt het voor het Hogeland enorm op, met alle wateroverlast in Groningen en omgeving tot gevolg.’

Die overlast komt, zegt Oosterveld, doordat we al die beken vroeger hebben ‘genormaliseerd’, rechtgetrokken. ‘Wijs geworden hebben we vanaf eind vorige eeuw een begin gemaakt met de aanleg van waterbergingsgebieden, zoals bij Eelde en Peizermade. Ook laten we die beken nu weer hermeanderen, zoals de Westerwoldse Aa in Groningen en delen van de Drentse Aa bijvoorbeeld.’

Dergelijk maatwerk is ook in Friesland nodig, vindt Van der Werf.  ‘Het beleid was: bij droogte in de zomer laten we water bij Lemmer erin en in de natte winter laten we het er via de gemalen weer uit. Vandaar ook dat er een supergemaal bij Lauwersoog zou komen. Maar daarmee los je het probleem niet op.  Je kunt de miljoenen die dat gemaal zou kosten beter steken in de haarvaten van het watersysteem.’ 

Oosterveld is het daarmee eens. ‘Kijkend naar de klimaatscenario’s is het belangrijk om goed te begrijpen hoe het natuurlijke systeem in elkaar zit. Daarom hebben wij als adviesgroep gezegd: koppel het waterbeleid met het natuurbeheer. Je kunt de intensivering van landbouw, het weidevogelbeheer en het waterbeleid niet los van elkaar zien. Daarom ook ons gezamenlijke advies: maatwerk en een integrale aanpak met inzet van alle beschikbare middelen, zoals de Wet Inrichting Landelijk Gebied. Ook de verbouw van snijmaïs ontmoedigen helpt, want die teelt versnelt de afbraak van veen enorm.’

Van der Werf knikt enthousiast: ‘Wij zouden als milieufederatie kunnen zeggen: alle veenweide moet behouden blijven. Het moet radicaal anders. Alles moet weer onder water…’ Oosterveld schudt het hoofd: ‘Dat is volstrekt irreëel! Er zitten tweeduizend boeren in die gebieden. Denk ook aan de werkgelegenheid!’  

Van der Werf glimlacht. ‘Dat is dan ook niet ons uitgangspunt. Vroeger wel hoor. Toen waren we veel radicaler. Maar dat leverde niets op. We werden vriendelijk aangehoord, maar ons verhaal werd voor kennisgeving aangenomen en er veranderde niets. Nu kijken we waar we het verschil kunnen maken.’

De milieuman kijkt Oosterveld aan. ‘Ik wil hier wel eerlijk vertellen: Ik was op een gegeven moment he-le-maal klaar met die veenweidediscussie. Steeds dezelfde reactie bij waterschap en provincie: “Daar heb je ze weer”. We merkten bij landbouworganisaties dat die de hakken in het zand zetten. Maar nu? Zoals gezegd, met de klimaatverandering komt er van alles op ons af. Boeren zien er soms geen been meer in. Die zeggen: “Maak er maar natuurgebied van.”  Maar waar het ons om gaat: wij willen af van die tegenstelling: óf landbouw óf natuur. Waarom niet op een deel van een perceel een poeltje aanleggen? Dat is ook nog eens goed voor de weidevogels.’ 

De tegenstelling tussen natuur en landbouw was jarenlang enorm, bevestigt Oosterveld. ‘Het was een soort territoriumgevecht. Nu is er naast de landbouw ook nog de recreatie bijgekomen. Daarom is het ook zo belangrijk om heldere en gezamenlijke doelstellingen te formuleren.’ 

Van der Werf wijst op nog een problematiek die voortkomt uit de drooglegging van het veenweidegebied: de uitstoot van CO2 door de oxidatie van het veen. ‘Ik ben echt geschrokken van de hoeveelheid CO2 die daarbij de lucht in gaat. Als de veenweide kon blijven zoals die nu is, dan hadden we in Friesland bijvoorbeeld helemaal geen extra windmolens nodig om de milieudoelstellingen te halen.’ 

Samen met de milieufederaties in Groningen en Drenthe probeert Van der Werf daarom geld bij elkaar te sprokkelen om gebieden te behouden. Zo is er het plan Valuta voor Veen, waarbij boeren de emissierechten die zij krijgen door veenweidegebieden in stand te houden, weer kunnen verkopen op een koolstofmarkt. Een lagere CO2-uitstoot wordt op die manier geld waard.  

De federaties willen bijvoorbeeld energiebedrijf Nuon overhalen om die emissierechten te kopen, en zo te investeren in het veenweidegebied. ‘Zij maken nu veel geld over naar het buitenland om daar bossen te planten als compensatie voor hun CO2-uitstoot, omdat het niet mogelijk is te investeren in Nederland. Wij zijn nu bezig met een pilot in de Noordelijke Friese Wouden om daar het waterpeil in het Bûtenfjild te verhogen. Het zou mooi zijn als Nuon daarin investeert, zodat het voor de boeren daar een verdienmodel wordt.’ 

 Van der Werf schetst daarmee de richting die het wat hem betreft uit moet:

‘De rol van de overheid wordt steeds beperkter, die heeft geen geld meer. We moeten er daarom met elkaar uitkomen. Je ziet al steeds meer lokale initiatieven. Energiecoöperaties, repaircafés, op het gebied van voeding. Dat de overheid bepaalt, is niet meer van deze tijd. We moeten veel creatiever zijn.’

Oosterveld twijfelt: ‘Er moet toch iemand zijn die de richting bepaalt. Je hebt een overheid nodig die zorgt voor samenhang. Bij een integrale aanpak moet je geld hebben voor iedere poot. Landbouw, natuur, recreatie. Als je één pootje weghaalt, werkt het hele systeem niet meer.’

Zijn gespreksgenoot schudt het hoofd. ‘Ik zie de toekomst veel lokaler. Je moet verantwoordelijkheid geven aan de grondeigenaren. Samen een gebied beheren: “Als jij een gebied laat onderlopen, dan kan ik verder met boeren.” Maar misschien is dit een utopie hoor.’ 

Oosterveld blijft afwerend. ‘Begrijp me niet verkeerd: die collectieven voor agrarisch natuurbeheer vind ik een goede ontwikkeling. Maar in de jaren negentig is al veel gesproken over meer particulier natuurbeheer. Grondeigenaren en boeren keerden zich toen tegen de macht van natuurorganisaties, met de boodschap: “Wij kunnen dat beter en goedkoper.” We zijn nu zoveel jaren verder. Nu is wel het moment dat het dan ook moet gebeuren met dat agrarisch natuurbeheer. Want anders is het afgelopen met het verweven van functies.’ 

Van der Werf kan zich daar in vinden. ‘Ik ben niet zo van de data, maar als het in 2018 niet is gekenterd, dan moeten we toe naar reservaatgebieden voor de veenweide.’ 

Ondanks deze sombere bespiegelingen houden de beide mannen goede hoop. Oosterveld: ‘De afgelopen tien, twintig jaar hebben we de discussie gehad over wie er verantwoordelijk is voor het landelijk gebied. Dat hebben we nu wel gehad. We moeten het samen doen. Vandaar ook dat de adviesgroep is gekomen met een gezamenlijk voorstel.’ Natuurorganisaties, de landbouwsector, woningbouwverenigingen, de toeristenbranche, het midden- en kleinbedrijf. ‘Als het goed is staat iedereen erachter’, benadrukt de voorzitter. Eigenlijk kan dat ook niet anders, vindt Oosterveld. ‘Water is nu eenmaal de verbindende schakel in het landelijk gebied.’

Hendrik Oosterveld is voorzitter van de Adviesgroep LTV Friese Veenweide. Verder is hij onder meer voorzitter van het Overlegorgaan Nationaal Beek- en Esdorpen Landschap Drentsche Aa en voorzitter van de Bestuurscommissie herinrichting Peize. Van 1998 tot en met 2010 was Oosterveld regiodirecteur Noord en daarmee Bestuurlijk vertegenwoordiger van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe.

Hans van der Werf is sinds 2011 directeur van de Friese Milieu Federatie. Hij maakte namens 38 natuur- en milieuorganisaties in Friesland deel uit van de Adviesgroep LTV Friese Veenweide. Daarbij heeft hij gewerkt op het raakvlak van water, natuur en ruimtelijke ordening, bij onder andere Vitens, Tauw advies en de provincie Overijssel.