Deze kerstdagen doken we, gewapend met laptops, onder in BoLo, de nieuwe troetelwijk van hip en booming Amsterdam. Het was een soort CSI, omdat we tussen de schrijfuren door fietstochtjes maakten door de naoorlogse wijken waarover in maart een boek verschijnt. BoLo, wij moesten ook even wennen, staat voor Bos en Lommer en is de eerste wijk waar vlak voor 1940 de stedenbouwkundige en architectonische idealen van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) uit 1934 werkelijkheid werden. De ambitie was groot: zoals de maatschappelijke verhoudingen van de zeventiende-eeuwse koopmansstad in de grachtengordel hun uitdrukking kregen, zo moesten de waarden van de twintigste eeuw gestalte krijgen in het AUP. Dit was de eeuw van de sociale gelijkheid, de vrije mens die zichzelf kon ontplooien en in moderne flats woonde te midden van een uitgestrekt parkenstelsel. Het geloof in de maakbaarheid van de mens stolde in moderne architectuur en een geabstraheerd ontworpen polderlandschap. Het gezin vormde daarin de module. De wijken waren de etalage van een modelsamenleving, die in luttele jaren werd opgebouwd.

De afbraak ging zo mogelijk nog sneller: tegelijk met het einde van de maakbaarheid werden de groene stadsuitbreidingen successievelijk tot periferie, no-gogebied en prachtwijk verklaard. Maar BoLo kwam er weer bovenop en werd centrum, de overige wijken zullen volgen. Waar de biologische hipsterfrietzaak nu nog naast de Indiase bruidsjurkenwinkel zetelt, heeft de betutteling plaatsgemaakt voor creativiteit en hippe lifestyles van multiculturele snit. Gentrification, alweer een Engelse term, zo heet het fenomeen waarbij buurten van kleur verschieten door verStarbuckisering en stijgende huizenprijzen. Voor de wijken van het AUP een onvermijdelijk proces; de marktwerking heeft haar eigen maakbaarheid.

De periferie van Amsterdam wordt centrum – hoe zit het met de periferie van de Randstad? Daar ligt de stedenbouwkundige onderneming waarmee de verzorgingsstaat zo ongeveer is uitgevonden. In de Kolonien van Weldadigheid is vanaf 1818 volop geexperimenteerd met de mens als onderwerp van staatsgestuurde social engineering. Duizenden paupers uit de verarmde Hollandse steden belandden via crowdfunding (voor 1.600 gulden kon je, heel weldadig, een gezin voor 16 jaar wegzenden) op de arme Drentse en Overijsselse zandgronden – zonder boerenverstand, en nog zonder kunstmest. In deze mini-maatschappij droegen kolonisten koloniekleding en werd iedereen continu in de gaten gehouden. Maar er was ook godsdienstvrijheid, een ziekenfonds en leerplicht. Ook deze utopie hield het niet lang vol en werd niet de plek waar oplossingen werden gevonden, maar waar problemen zich opstapelden.

Volgens ons is het een kwestie van tijd voordat de onderscheidende kwaliteiten van dit staatslandschap herontdekt worden. In een drukke wereld worden splendid isolation, onthaasting, landschap en verte schaarse goederen. En we weten wat er dan met de prijs gebeurt.