Met het Lauwersmeer heb ik sinds mijn kindertijd al een band. Met ‘Lauwersmeer’ bedoel ik gemakshalve de hele polder van de voormalige Lauwerszee. Die werd in de jaren zestig om allerlei redenen afgesloten, maar niet om natuur te ontwikkelen. De woeste Waddennatuur werd er juist teruggedrongen, ten gunste van vooral landbouwgrond en militair oefenterrein. Eind jaren zeventig plakte ik als vijftienjarige vogelaar een sticker achterop mijn jas: ‘Stop Defensie in het Lauwersmeer’, met een plaatje van een tank in de O, rood als een verbodsbord. Die jas was een legerjas uit de dump, dat dan weer wel.

Eind jaren zestig liep ik niet in legerjassen maar in korte broeken. Mijn ouders hadden voor achttienduizend gulden, zo’n achtduizend euro, een zomerhuis op Schiermonnikoog gekocht. Uit onze woonplaats Amersfoort reisden we per trein naar Buitenpost, waarvandaan een taxi ons naar Zoutkamp bracht, waar we de veerboot namen. Zoutkamp lag aan de Lauwerszee, in de zuidoosthoek aan de monding van het Reitdiep en de Lauwers. De veerboot bracht ons naar Oostmahorn aan de westkust van de Lauwerszee, in Noordoost-Friesland. Daar stapten we over op de boot naar Schier. Later reisden we over land naar Oostmahorn, waar we de boot namen. In 1969 stond ik met mijn vader aan dek. De dijk die de Lauwerszee in een meer omtoverde, was klaar. We schoven tussen de sluismuren door en mijn vader zei dat de boot voortaan hier zou vertrekken.

Wat mijn inmiddels overleden vader van die afdamming vond, weet ik niet. Hij hield van natuur maar was als Delfts ingenieur ook gek op waterwerken. Ik denk dat hij de enorme Cleveringsluizen prachtig vond, maar dat het hem ook beviel dat er op de vroegere zeebodem nieuwe natuur ontstond. Want als je grond met rust laat, ontstaat er vanzelf een wildernis. Dat gebeurde voor het eerst in Kamperhoek, Oost-Flevoland, en daarna in de Oostvaardersplassen en in het Lauwersmeer. Voorstanders van inpolderingen wilden met die nieuwe natuur natuurbeschermers de mond snoeren. Het tegenargument was dat als je een Rembrandt door Karel Appel liet overschilderen, je ook een mooi schilderij kreeg, maar dat je de Rembrandt wel kwijt was, in casu de zee, het water of het wad. Weldra zou trouwens ook die nieuwe natuur weer in de weg liggen. Er werd immers niet ingepolderd voor natuur, maar voor landbouwgrond.

De constante aanvoer van vers water en de invloed van het Lauwersmeer als boezemwater, maakten de zoute bodem sneller zoet dan verwacht. Me dunkt dat die verandering van zout in zoet een prachtig onderwerp was voor biologen, maar de enige die dat onderzocht was de biologieleraar Jan Meijer, die er veertig jaar lang loopkevers en spinnen inventariseerde. Op zijn laatste inspectieronde langs de insectenvallen ging ik met hem mee. In veertig jaar was de kriebelfauna van enkele massaal voorkomende soorten veranderd in een enorme verscheidenheid met lagere aantallen per soort. Meijer herinnerde zich dat hij in de begintijd tussen de kemphanenkuikens doorliep. Kemphanen, die door de intensieve landbouw uitgeroeide weidevogels, vonden op de drooggevallen zandplaten een tijdelijk broedgebied. Ook kwamen er veldmuizen en dus roofvogels: torenvalken, kiekendieven en velduilen. Het Lauwersmeer werd een begrip onder vogelaars.

In 1987 fietste ik op een herfstige dag door het gebied en werd ik getrakteerd op duizenden doortrekkende kemphanen en zelfs een pelikaan. Die dreef als een vrachtschip tussen de eenden; reusachtig. Ik zag hem wegvliegen met die enorme snavel. Het was een roze pelikaan, misschien verdwaald uit de Balkan, misschien ontsnapt uit een dierentuin. Later zag ik er mijn eerste slechtvalk, het snelste dier ter wereld. Slechtvalken waren bijna uitgeroeid door DDT, maar maakten een comeback. Tegenwoordig is het moeilijk een winterdag in het Lauwersmeer door te brengen zonder een slechtvalk te zien. Zelfs het militaire schietterrein is in trek bij vogels. Dat geknal is wel verstorend, maar veel minder dan wandelaars met honden. Militaire terreinen zijn de enige gebieden waar sommige, op de grond broedende vogels het redden.

Het oefenterrein in het Lauwersmeer kwam er ondanks mijn proteststicker. Tot mijn verbazing verhuisden de soldaten van de Leusderhei erheen. De Leusderhei lag bij Amersfoort. Aanvankelijk verheugde mij het vertrek van de soldaten, maar zoals vrijwel ieder natuurgebied werd de hei vervolgens opengesteld voor wandelaars met honden en prompt verdwenen de nachtzwaluwen.

Als natuur wordt beschermd, gebeurt dat meestal voor mensen. Mensen willen er hun hond uitlaten, hardlopen, picknicken, mountainbiken en vogels kijken. En wat blijkt? Al die mensen hebben dorst en de buitenlucht maakt hongerig, en daar valt aan te verdienen. Werd er in mijn jeugd over ongerepte natuur gesproken, tegenwoordig rept men over natuur- en recreatieterreinen. Natuur valt overal mee te combineren: er is akkernatuur, stadsnatuur, tuinnatuur en zelfs op fabrieksschoorstenen leven spinnetjes. Maar meestal delft de natuur het onderspit tegen menselijke activiteiten, inclusief recreatie. Natuur en recreatie over een kam scheren is een misverstand, maar als natuur alleen maar mag bestaan zolang eraan verdiend wordt, is recreatie noodzakelijk.

Natuur zonder recreatie is er nauwelijks nog, en kwetsbare gebieden afsluiten is taboe. Nou is het Lauwersmeer een gunstige plek, waar recreatie nog niet zoveel heeft vernield. Weliswaar verrezen er huisjesparken, maar vergeleken met de Veluwe is het er woest en ledig. Er is zelfs natuur bijgekomen! Aan de oostkant, vlakbij waar we ooit de boot naar Schier namen, zijn weilanden blank gezet. Ondiep water op voedselrijke bodem trekt massa’s vogels, en de Ezumakeeg is misschien wel de plek waar je de meeste zeldzame vogels van Nederland kunt zien. Op een lente-avond kijk ik er graag met de zon in de rug naar de waadvogels, eenden en reigers. Aan de westkant bieden de pas opgerichte uitkijktoren en een vogelkijkhut zicht over het Jaap Deensgat, waar zich in de nazomer franjepoten en reuzensterns ongestoord vertonen, en waar de lepelaars van Schier zich verzamelen.

Staatsbosbeheer schermt er met de zeearenden, al broeden die in bomen, en bomen zijn het gevolg van de verzoeting en verlanding, die datzelfde Staatsbosbeheer wil tegenhouden met de onvermijdelijke grote grazers. Paarden en koeien blijken echter de uitbreiding van wilgen niet te kunnen stoppen.

De enige die het land open en de begroeiing tegen kan houden is… de zee.

Er gaan in kringen van natuurbeschermers al jaren stemmen op voor het herstel van een brak milieu, door zeewater in te laten. Dan zullen wellicht ook de traditionele kwelder- en kustplanten weerkeren: zeekraal, lamsoor, duizendguldenkruid, parnassia. Dat zou goed nieuws zijn voor vernieuwende tuinbouwers die kansen zien in de teelt van zouttolerante gewassen als zeekraal. Maar akkerbouwers en veehouders zijn doorgaans mordicus tegen het geringste snufje zout. Om hen te behagen pompen waterschappen juist zoet water naar de Waddenkust, teneinde het onder de dijken doorsijpelende zeewater terug te dringen. In het Haringvliet kostte het vijftien jaar gesteggel voordat de sluizen daar op een kier mochten, een resultaat dat in het IJsselmeer onbespreekbaar bleek, dus de Cleveringsluizen zullen nog wel heel wat zoet water spuien voor het Lauwersmeer brak mag worden. Maar wie weet! Mocht de intensieve landbouw ooit plaatsmaken voor de zo geroemde ‘natuurinclusieve landbouw’, dan neemt de weerstand tegen zeezout wellicht af en kan het Lauwersmeer over vijftig jaar een natuurgebied zijn dat als vanouds door de zee wordt opengehouden. Hopelijk is er dan ook weer een bioloog die de veranderingen in geleedpotig bodemleven bijhoudt.