Op een zaterdagochtend hobbelde ik door Friesland op zoek naar een adres ergens in een dorp. Via Marktplaats had ik een passeerzeef (ja, zoek maar even op) gekocht.
De tocht eindigde op de stoep bij een boerderij. Ik belde aan en stelde me voor aan de vrouw des huizes, die de zeef in de aanbieding had, toen achter in de gang ineens de keukendeur open piepte.
De boer stapte naar me toe. ‘Dus’, zei hij.  ‘Jantien de Boer. Van de Leeuwarder Courant.’
Ik knikte.

De melkveehouder vervolgde: ‘Van dat verhaal over landschapspijn toch?’ Ik knikte nog altijd, als zo’n plastic hondje op de hoedenplank van een auto. Ik voelde hem al aankomen en ja hoor, daar kwam-ie: ‘Jij bent anti-boer’, zei de man. ‘En die krant van jou ook. Wat wil je nou? Wil je alle boeren kapot maken?’

Hij voelde zich in een hoek gezet. Al jaren. Door burgers die beknibbelden op voedselprijzen en ondertussen de landbouwsector de maat namen. ‘Ik heb het gevoel dat wij niet meer mogen bestaan’, donderde hij. En met een armbeweging naar het land voor ons: ‘Jij met je landschapspijn. Wat deugt hier volgens jou niet aan? Wat is er mis met mijn land?’

De boerin was weggeslopen, die hoorde er even niet bij. Ik keek naar de groene landerijen die zich voor ons uitstrekten.  ‘Mjaaa’, zei ik aarzelend, want ik wilde gewoon een passeerzeef, ik wilde verder niemand kwetsen. ‘Mjaaaa. Het is heel groen, hè? Het is eigenlijk altijd groen. Ik mis kleur, ik mis bloemen en insecten.’

De boer stond vierkant voor me, met zijn armen voor zijn borst gevouwen.

‘Ik snap dat u koeien melkt’, zei ik. ‘Ik snap ook dat u eiwitrijk gras nodig hebt, zodat ze goed produceren. Maar ik vind al dat raaigras heel eentonig. Ik heb er landschapspijn van. En ik hoop dat het ooit anders wordt en dat bloemen en insecten weer kansen krijgen.’

We kwamen er niet uit en ik dacht aan die andere melkveehouder bij wie ik even tevoren op visite was geweest. Ook hij wilde me de voordelen van raaigras, bulkzuivel, en alles wat daarbij hoort uitleggen. ‘Als jij hier een paar maanden geleden was geweest’, zei hij met ingehouden woede, ‘nou, dan hadden mijn jongens je onder de tafel doorgetrokken.’

Maar ik was er nu. En zijn jongens waren er niet.

‘Jij bent naïef’, zei de boer met de kwaaie zonen. ‘Jij wilt het systeem veranderen, maar dat kan niet. En ondertussen doe je boeren pijn. Jij doet ons verdriet.’

Hij raakte mij en ik raakte hem. ‘Ik begrijp u heus’, zei ik. ‘Maar ik voel ook pijn. En daar moeten we elkaar vinden.’

O echt, het woord ‘landschapspijn’, bedacht door trekvogelecoloog Theunis Piersma, is een aanjager. Het schrijnt, het tergt, het dringt soms tranen in je ogen. En het vraagt om actie. Dit jaar ga ik er daarom vaker over schrijven. Want er gebeurt van alles. Op stoepen van boerderijen, in vergaderkamers, in stallen en in winkels. Gelukkig maar. Want het is tijd.

 

Deze column staat in NB#1 2018