Het is nat op het Hogeland. Akkers staan blank, de sloten en maren kunnen het water niet meer afvoeren. Door een modderplas bereik ik de voordeur van de zusters Hillegon (1942) en Titia (1952) Warendorp Torringa, die een boerderij bewonen tussen Warfhuizen en Zuurdijk. ‘Niks aan’, zegt Hillegon, terwijl ze een blik werpt op de loodgrijze wolken.

Even later voegt Titia zich bij ons. ‘Hier wordt gerookt’, zegt ze, terwijl ze me een tikkeltje uitdagend aankijkt. ‘Dan is het jammer dat ik mijn sigaartjes niet bij me heb’, antwoord ik haar. Titia is tenger, vakantiegebruind, geblondeerd, en gekleed in een skinny jeans. Niet het type struise boerin. Waar zij veelal zwijgt, valt Hillegon op door haar stem die een diepe, Groningse klank heeft – een baksteenrode klank, zou Gerrit Krol gezegd hebben.

Een glas-in-loodraam deelt de woonkamer in tweeën. In beide kamers een bank, stoelen, een salontafel, een asbak, en voor iedere zus een eigen tv. De kamers van Hillegon en Titia komen uit op een serre, met uitzicht over oud land. Of ze geen last heeft van die windmolen daar, vraag ik Hillegon. Soeverein draaien de helwitte wieken hun ronden tegen het decor van een donkere lucht. ‘Nee hoor, uitzicht genoeg hier’, zegt ze. Zo kun je het ook bekijken. Hillegon woont al haar hele leven op deze plek. Haar ouders kochten de boerderij in 1949. Ze loopt naar een kast en haalt fotoalbums tevoorschijn.

Ik zie een vader in een leunstoel in de tuin. Op zijn schoot de kleine Hillegon. Hij oogt ontspannen; zijn kaplaarzen en de breedgerande rieten hoed die naast zijn stoel ligt, doen vermoeden dat hij zojuist van het land gekomen is.

Ik zie een foto van een klein meisje op zwarte klompjes. ‘Op die klompjes leerde ik weer lopen nadat ik kinderverlamming had gehad’, vertelt Hillegon. Dat moet in 1944 of ‘45 geweest zijn. Zomaar, van het ene op het andere moment, was ze door haar beentjes gezakt. Ze was destijds het enige geval van kinderverlamming in de hele provincie Groningen. Hillegon loopt naar de gang en haalt de klompjes tevoorschijn. Al die jaren bewaard. De afgesleten zooltjes het trotse bewijs van genezing.

Even verderop in het album poseert Hillegon met haar broertjes en zusjes op de monumentale trap van de boerderij Pollux. Haar moeder komt daarvandaan, en Hillegons broer heeft er geboerd. De laatste tien jaren van zijn leven deed hij dat samen met zijn geliefde Trees.

‘Hier op deze boerderij was het apenland. Die stukken daar in de verte werden “Jammer” genoemd. Koeien wilden er niet eens grazen.’ Zware klei, verklaart Hillegon. Op Pollux, dichter bij het Reitdiep, was het op de lichtere grond beter boeren.

Maar Pollux staat nu leeg en de huidige eigenaar, die in een nieuw huis ernaast woont, lijkt ermee in zijn maag te zitten. Pottenkijkers wil hij niet op zijn erf, maar Titia mocht laatst een kijkje nemen. Zij schrok van de verwaarloosde toestand. Pollux is in de Romeinse mythologie de onsterfelijke tweelingbroer van Castor. Maar de boerderij is tegen alle mythologische verwachtingen in bezig een stille dood te sterven. De huidige eigenaren helpen het rijksmonument daar een handje bij, door bij harde wind de ramen en deuren tegen elkaar open te zetten.

 Hillegon zucht. Zij is blij dat haar moeder dit niet meer hoeft mee te maken; 97 jaar werd ze. Een paar maanden na haar overlijden overleed haar broer, de boer op Pollux. Ook dat verdriet is haar moeder bespaard gebleven.

Er valt een stilte.

Hillegon verschuift de krant op de salontafel. Titia verroert geen vin, steekt zelfs geen sigaretje op.