Groningen werd, net als andere steden, in het verleden vaak door epidemieën getroffen. Middeleeuwers richtten daarom aan de rand van de stad het Heilige Geest- of Pelstergasthuis op. Ook toen er in de zestiende eeuw in meer steden in het huidige Nederland pestepidemieën uitbraken door de onhygiënische toestanden, was afzondering het antwoord. Het door een epidemie getroffen Groningen richtte het pesthuis in op een afgelegen plek in de nieuwe stadsuitleg.

Tot in de achttiende en negentiende eeuw deden zich nog geregeld epidemieën voor. In 1779 was er een uitbraak van dysenterie en in de negentiende eeuw eisten pokken- en malaria-epidemieën veel levens. De medicus Wouter van Doeveren hield in 1777 een academische redevoering aan de universiteit van Groningen Over de gunstige gesteldheid van Groningen, af te leiden uit de natuurlijke historie der stad. Daarin wees hij op het belang ‘van de ligging en de gesteldheid van een gebied, aan de kwaliteit van het oppervlaktewater, aan de “openbaare Zindelijkheid” en de daarin nodige verbeteringen en aan de leefwijze en hygiënische gewoonten van de bewoners’.

Langzaam verschoof het accent van afzondering van zieken uit de samenleving naar medisch onderzoek. In 1797 kwam op initiatief van de hoogleraar geneeskunde E.J. Thomassen à Thuessink het Nosocomium Academium tot stand, de voorloper van het huidige UMCG. Aanvankelijk bevond dit zich in het Groene Weeshuis aan de Oude Ebbingestraat, vanaf 1803 in het voormalige West-Indisch Huis aan de Munnekeholm.

Een van de eerste maatregelen ter verbetering van de hygiënische omstandigheden door de rijksoverheid was het verbod op begraven in kerken en binnen de bebouwde kom (1825). Groningen opende twee jaar later de Zuider- en de Noorderbegraafplaats.

Riolering en schoon water

Midden negentiende eeuw waren de hygiënische omstandigheden in de steden nog bijzonder slecht. De trek naar de steden verergerde de problematiek alleen maar en door het keurslijf van de vestingwerken raakten de steden overvol. Daar kwam nog eens bij dat een nieuwe ziekte de Nederlandse steden bereikte: de cholera. Hier bleek de aloude methode om mensen in quarantaine te plaatsen niet meer te werken. Vanaf 1850 waren het vooral de hygiënisten die systematisch gegevens gingen verzamelen en onderzoek gingen doen naar de oorzaken van de problematiek. Zo hielden zij nauwkeurig bij waar de cholera uitbrak en hoeveel levens die eiste.

Als oorzaak van de ziekten en sterfte in de stad wezen zij vooral op kwalijke dampen, de zogenaamde miasma’s. L. Ali Cohen, een Groningse hygiënist, noemde al in 1852 de toestand ‘zeer veel treuriger dan hij behoeft’. Volgens hem lag ‘het geheim van het verjagen der epidemieën […] eenig en alleen in ’t invoeren van eene openbare gezondheidsregeling’. Twintig jaar later verscheen onder Cohens redactie het Handboek der Openbare Gezondheidsregeling. Daarin stond dat (epidemische) ziekten te bestrijden vielen met betere voeding, gezonde woningen met privaten, luchtverversing en verlichting, en een gezonde stad met riolering, waterleiding, slachtterreinen en vuilnisverzamelplaatsen. Het werk van de hygiënisten leidde tot de aanleg van riolering en waterleiding, vuilverwijdering uit de stad en de Woningwet (1901). Die moest arme stedelingen aan gezonde woningen helpen, met meer zonlicht. Overigens had S.E. Stratingh al in 1858 opgemerkt dat aan de zuidzijde van de stad de huizen te dicht op de stadswallen lagen, waardoor ze te weinig zonlicht kregen.

In 1880 kregen de eerste woningen een aansluiting op de waterleiding. De eerste watertoren verrees in 1880 aan de Hereweg, bij het Sterrenbos (in 1970 gesloopt). De tweede volgde in 1908, aan de Noorderbinnensingel. Stadsarchitect J.A. Mulock Houwer ontwierp nummer drie, Watertoren West, aan de Dr C. Hofstede de Grootkade, uit 1912.

Parken en gezonde woningen

Dankzij de Vestingwet van 1874 konden de steden zich eindelijk uit hun keurslijf bevrijden. In Groningen kwam op de bolwerken, als een groene long in de stad, aan de noordkant het Noorderplantsoen. Aan de oostzijde verrees het nieuwe Algemeen Provinciaal, Stads- en Academisch Ziekenhuis.

Vanwege de Woningwet verrichtte de gemeentelijke Gezondheidscommissie vanaf 1902 systematisch onderzoek naar de toestand van de woningen, die ze op kaarten vastlegde.

De brochure De Woningwet uit 1904 schetst hoe droevig het was gesteld met het wonen in Nederland. ‘Het is en was reeds geruimen tijd algemeen bekend, dat een deel, zelfs een groot deel van ons volk zich moet tevreden stellen met woningen, zoo ellendig, dat die verblijfplaatsen op den naam “woning” eigenlijk geen aanspraak kunnen maken’, staat in de uitgave van de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen. ‘ Overal in stad en dorp zijn de voorbeelden daarvan te vinden. In de steden, waar van elke duimbreed gronds wordt geprofiteerd, vooral wanneer het geldt de woningen der armen, ziet men tusschen hooge muren nauwe sloppen en stegen, waarin uitkomen de deuren en vensters van hokken en krotten, dienende voor menschenwoningen. Daar kan de zon haar koesterende stralen niet doen binnendringen, daar kan de wind niet de lucht helpen ververschen, zodat een muffe, walgingwekkende atmosfeer ieder terug zal doen deinzen, die zou willen binnentreden. In dergelijke ruimten kan geen gezondheid blijvend zijn. Daar kan geen mensch of hoog georganiseerd dier werkelijk leven. Slechts schimmels en paddestoelen tieren in zulk een omgeving.’ De brochure moest duidelijk maken welke mogelijkheden de Woningwet van 1901 bood. Een daarvan was de oprichting van woningbouwverenigingen.

Tuinsteden en arbeiderswoningen moesten de problemen oplossen. De tuinstad combineerde de voordelen van de stad met de voordelen van het platteland, door de ruime opzet met veel groen en kleinschalige woningbouw. Een voorbeeld in Groningen is tuindorp De Hoogte, tussen 1917 en 1921 gebouwd.

Had de stad Groningen in 1856 een voorzichtig begin gemaakt met de riolering, pas in de tweede helft van de jaren twintig legde hij een modern centraal rioleringsstelsel met een persleiding naar zee aan. Dit had gevolgen voor het algemeen uitbreidingsplan voor de stad, waar na de invoering van de Woningwet mee begonnen was. Maar ook andere factoren leidden ertoe dat het plan aangepast moest worden, zoals de aanleg van het Stadspark, dat onder andere de arbeidende klasse de mogelijkheid tot recreatie moest geven. In 1927 werd H.P. Berlage naar Groningen gehaald. Met H.P.J. Schut, directeur van Gemeentewerken, moest hij een stedenbouwkundig plan ontwerpen dat de bovengenoemde aspecten zou integreren en de ruimtelijke samenhang van de stad zou waarborgen. De eerste versie uit 1928 werd in 1932 aangepast, maar pas in 1940 vastgesteld. Ze was de jaren daarvoor al richtinggevend bij de uitbreidingen van de stad en bleef ook na de oorlog nog van invloed.

In de jaren twintig en dertig vestigden vooral de architecten van het Nieuwe Bouwen de aandacht op het belang van licht, lucht en ruimte voor de gezondheid. Op stedenbouwkundig niveau leidde dit tot open bebouwing: de zogenaamde strokenbouw. In de architectuur zorgde het voor veel staal en glas om zo veel mogelijk licht toe te kunnen laten in bijvoorbeeld scholen, zoals de MTS en Ambachtsschool naar ontwerp van J.G. Wiebenga (1923).

Na 1945 stond de bouw van nieuwe woonwijken in het teken van de wijkgedachte. Die streefde naar woningdifferentiatie en nieuwe sociale verbanden, die weer in een gezonde, vitale stedelijke samenleving moesten resulteren. Door de stad in op zichzelf staande, door groene buffers van elkaar gescheiden wijken op te delen, hoopten de architecten en stedenbouwkundigen vlak na de oorlog het sociale leven in de wijken te bevorderen. Er ontstond een getrapt niveau van woning naar stad met de buurt en de wijk als tussenniveau. De wijkgedachte vond haar weerslag in Corpus den Hoorn (1958).

De auto – vriend of vijand?

In de jaren vijftig en zestig wilden stedenbouwkundigen ruimte maken in de stad door rigoureus te saneren en ruim te bouwen. Voor de meeste steden verschenen in deze periode saneringsplannen en doorbraakplannen om het verkeer ruim baan te geven. In Groningen was het niet anders. In 1967 verscheen het Verkeersplan Groningen Centrum. Bureau Goudappel en Coffeng beoogde daarmee de auto via brede wegen tot in de binnenstad te leiden. De aanschaf van een auto gold niet alleen als een teken van maatschappelijk succes. De auto bevrijdde de moderne stedeling ook van de grenzen van plaats en tijd – op elk moment van de dag kon hij de stad verlaten, nooit eerder was zijn actieradius zo groot. Alles moest bereikbaar worden voor de auto, ook binnensteden.

Het plan van Goudappel en Coffeng bestond uit vier brede tangenten die van buiten de stad naar het centrum liepen en werden aangesloten op twee verkeersringen rondom de binnenstad. Politieke verschuivingen en veranderende ideeën over oude binnensteden en gezondheid maakten dat het plan onuitgevoerd bleef. Max van den Berg (PvdA) werd in 1970 wethouder van Volkshuisvesting en Stadsontwikkeling. Hij liet de Doelstellingennota Binnenstad (1972) opstellen, waarbij de leefbaarheid van de stad voorop kwam te staan en werd afgestapt van de eerder voorgestelde binnenstedelijke doorbraken en brede verkeerswegen. De auto kreeg niet langer vrij baan. In plaats daarvan kregen fietsers en voetgangers nu voorrang. In 1977 werd het Verkeerscirculatieplan ingevoerd, waarmee het onmogelijk werd om met de auto dwars door de binnenstad te rijden. Een groot deel van de stad werd voetgangersgebied en de fiets ging de stad overheersen.

In de jaren zeventig werden de monotone nieuwbouwwijken uit de wederopbouwtijd gezien als de oorzaak van stress, verveling en het gebrek aan prikkels. Vanaf dat moment kregen de stedenbouwkundigen en architecten weer oog voor herbergzame binnensteden en kleinschalige stadsuitbreidingen. In Groningen resulteerde dit onder andere in de uitbreidingswijk Beijum, een zogenaamde bloemkoolwijk, waarbij de woonerven werden geïntroduceerd. Volgens de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening (1966), die gebundelde deconcentratie voorstond, werden deze wijken op een gelede wijze aangelegd. Er zijn groene wiggen voorzien die vanaf de rand van de stad tot in het centrum doordringen. Zo konden ook de oudere wijken het contact met het groen behouden.

Healing environment

Aan het eind van de twintigste eeuw won de overtuiging veld dat een gezonde omgeving meer is dan een omgeving die vrij is van fysiek en mentaal ziekmakende factoren. Ze kan ook een omgeving zijn die de gezondheid bevordert, een healing environment. Dit concept komt uit Amerika en heeft sinds het eind van de jaren negentig ook in Nederland steeds meer ingang gevonden, vooral bij de bouw en inrichting van ziekenhuizen. Het is gebaseerd op het idee dat de omgeving een positieve uitwerking op de genezing van de patiënt heeft. Factoren als kleur, belichting, ergonomie, aankleding, meubilering en de toepassing van kunst kunnen daarbij een rol spelen. In Amerika heeft onderzoek uitgewezen dat een goed ontworpen en ingericht ziekenhuis het medicijngebruik bij patiënten kan terugdringen en de opnametijd kan verkorten. In het UMCG vond het concept vooral zijn weerslag in de inrichting van de openbare ruimten. Voor het Martini Ziekenhuis was het een van de uitgangspunten bij het ontwerp. Dit is vooral tot uiting gekomen in het kleurgebruik van het interieur met een kleurenpalet van de kunstenaar Peter Struycken.

In aansluiting op het onderzoek in ziekenhuizen kwam ook de stad in het vizier van healing- environment-onderzoek. Dat richtte zich in eerste instantie op oudere bewoners – een antwoord op de vergrijzing.

In 2006 startte Groningen het programma Healthy Ageing, dat mensen zo lang mogelijk in goede gezondheid moet laten leven, en daarmee wil bijdragen aan een forse verbetering van de levenskwaliteit. Vaststaat dat behalve genetische factoren ook de levensstijl van grote invloed is op de gezondheid. Om te weten wat de gevolgen van verschillende levensstijlen zijn, brengt het programma de levenswandel van grote hoeveelheden mensen in kaart. Het UMCG verzamelt al tientallen jaren data van personen die het over langere tijd volgt in zogenaamde biobanken. Ook wil het programma ruimtelijke factoren verbeteren, denk aan de aanleg van parken en sportvoorzieningen.

Groningen illustreert voorbeeldig hoe het denken over stad en gezondheid zich ontwikkelt

In Europapark draagt het Helperpark (2019) bij aan de gezondheid van de bewoners. Het verbindt de nieuwe woonwijk De Linie met het nieuwe sportcentrum aan de zuidzijde. Naast veel groen bestaat het uit speelplekken, sportvoorzieningen, zitjes en een kronkelend voet- en fietspad.

Woonlandschap de Leyhoeve aan het Helperpark in Europapark, 2019

In de wijk tracht de gemeente de auto terug te dringen door parkeren op straat te verbieden. Ook heeft ze plannen de elektrische auto te bevorderen. Zo maakt het plan voor het Engelse Park gewag van elektrische deelauto’s exclusief voor bewoners.

In navolging van Parijs, Londen en Kopenhagen wil Amsterdam per 2030 benzine- en dieselauto’s uit de stad weren omwille van de gezondheid van de bewoners. De kans is groot dat andere steden zullen volgen en een spectaculaire metamorfose zullen ondergaan.

De architectonische en stedenbouwkundige ontwikkeling van Groningen blijkt het denken over stad en gezondheid voorbeeldig te illustreren. Het zwaartepunt is verschoven van fysieke aspecten – riolering, schoon water, degelijke volkshuisvesting – via psychische factoren (stress) naar stedenbouwkundige ingrepen die moeten leiden tot gezondere leefstijlen: minder autogebruik, meer fietsen en lopen, toegang tot groen dat tot actieve recreatie uitnodigt.