Koester de openbare ruimte

Nu de crisis voorbij is lopen we het risico dat alle grond naar de hoogste bieder gaat, tot zelfs de laatste snippers openbare ruimte privébezit zijn. Maar de Groningse wijk Hoornse Meer bewijst dat een zorgvuldig ontworpen publieke ruimte belangrijk is voor de hele stad.

TEKST
Merel Melief

Een stalen geraamte houdt twee netten van zeer grote omvang in een hoek van 120 graden, daar waar het Van Starkenborghkanaal vanuit westelijke richting rakelings langs het Zernikecomplex van de Rijksuniversiteit en enkele buitenwijken scheert. Honderden licht- en donkergrijze plaatjes die in de mazen van het net hangen, vormen een geometrisch patroon en creëren een besloten ontmoetingsplaats. Als een eerbetoon aan de openbare ruimte, zo kun je dit door architect Gunnar Daan ontworpen kunstwerk zien, dat dateert van 1990, toen de stad Groningen 950 jaar bestond. Links een eigentijds straatprofiel, rechts een klassieke zuilengalerij, de stoa langs marktpleinen en straten waar de oude Grieken hun debatten voerden en naar lezingen luisterden.

Met enige fantasie is de sprong van het oude Griekenland naar het moderne Groningen niet eens zo groot. Uit het juryrapport van de Rotterdam-Maaskantprijs 1992, toegekend aan wijlen wethouder Ypke Gietema: ‘Zijn opvatting was dat juist de oude stadskern nieuw leven ingeblazen moest worden en dat de stad niet in middelpuntvliedende dorpse uitbreidingen met het platteland moest vergroeien, noch van perifere kantoor-agglomeraten voorzien moest worden met wegzuiging van bedrijvigheid uit de kern. Het elan, de vitaliteit en de aantrekkingskracht van het stadsleven diende bij voorrang de oude stad als energiebron en kloppend hart te benutten door daar de kwaliteit van oude architectuur en stedenbouw optimaal te gebruiken. (…) Van groot belang is het streven om de stadsrand niet als horizontaal verglijdende en anonieme periferie op te vatten, maar rechtop te zetten en stedelijk te houden met levendige woonwijken waar zowel hoog als laag en grote dichtheid legitiem zijn. Daarvan is Corpus den Hoorn het uitschietende voorbeeld.’

Volgens het adagium dat de stad een samenhangend stelsel van openbare ruimtes dient te zijn, bleven in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw onder meer het provinciehuis, de openbare bibliotheek, de universiteitsbibliotheek. Ze vormen als het ware de zuilengalerij van de oude Grieken en liggen niet op kilometers afstand van het hart, de Grote Markt/Waagstraat, waarvan de reconstructie past in het concept om de historische potenties van de stad beter te benutten.

Maar het verlangen van Gietema en zijn politieke en ambtelijke medestanders naar een betere werkelijkheid uitte zich niet alleen in de samenballing van een veelvoud aan functies in een compacte binnenstad. Uiteindelijk leidde vooral de wijze waarop de wijk Corpus den Hoorn Zuid vorm kreeg ervoor dat Gietema de belangrijkste architectuurprijs van het land won. De tussen het Paterswoldsemeer en het Martini Ziekenhuis gelegen, ook wel Hoornse Meer genoemde wijk biedt stedelijk wonen in hoge dichtheden met veel laagbouw en vooral veel aandacht voor de openbare ruimte. Niet alleen in de ruimtelijke structuur, het stratenpatroon en de woningen zelf zie je de enorme zorgvuldigheid waarmee de wijk ondanks tegenwerking van rijk en provincie en verzet van burgers is ontworpen. Je ziet die zeker ook in de omgeving van de openbare ruimtes en de overgangen tussen publieke en private ruimten.

Toenmalig stadsarchitect en hoofdontwerper van de wijk Maarten Schmitt nu: ‘Voor Corpus den Hoorn lag een ontwerpbestemmingsplan klaar dat voorzag in de bouw van luxe villa’s in een lage dichtheid met veel water en groen. Gietema wilde dit parkplan met dure woningen op eilandjes veranderen in een wijk met zeer dichte bebouwing aan het grootste recreatiegebied van de stad. Een plan met sociale woningbouw dat de stad aan het meer legt. Een plan ook dat moest bijdragen aan een samenhangende en compacte stad, met een heldere en ondubbelzinnige openbare ruimte om je op straat-, wijk- en stadsniveau goed te kunnen oriënteren. Daarmee rekende hij af met de tendens in de stadsvernieuwing om wijken meer en meer te individualiseren. De openbare ruimte kreeg weer betekenis in verschillende vormen, met als hoogtepunt een kade en plein aan het meer.’

Het kostte de romanticus Gietema – ‘kwaliteit is alleen te bereiken met liefde, emotie en talent’ – heel wat overredingskracht om op deze uitgelezen plek ten zuiden van de stad 2.600 woningen te kunnen bouwen in plaats van enkele honderden. Tegenstanders op het gemeentehuis noemden Corpus den Hoorn een ‘gevaarlijk’ plan. Het Meerschap werkte flink tegen omdat het tot honderd meter uit de oever alles groen wilde houden. Maar uiteindelijk kwam er, zeer tot genoegen van de huidige bewoners, een uitbreiding van het gemeentelijk woningaanbod in de sociaaldemocratische traditie, die in Groningen bijvoorbeeld al had geleid tot de Oosterparkwijk, in Amsterdam tot een vooroorlogse tuinstad als de Spaarndammerbuurt  en tot de Siedlungen in Berlijn en Frankfurt. Een wijk met een flat die aanvankelijk werd bewoond door een groep oud-AJC’ers. ‘Sociale woningbouw op een plek van de rijken’, zeiden de vroege bewoners. Maar het lukte het toenmalig stadsbestuur ook om beleggers over te halen tussen de sociale woningbouw in te bouwen in de marktsector.

Schmitt: ‘Onze uitgangspunten waren eenvoudig en helder. De wijk moet meteen aansluiten op de bestaande stad en niet op Noord-Drenthe en moet geen langdurig “ei in de wei” zijn, zoals Beijum en Lewenborg. Een paar, niet onbelangrijke, punten zijn onopgelost gebleven. Er was inmiddels geen behoefte meer aan scholen en andere openbare voorzieningen. Daarbij wilde ik een jachthaven met daaromheen kleine winkels, café’s en werkplaatsen, mede voor de recreatie. Dat bleek onmogelijk, door de protectionistische opstelling van het Meerschap dat de zuidwest-ontwikkeling van het meer stimuleerde. Doodzonde! Je voelt nog steeds die rare leegte als je daar bij het haventje staat. Gelukkig hebben we wel voor stedelijkheid aan het meer kunnen zorgen. Over elke meter dicht bij het water moesten we wel onderhandelen. Maar in zijn algemeenheid heeft de wijk met al die vooral recreatieve voorzieningen goed uitgepakt. En de begane grond van de bebouwing bij het haventje biedt nog altijd ruimte voor winkels, een werkplaats en een kroeg.’

 

Wat de oude Grieken vast niet konden – en wilden – voorzien, was de constructie van gated communities, de absolute tegenhanger van wijken als Corpus den Hoorn. Hekwerkwijken worden ze in Nederland wel genoemd, woonwijken waarin alle in- en uitgangen afgesloten zijn, met beveiliging en bewaking en bedoeld voor de hogere klassen. Ze bevinden zich vooral in landen waar de kloof tussen arm en rijk groot is, zoals in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. In Nederland komen ze – nog – niet voor.

Nederland, en vooral het Noorden, heeft sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw wel te maken gekregen met een ander architectonisch en planologisch fenomeen, Witte Schimmel. Hans Elerie, destijds directeur van de Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe, omschreef deze ontwikkeling als volgt: ‘Drenthe wordt geteisterd door een witte tornado die hele esdorpen doet verdwijnen achter een façade van kleinburgerlijk modernisme. Het cultuurgeweld manifesteert zich bij voorkeur op hoger gelegen essen rond de oude woonkernen en wordt aangewakkerd door een ongecontroleerde suburbanisatie, een lage rentestand, een geborneerde daadkracht van kleine plattelandsgemeenten en een falende planologie.’ Elerie leek een roepende in de woestijn, maar gelukkig is het harde wit in het Noorden deels uit de dorpen verdwenen ten gunste van kleuren die traditioneel beter in het landschap passen.

Nee, dan Blauwestad. Dichter bij een tegenhanger van de sociaaldemocratische traditie in de woningbouw leek je in Noord-Nederland niet te kunnen komen. Buitenlandse media maakten zich eind vorige eeuw vrolijk om Nederlanders die land teruggeven aan het water. Winschoten moest een soort Loosdrecht worden om het probleemgebied Oldambt weer perspectief te bieden. ‘De weg naar de toekomst’, riepen provinciale en plaatselijke bestuurders, overigens in meerderheid van sociaaldemocratische huize, in koor. Columnist Martin Bril toonde zich destijds in de Volkskrant nogal sceptisch: ‘Iets ten noorden van Winschoten liggen Finsterwolde en Beerta, nu nog schamele, wat norse dorpen, maar over enkele jaren mondaine badplaatsen, want dan grenzen ze aan een reusachtig meer. Ik keek naar het land: vlak en grimmig.’

Overdreven toekomstverwachtingen dreven het provinciaal bestuur tot het plannen van een hoogwaardig recreatief milieu in een gebied waar de rek al jaren uit was. Maar het moest wel ambitie uitstralen om een langdurige neerwaartse spiraal te doorbreken, vond ook het Nederlands Economisch Instituut. En zo ging Blauwestad zijn eigen vraag genereren op de nationale en Duitse markt voor ‘nieuwe landgoederen’ – ruim wonen met een recreatief karakter, vooral bedoeld voor senioren die op stand wilden wonen op een plek waar geen files zijn, waar het schoon is en waar, in de woorden van een van de Oost-Groningse burgemeesters van toen, de criminaliteit op een niveau ligt waarvan ze in het Westen alleen maar kunnen dromen.

Het sloeg aanvankelijk niet aan. Kopers bleven in drommen weg uit ‘het Venetië van het Noorden’, bijvoorbeeld de Groningers die na hun arbeidzame leven elders in het land wilden terugkeren naar hun geboortegrond, de landgenoten met een redelijk gevulde portemonnee die het armlastige Oost-Groningen een wat evenwichtiger aanzien konden geven en de Duitsers voor wie het toch na het doortrekken van de snelweg naar het Ruhrgebied aantrekkelijk zou moeten zijn om ‘hier hun boot neer te leggen’. Het Oldambt bleef nog lang periferie, ondanks de veranderende verhoudingen in Europa.

Blauwestad flopte en de provincie moest zo’n zeventig miljoen afboeken op het project. Tot een jaar of drie geleden het roer om ging en er naast de dure oevervilla’s ruimte kwam voor goedkopere woningen. Tien jaar nadat het vorige staatshoofd de kraan opendraaide om achthonderd hectare land in de op het Wad gewonnen Graanrepubliek onder water te zetten en Nederland in de woorden van The New York Times de geschiedenis terugdraaide, krijgt Blauwestad eindelijk kleur op de wangen en bloeien omliggende dorpen als Finsterwolde en Beerta op. Voor nog geen twee of drie ton heb je er tegenwoordig al een woning, vrij aan het water. Het Oldambt is weer van iedereen. De ironie van de geschiedenis wil dat Blauwestad, om er een succes van te maken, opschuift in de richting van Hoornse Meer. Gietema zou dat niet meer dan logisch hebben gevonden.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€37,50