Mark voer in zijn jeugd als scheepsmaat vaak langs de Nederlandse en Duitse eilanden, Sijas kampeert iedere zomer – al 34 jaar – in een (hoe kan het ook anders) De Waard-tent op Vlieland. Maar het Duitse Waddeneiland Borkum, op steenworp afstand gelegen van de Eemshaven, kennen wij enkel van de horizon. Met een dagticket in de hand gaan wij op zoek naar het eiland achter de opvallende skyline.

Kwart voor zeven op een rustige vrijdagochtend in april. De zon laat zich voorzichtig zien achter de windmolens van de Eemshaven. Een halfuur later stappen we aan boord van de veerboot, waarbij de kapitein ons met een vriendelijke lach welkom heet. Het bovendek met de frisse zeelucht lonkt, maar het waait, is fris en de Oberdeck-kiosk is gesloten. Benedendeks wanen we ons terug in de tijd: zithoekjes met geruite gordijntjes en houten banken met oranje-grijze bekleding. De inrichting voelt oubollig aan maar zorgt tegelijkertijd voor een gemoedelijke sfeer. Een handvol reizigers speelt kaart en op een enkele bank ligt iemand te slapen. We varen uit.

Na drie kwartier komt de haven van Borkum in zicht. De befaamde trein tussen de haven en het dorp moet onze eerste kennismaking met het eiland zijn, maar helaas: die rijdt vanochtend niet omdat er te weinig reizigers zijn. Een oude Mercedes-bus brengt ons naar Borkum ‘downtown’, zoals een Duitse medereiziger het noemt.

Het dorp slaapt, de straten zijn leeg en het eiland doet desolaat aan. Langs de vuurtoren wandelen we naar de boulevard. Deze bijna twee kilometer lange en opvallend harde betonnen structuur vormt de grens tussen strand en bebouwing. Wij moeten denken aan Scheveningen, mede door de torenhoge hotels en de gedateerde uitstraling. Op het strand zorgen de kleurrijke strandkorven voor een speelse aanblik, het contrast met de harde betonnen boulevard is groot. Aan de waterlijn zijn groepen bezig met een sportief ochtendritueel. Ze bewegen in grote cirkels langlaufend over het strand of doen yoga-achtige bewegingen in winterkleding. Verbouwereerd kijken wij vanaf de boulevard naar dit schouwspel en besluiten verder te wandelen.

Vanuit de duinen lopen we via de Großes Kaap naar de Wasserturm. De route leidt langs vele in baksteen opgetrokken woningbouwcomplexen. Het valt Mark op dat er in Borkum Stadt nog echt gewoond wordt. Wikipedia vertelt ons dat er zeker vijf maal zo veel mensen wonen als op Schiermonnikoog. Iets verder valt onze blik op een bord: ‘Insel-Camping Borkum’. We passeren rijen caravans die met Duitse precisie zij aan zij staan. Sijas was een week eerder op Vlieland om zijn tent op te zetten, hier is geen enkele tent te vinden. We lopen terug naar het centrum om een broodje te kopen. Onderweg passeren we een basisschool en tellen daar een groot aantal kinderfietsjes, die ordentlich in de fietsenrekken staan. Het bevestigt dat Borkum Stadt meer is dan een vakantiedorp.

Na een kop koffie, een broodje en een sprint van Mark naar de pinautomaat (gepind betalen op Borkum is helaas nog geen gemeengoed) huren we een fiets. Kennelijk zien we er vertrouwd uit, want onze gegevens achterlaten en een borg betalen is niet nodig. Het plan voor de middag is eenvoudig: het nationaal park bezoeken op het Ostland, tot ver in de negentiende eeuw nog een afzonderlijk eiland. De weidsheid en uitgestrektheid zijn indrukwekkend. Een binnenmeer, buitendijkse kwelders en een enkele solitaire boom bepalen kilometerslang het beeld. Sijas spot tureluurs, scholeksters, kiekendieven en hoort in het duinbos de roep van de nachtegaal. De vogelgeluiden worden afgewisseld met rammelende geluiden van onze fietsen op de beklinkerde fietspaden. Knisperende schelpenpaden kennen ze hier niet.

Na een kort bezoek aan het strand besluiten we terug naar het dorp te gaan en een kleine ronde over de boulevard te maken. Deze is inmiddels opgeleefd en de winkelstraten zijn gezellig druk. De desolate sfeer is weggeëbd, ondanks dat het verval op diverse plekken zichtbaar blijft. De trein rijdt gelukkig ditmaal wel en brengt ons naar de veerboot, waar de kapitein ons weer hartelijk welkom heet.

Borkum heeft ons verbaasd en verrast. Van yuppificering en museumficatie, zoals op de Nederlandse Waddeneilanden, is geen sprake. Opsmuk valt er nauwelijks te vinden, het is een plek waar nog echt gewoond wordt en bovenal een eiland waar de Duitse gemütlichkeit de sfeer bepaalt. Dat gevoel begint al op de veerboot vanuit de Eemshaven.