Lees hier het pleidooi van Theo Spek voor een grootschalig landschapsplan voor het Noorden terug. 

De meest gehanteerde – inmiddels al weer wat sleetse – term in het debat over de toekomst van het platteland is ‘landschapspijn’. Dit door ecoloog Theunis Piersma bedachte en door publiciste Jantien de Boer gemunte begrip vat klaarblijkelijk in één woord samen waar voor veel mensen de pijn zit. Friesland is Friesland niet meer. Het zo uitbundig met weidevogels, plantensoorten en insecten gestoffeerde landschap is in enkele tientallen jaren tijd door schaalvergroting en technocratisering van de landbouw veranderd in een gebied waar monocultuur, uniformiteit en een welhaast sinistere stilte overheersen.

Natuurlijk valt dit alles niet te ontkennen of te ontlopen. Ieder die een fiets- of wandeltocht door de Bouwhoeke, de Greidhoeke, het Lage Midden of het dal van de Tjonger maakt, wordt er onherroepelijk mee geconfronteerd. Toch heb ik om verschillende redenen moeite met de term ‘landschapspijn’, en niet alleen omdat elke politicus en columnist in Noord-Nederland zijn voordracht of artikel inmiddels met deze term start (ikzelf incluis).
Natuurpijn

Mijn eerste bezwaar is dat de pijn in dit verband niet zozeer zit in het landschap, maar veel meer in de natuur. Waar flora en fauna goeddeels uit het boerenland verdwenen zijn, is het historisch gegroeide landschap vaak nog verrassend goed bewaard gebleven. Niet voor niets werd enkele jaren geleden Friesland uitgeroepen tot mooiste provincie van Nederland, waarbij vooral de relatief gaaf gebleven historische dorpen, verkavelingspatronen, waterlopen, houtwallen en boerderijen als belangrijke criteria golden. Friesland heeft nog altijd een uiterst waardevol landschap – waar overigens veel te slecht voor wordt gezorgd. Het echte probleem is dat de natuur die eeuwenlang onlosmakelijk aan dit historische landschap en de vroegere landbouw was verbonden, in enkele decennia tijd als sneeuw voor de zon is verdwenen. Natuurpijn dus en geen landschapspijn.

Een tweede bezwaar vind ik dat de term ‘landschapspijn’ vrijwel de gehele beroepsgroep van de boeren – en als we niet uitkijken ook elke individuele boer – al snel in het beklaagdenbankje drukt als natuur- en landschapsvernietiger. Mogen we individuele boeren inderdaad verwijten dat zij mee hebben moeten rennen in de economische wedloop van de moderne landbouw, in een welhaast onvermijdelijke poging om hun familiebedrijf en hun gezinsinkomen zeker te stellen voor de toekomst? Ik denk het niet, hoewel de sector als geheel en de agribusiness daaromheen uiteraard veel meer verantwoordelijkheid dienen te nemen. Boeren verdienen veel respect. Als er iets is wat ik in mijn inmiddels lange loopbaan als landschapsonderzoeker heb leren inzien, is het dat boeren – veel meer dan natuurbeschermers, stedelingen of overheden – het Nederlandse landschap dragen. Zij deden dat niet alleen vroeger, zij doen dat ook nu, en vermoedelijk nog lang in de toekomst.

Zonder boeren geen landschap, en zonder landschap – in het volledig gecultiveerde Nederland – geen natuur. Het landschap is van iedereen, maar meer dan gemiddeld van de boeren. Samenwerking met boeren op basis van wederzijds respect is onverkort nodig, willen we enige kans maken op een duurzame toekomst van ons mooie  platteland. Dat vraagt om beweging aan verschillende kanten.
Mens-inclusief

Wie dit alles écht tot zich laat doordringen, beseft direct dat zorgvuldig beheer van natuurgebieden of de aanleg nieuwe natuur alleen het aloude spanningsveld tussen natuur en landbouw niet kunnen oplossen. Beide zijn van onschatbare waarde, maar zinken in het niet wanneer je ze afzet tegen de omvang en potentie van een boerenlandschap waarin natuur, erfgoed en economie een nieuwe balans met elkaar bereiken. Landschap is daarbij steeds het onmisbare intermediair: natuur-inclusieve landbouw (nog zo’n modieuze term) is dus zeker niet alleen een zaak voor de landbouw- en natuursector, maar van álle burgers, organisaties en overheden die zich willen inzetten voor de toekomst van natuur, samenleving en economie. Landschap is namelijk mens-inclusief en dus nog meer dan natuur van iedereen. Vrijwel ieder van ons is opgegroeid op een platteland of in een stadswijk waarmee we ons verbonden voelen. Maar doen we daar ook iets mee? Landschap is ook van de tientallen generaties vóór ons, van de mensen die Friesland hebben gemaakt tot de zo diverse en rijk gelaagde provincie die het nu is. En landschap is zeker ook van onze kinderen, kleinkinderen en latere generaties, omdat die net als wij recht hebben op een goede toekomst in een rijk geschakeerd, leefbaar en duurzaam landschap.
Lef en verantwoordelijkheidsbesef

Hoe gaan wij de komende jaren vormgeven aan een landschap waarin mens, natuur en economie weer met elkaar in balans komen? Welke strategieën zijn nodig? En wie neemt daarbij het voortouw? Op die vragen zijn nu nog geen eenduidige antwoorden te geven, hoewel er hard aan wordt gewerkt. Wel denk ik dat de toekomst van het landschap veel te belangrijk is om alleen aan boeren en natuurbeheerders over te laten. Boeren dienen binnen de mogelijkheden die zij hebben de komende jaren een duidelijke ommezwaai te maken naar meer duurzame vormen van landbouw en naar een boerenlandschap waarin veel meer ruimte komt voor natuur en andere belangrijke maatschappelijke functies. Dat kan echter niet zonder stevige hulp van de samenleving: burgers dienen een eerlijker prijs te betalen voor duurzame producten, een prijs die meer dan voorheen ook terecht dient te komen bij de boeren zelf. Overheden – Brussel en Den Haag voorop – hebben bestuurders nodig die net als bij de aardgasproblematiek het lef hebben om een nieuwe weg in te slaan en onverkort werk te maken van de groene pijler in het landbouw- en omgevingsbeleid.

Wanneer de samenleving jou als politicus op zo’n verantwoordelijke plek heeft geplaatst: pak die verantwoordelijkheid dan ook!

Natuurorganisaties dienen veel vaker buiten de traditionele kaders van hun eigen terreinbeheer en natuurherstelprojecten te treden en zich veel meer te gaan bekommeren om de toekomst van het landelijk gebied als geheel. En elk van ons – als individuele burger – moet het lef en het verantwoordelijkheidsgevoel hebben om niet alleen langs de lijn ach en wee te roepen over landschapspijn, maar zelf ook concrete stappen te zetten in de zorg voor de eigen leefomgeving: door bewust koopgedrag, door actief te worden in de zorg voor natuur en landschap in je eigen leefomgeving, door kinderen actief te betrekken bij natuur en landschap en niet stil in een hoek te kruipen met een mooi natuur- of landschapsboek.

Het landschap is van ons allemaal. En voor landschapspijn bestaat zeker een medicijn.