‘Want to see Amsterdam? How about Groningen instead?’, kopte The New York Times op 8 mei. Ik lees zo’n bericht met een gezonde dosis Groninger trots, maar ook met een dubbel gevoel. In het geniale Grand Hotel Europa verhaalt Ilja Leonard Pfeijffer over de liefde, politiek, geschiedenis en kunst, maar vooral ook over de ‘ pretparkisering’ van Europa. ‘Wat Europa de wereld te bieden heeft, is zijn verleden. Europa heeft slechts toekomst als “recreatiegebied” voor de rest van de wereld.’

Nou zijn we in Groningen gelukkig nog ver van wat er gebeurt in een stad als Venetië, die inmiddels nota bene entree heft. Wel zal de gemiddelde bewoner van Giethoorn zich vaak acteur in een decor voelen als-ie in zijn tuin rondwandelt terwijl de elektrische punters langsvaren. Maar het is goed ons de vraag te stellen welke publieke investeringen we willen doen om met name private winsten in het toerisme mogelijk te maken, die vaak niet eens de lokale economie versterken. En die maken dat bewoners het gevoel krijgen hun stad of dorp kwijt te raken. Al is het verleidelijk vooral de economische kansen van het toerisme voor onze kwetsbare regio te zien.

Wie echter denkt dat Pfeijffers antwoord inhoudt dat we de poorten maar moeten sluiten, zit ernaast. ‘Voor een cultuur die is vastgelopen in haar verleden, is nostalgie naar oude waarden niet het medicijn, maar de ziekte’, zegt de hoofdpersoon. Pfeijffers boek zet je aan het denken over voortbouwen op onze rijke tradities, maar ook over hoe er een eigentijds vervolg op te geven, met de blik naar buiten en de poorten open. Niet voor niets komen moderne kunst en het vluchtelingenvraagstuk indringend aan bod. Lezen dat boek!

Liesbeth van de Wetering zat in de redactie van NB#3 2019: Stedenbouwer als heelmeester.