Het voormalige verzorgingshuis Hunzerheem in Groningen was jarenlang een probleemgeval. De flat aan de Populierenlaan stond leeg, corporatie Lefier had er geen bestemming voor en krakers hadden er daarom maar bezit van genomen. Een private ontwikkelaar keek anders tegen het enorme gebouw aan. Hij zag in de grote verzameling kleine wooneenheden ideale studentenwoningen. Hij nam de architecten van AAS Groningen in de arm en samen bekeken ze wat er mogelijk was.

‘We waren al gauw enthousiast. En de buurt ook’, zegt architect Aron van Delft. ‘De omwonenden drongen erop aan dat het gebouw een woonbestemming kreeg, en wat ons echt verraste, ook op de onderste twee bouwlagen moest leven zijn.’ In die bouwlagen waren grote gebruiksruimtes aangebracht voor bijvoorbeeld de keuken en de eetzaal. ‘Dat gaf ons de kans om op die niveaus heel verschillende vormen in te tekenen, een aantal specifiek voor mensen met een beperking.’

Op dit moment wordt in het grootste deel van Hunzerheem al gewoond door studenten, elk op hun 25 vierkante meter met eigen sanitair en keukentje. En een spectaculair uitzicht over de stad. Ondertussen is de verbouwing van de onderste bouwlagen nog in volle gang. ‘We werken laag voor laag. En als we beneden klaar zijn, komt er nog een verdieping boven op het gebouw.’ Uiteindelijk zullen er driehonderd studenten wonen. Voor leegstand is Van Delft niet bang. ‘Dit ligt perfect tussen het centrum en Zernike, en de kamers zijn zeer gewild. Voor dit gebouw had je geen betere herbestemming kunnen bedenken.’

Leegloop

Maar het probleem van leegstaand zorgvastgoed doet zich niet zozeer voor in een stad, zeker niet in een levendige studentenstad. Het probleem is vooral te vinden op het platteland, zoals in Wagenborgen, onder Delfzijl. Verzorgingshuis Menterne heeft plaats voor 72 bewoners, maar de helft van het verouderde gebouw staat leeg. Dat heeft alles te maken met de ingrepen in het zorgstelsel. De laagste zorgzwaartecategorieën kunnen niet langer aanspraak maken op zorg binnen de muren van een instelling die wonen en zorg koppelt. Daarmee droogt de instroom van nieuwe bewoners op in de verzorgingshuizen. Alleen de zware categorieën, traditioneel voor de verpleeghuizen, kunnen nog op zogenoemde intramurale zorg rekenen. De rest moet zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen. Dus lopen de verzorgingshuizen leeg.

Corien Gosker zoekt als projectleider bij Zonnehuisgroep Noord nieuwe invullingen voor Menterne en andere locaties van de zorginstelling. ‘Wij hebben er ongeveer twintig, groot en klein, heel nieuw, maar ook verouderd. De meeste daarvan staan in kleinere kernen.’ De zorginstelling gooide al in 2009 het roer om door in te zetten op het begrip ‘zorggemeenschap’. ‘De gedachte daarachter is dat we elkaar nodig hebben om de kwaliteit goed te houden: cliënten, mantelzorgers, vrijwilligers, de professionals natuurlijk, maar ook de dorpen als geheel.’ De zorggroep liet zich dus niet verrassen door het nieuwe kabinetsbeleid, met de veel zwaardere nadruk op zelfstandig wonen en mantelzorg. Ondanks die vooruitziende blik eisen de bezuinigingsmaatregelen wel hun tol. ‘We zijn een plattelandsaanbieder. Het goedkoopste zou zijn om een flink aantal huizen te sluiten en de cliënten in de rest op te vangen, maar dat willen we niet. Dat past niet bij ons.’

All-inclusive

Terug naar Wagenborgen, een van de zorgenkindjes van de Zonnehuisgroep Noord. Maar ook een locatie voor experimenten met nieuwe invullingen. Zoals de introductie van ‘all-inclusive wonen’. Door ouderen appartementen te laten huren en tegelijk zo veel mogelijk diensten te laten afnemen – het eten, de was, schoonmaken, gezamenlijke activiteiten – nemen de kosten af van die faciliteiten die er toch al zijn voor de bewoners die er nog zitten op een zorgindicatie. 

Netty van Triest doet vanuit Platform31 onderzoek naar deze en andere nieuwe vormen van woon-zorgcombinaties, en adviseert ministeries en gemeenten over dit onderwerp. Ze is enthousiast over de resultaten in Wagenborgen. ‘De collectieve financiering is stopgezet, maar de doelgroep is er nog wel, zeker in een krimpgebied. De bevolking vergrijst daar niet alleen, de jongeren trekken er weg, wat ook een deel van de potentiële mantelzorg wegneemt. Bovendien weten we dat een deel van de tachtigplussers behoefte heeft aan sociale contacten en bescherming, met name de alleenstaanden.’ 

Een plek waar gezelligheid te vinden is, waar in de dagelijkse behoeften wordt voorzien, biedt dan een uitkomst. Van Triest wijst er wel op dat de doelgroep in krimpgebieden ook vaak een laag inkomen heeft. ‘De vraag is dan of je een woondienstenpakket kunt maken dat exploitabel is en toch nog betaalbaar voor de huurders.’ Een mogelijk strategie is vrijwilligers uit het dorp inzetten voor de eenvoudige werkzaamheden, zoals in Wagenborgen. Maar er zijn ook goede ervaringen met verstandelijk beperkten die dergelijke klusjes uitvoeren. ‘Ook dan heb je minimaal zestig huurders nodig die de diensten afnemen, en nog een aantal bewoners met een zwaardere zorgindicatie.’ 

Gemeente aan zet

Van Triest wijst nadrukkelijk op de verantwoordelijkheid van de regionale zorgkantoren, die bepalen waar de financiering heengaat voor de groep die nog wel intramurale zorg ontvangt. ‘Een zorgkantoor moet tussen de oren krijgen dat het een breed belang dient om zulke zorg te spreiden over een gebied. De gemeenten hebben net zo goed een rol, als de inkoper van zorg. Wat hebben we ervoor over op dit op de been te houden?, zullen ze zichzelf moeten vragen.’ 

Van Triest stelt dat we in een nieuw tijdperk zijn gekomen. ‘Voorheen kon iedereen met de collectieve financiering zijn eigen dingetje doen. Nu de geldstromen samenkomen op het niveau van de gemeente, krijgt die ook de zware rol van spelverdeler, van katalysator voor nieuwe vormen. Je ziet de gemeenten daar nog mee worstelen, maar het kan wel. Als je die oude verzorgingshuizen gaat bekijken als “gemeenschapsbouwers” kun je daar veel functies samenbrengen.’

Ondanks het enthousiasme van Van Triest is de toekomst van Menterne ongewis. Een oproep voor vrijwilligers uit het dorp heeft genoeg reacties opgeleverd om de bewoners er tot 2018 te kunnen huisvesten zonder dat de kosten de pan uit rijzen. Zij doen het werk waar eerder professionals voor werden betaald. Maar dan nog is het te duur. ‘In 2018 loopt ons huurcontract af. Dan verwacht ik dat onze instelling daar sluit’, aldus Gosker. ‘Wat overigens niet betekent dat er niets meer zal gebeuren. Er is een initiatiefgroep opgezet met dorpsbelangen, gemeente, de gebiedsregisseur, een vrijwilligerscoördinator, de corporatie, en wij praten daarin ook mee. Mensen dromen in Wagenborgen van een soort hofje, beschut wonen. Menterne zoals het nu is, dat kan niemand meer exploiteren. Wagenborgen zal dus een nieuwe invulling moeten vinden. Het verzorgingshuis zoals we dat kenden is passé. Het wordt het huis van het dorp, of van de wijk.’ 

Of dat in Wagenborgen lukt, moet nog blijken. Voor veel van de andere locaties van Zonnehuisgroep Noord is dat wel een kansrijk perspectief. Zoals in Leens, waar veel ouderen uit het dorp geregeld aanschuiven voor de maaltijd, of een activiteit.

Vliegtuigen in de woestijn

Coen Weusthuis is procesmanager. Hij organiseerde in het najaar van 2014 in Groningen een Krimpcafé met leegstaand zorgvastgoed in krimpgebieden als thema. Daar werd ook de metafoor van vliegtuigen in de woestijn geïntroduceerd. Met de bezuinigingen in de zorg is sluiting van verzorgingshuizen vaak onvermijdelijk, maar hetzelfde vastgoed dat nu niet rendabel is, hebben we over twintig jaar weer nodig. Dan zal met de doorzettende vergrijzing de vraag naar intramurale zorg het aanbod weer overstijgen. Kortom: sloop nu niet wat je over twintig jaar weer nodig hebt, maar parkeer de vliegtuigen die je nu niet kunt gebruiken in de droge woestijn waar ze roestvrij blijven, zoals in de Verenigde Staten gebeurde. Weusthuis plaatst meteen de kritische kanttekening bij dit beeld: ‘De vraag is of de zorghuizen van vandaag geschikt zijn voor de toekomstige generatie ouderen.’ Toch is het signaal van belang: kijk verder dan het huishoudboekje voor de komende paar jaar. Dat mag je niet van een individuele zorginstelling verwachten – al vind hij dat Zonnehuisgroep Noord daar lovenswaardige inspanningen voor verricht – dat mag je evenmin droppen bij een goedwillende dorpsgemeenschap, of bij een corporatie die toevallig de eigenaar is van vrijkomend vastgoed. Weusthuis stelt dat hier de overheid aan zet is. 

‘De komende twintig jaar zal het aantal tachtigplussers meer dan verdubbelen. De gemeenten moeten hier nu al over nadenken, maar ook op regionale schaal is regie nodig. Het is in ieders belang om met elkaar goede oplossingen te vinden voor een robuuste zorginfrastructuur in de nabije toekomst.’

Weusthuis onderscheidt twee kanten: de vastgoedkant en de systemische kant. Het zorgsysteem van de komende jaren leunt meer en meer op de mantelzorg, maar het is aan de gemeenten om daar de goede ondersteuning te bieden. Vooral als het gaat om de inzet van vrijwilligers die niet direct een relatie hebben met de zorgbehoevenden. ‘Hoe organiseer je dat? Dát is van heel groot belang.’ Het blijkt dat een goed functionerend netwerk van mantelzorgers en vrijwilligers behoefte heeft aan professionele ondersteuning, bijvoorbeeld vanuit de bestaande verzorgingshuizen. Omdat dit de gemeenten ook financieel ontlast, wordt daar op verschillende plaatsen al hard aan gewerkt.

Aan de vastgoedkant zijn corporaties en zorginstellingen nu het meest actief. Maar ook daar moet de overheid zich op richten, vindt Weusthuis. ‘Eigenaren van zorgvastgoed zullen bij leegstand al snel kiezen voor een boekhoudkundige benadering.’ Oftewel: als een gebouw geen boekwaarde meer heeft, kun je het beter slopen. ‘Maar levert zoiets ook het hoogste maatschappelijke rendement op? Is er niet een oplossing die over de hele breedte optimaal is? Willen we zulke afwegingen maken, dan is regie op het niveau van de overheden onontbeerlijk.’

Creatieve herbestemmingen van verzorgingshuizen halen vaak het nieuws: als huisvesting voor statushouders, voor arbeidsmigranten, als hotel. Maar dat zijn de uitzonderingen, niet de blauwdrukken die overal te kopiëren zijn. In plattelandsgebieden waar de toeristen niet in drommen op af komen, en waar ook andere doelgroepen ontbreken, zal de grootste kans liggen bij het dorp zelf, en bij de gemeente die bereid is om op de langere termijn te denken, en daar ook naar handelt.

Strategisch slopen

Tot zover de financiën en de gemeenschapszin. Blijft het feit dat het om stenen kolossen gaat die vaak in de jaren zestig en zeventig zijn opgetrokken. We vinden ze vaak lelijk, en energiezuinig zijn ze ook maar zelden. Toch ziet ook een architect als Van Delft nog genoeg kansen. ‘De eerste reactie bij zulke verouderde gebouwen is toch vaak: sloop alles maar. Ik snap best dat je onder de streep kijkt en dat de exploitatie dan negatief uitvalt. Maar de ontwikkelingen op het vlak van energie gaan nu zo snel, wat nu qua energiehuishouding te duur is, kan over vijf jaar misschien al wel uit. En ik ben zelf ook een voorstander van strategisch slopen. Haal de bijgebouwen weg, pel het geheel af en kijk goed naar wat er overblijft. Al zou het een paar jaar een maatschappelijke bestemming krijgen die niet alle kosten dekt, je houdt de optie voor de toekomst wel open.’ Neem Hunzerheem. Tien jaar lang gekraakt, en nu een waardevol stuk vastgoed. Zo kan het gaan.