Van de natuurbeschermer kan niet gezegd worden dat hij de blik nooit eens naar buiten werpt. Hij doet dat al jaren in zijn ijver en toewijding de levende natuur te behouden en uit te breiden. Maar een venster op dat andere buiten, de cultuurkant van de samenleving, was er zelden. Niet dat wij als natuurbezoekers ongastvrij werden ontvangen. Nee, verre van dat. Altijd waren we welkom in bos en beemd. We dronken koffie met de boswachter voordat we, met hem als gids, het reservaat ingingen.

Het was de boswachter die de natuurwandeling bijzonder maakte met zijn kennis van het gebied en van de flora en fauna. We waren van harte welkom in het domein van onze gastheer, die ons bij het afscheid de hand schudde en bij de deur uitzwaaide. Zo voelde het, als een kort bezoek aan een schatkamer, waar we graag wat langer hadden willen verblijven.

Want jarenlang sprokkelden de overheid en Natuurmonumenten vooral de hectares bij elkaar om grote aaneengesloten natuurgebieden te creëren. De natuurbeheerder had al die tijd wel iets anders aan zijn hoofd dan gastenverblijven op zijn terrein. Bovendien liggen er bij de meeste natuurterreinen voldoende logeeradressen op een steenworp afstand van de ingang. Nu de reservaatomvang aan beekdalen, uiterwaarden, kwelders, moerassen, bossen en duinen zo’n beetje vastligt, het aankoopgeld op is en het beheergeld zo goed als, zijn we aangekomen op het punt van het vermarkten van de recreatiewaarde van natuur. Het punt waar de Amerikaanse natuurbescherming honderd jaar geleden zo ongeveer mee begon.

In 1872 werd Yellowstone National Park het eerste officieel beschermde natuurgebied van de Verenigde Staten, waarmee de Amerikanen voor de rest van de wereld de moderne georganiseerde natuurbescherming introduceerden. Zeventien jaar later werd het berglandschap Yosemite in Californië officieel een nationaal park, wat voor een belangrijk deel te danken was aan de inspanningen van Robert Underwood Johnson, een Amerikaanse journalist, schrijver, diplomaat en natuurbeschermer. Underwood liet het niet bij een monumentverklaring. Hij wilde meer. Het was zijn overtuiging dat de natuur en de mens elkaar wederzijds ten dienste moeten staan. Tegenover respect voor zoveel wilde schoonheid en natuurlijk leven, diende de natuur de mens te inspireren en te verrijken. Underwood wilde dat de parkbezoeker zich uitgenodigd voelde en de gelegenheid kreeg om voor langere tijd in het park te verblijven. Zo ontstonden in de jaren twintig van de vorige eeuw de National Park Lodges, robuuste in keien en hout opgetrokken boshutten met een romantisch rustiek aanzien. Een lodge werd al gauw het verblijf voor de wat rijkere natuurminnende Amerikaan, die vaak ook gul bijdroeg aan de instandhouding van het park. Eind vorige eeuw werden de oude, onder architectuur ontworpen lodges tot National Historic Landmark verklaard.

Ambonezenbosje

Een landmark van een andere, maar niet mindere orde ligt in volkomen eenzaamheid onder aan de Dollarddijk ten noorden van het Groningse dorp Finsterwolde en het gehucht Hongerige Wolf. We hebben het over het Ambonezenbosje. Op deze stilste plek van Nederland, in wat eerst een barakkendorp voor slikwerkers was geweest en later een kamp voor NSB’ers, woonden tussen 1953 en 1961 tachtig Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen. Na het vertrek van de Molukkers (destijds vaak Ambonezen genoemd) werd het houten dorp afgebroken en het terrein beplant.

Sinds vorig jaar staan er naast het bosje vier lodges, vier trekkershutten, in een sober-heldere architectuur van +Peil Architecten uit Groningen. Natuur- en erfgoedbeheerder Stichting Groninger Landschap kreeg de hutten overgedragen van de Provincie Groningen. De stichting verhuurt ze aan de stiltezoeker die ver wil kijken en tijdelijk wil verblijven op de grens van twee indrukwekkende ruimten, de uitgestrekte akkers van de Carel Coenraadpolder en de kwelders van de Dollard, Nergens is het contrast tussen de begrippen cultuur en natuur zo zichtbaar als op deze plek, waar de geest zich verruimt en het denken zich verdiept. Hier kan wat af gefilosofeerd worden.

In Drenthe, tussen de dorpen Peize en Eelde, biedt sinds kort een 25 meter hoge toren uitzicht over het gloednieuwe natuurgebied De Onlanden. In opdracht van Natuurmonumenten ontworpen door Ateliereen Architecten uit Eindhoven, biedt hij een mooi overzicht van de grootschalige veranderingen rond om het Eelderdiepje en de nieuwe stadsrand van Groningen. Al snel na de opening stroomde het publiek toe, als was de toren een topattractie in een pretpark. Nog steeds zijn in de weekenden de smalle toegangswegen overvol en de klachten van bewoners legio.

Er blijkt een honger naar ver kijken te bestaan en een behoefte aan overzicht, hoewel dat niet altijd tot een beter begrip leidt. Tijdens ons kort verblijf op het ruime topterras maakte een echtpaar zich hoorbaar bezorgd over de oprukkende stad richting kwetsbare natuur. Terwijl het hier juist de natuur is die de stadsrand tot stilstand heeft gebracht.

Een overzicht laat makkelijk een patroon zien, maar moeilijk het krachtenspel daarachter.