Wad? De geuren daar? Neuszalvend? Maar de zee stinkt toch! Het ‘aroma’ van de Noordzee in het algemeen en de Waddenzee in het bijzonder wordt chemisch toch bepaald door een onwelriekende mix van zout, rottende vis, slik en modder, schelpen, en plankton- en bacteriepoep?

Zet thuis een teiltje zeewater op tafel, en je gaat al snel over je nek. Dat is althans wat Noordzee-deskundigen mij bezwoeren in het kader van Hollandse luchten, ruiken aan Nederland, mijn canon van ruim dertig karakteristieke geuren in ons land. Een uitgave die tien jaar geleden als vanzelf volgde op de serie ‘Neuzen in het Noorden’ in Noorderbreedte.

We staan er niet bij stil maar de reuk is van alle zintuigen het meest ‘oer’. En juist daarom een zeer bepalende factor bij herinneringen. Zeker bij positieve heugenissen. Anders gezegd: al was (is) een lucht nog zo vies, we kunnen er onbewust heel blij van worden.

Dat heeft volgens de Groninger ‘geheugenprofessor’ Douwe Draaisma te maken met associaties. Het voor­beeld van de Waddenlucht spreekt boekdelen. De zee mag nog zo stinken, wij herinneren ons die geur vaak toch als prettig. Want hoe aangenaam was (is) ons verblijf in het gebied niet? Hoe rustig werden (worden) we niet van de zee, de stranden, wolkenluchten, wind, panorama’s, stilte en gezellige activiteiten? Hoe relaxed voel(d)en we ons kortom niet in het gebied?

Een paradoxaal fenomeen dus, die combinatie van geur en herinnering. Niet alleen in het Waddengebied trouwens. Neem de slootlucht, net als zeelucht een top­per in mijn geurencanon. Ook ik raak nog altijd verrukt bij de gedachte alleen al aan die moddergoten vanwege het vele slootjespringen en kikkerdril scheppen in mijn jeugd.

Of neem de vele ex-Groningers die naar eigen zeggen herfstgelukkig terugdenken aan de bietencampagne en dus aan de stank van de suikerfabriek(en). Teruglezend in Neuzen in het Noorden ontdekte ik ook weer de lyrische verhalen van mensen die zich als de dag van gisteren het teer-, touw- en taangeuramalgaam van de bruine vloot in met name Fryslân herinneren. Idem: de mensen bij wie de geur van brandende Drentse turf nog in het geheugen gebeiteld zit.

Van die dingen dus. Zelf woon en werk ik niet meer in het Noorden. Als portretteur van Nederland verblijf ik thans op een centralere plek in het land. Sorry. Maar rondneuzen in Groningen, Fryslân en Drenthe doe ik nog wat graag.

Ik kan het iedereen aanraden. En als je daar dan toch rondsnuffelt, haal dan, net als ik, ook eens je neus op bij een van de vele aardgasputten. Daar is qua geur namelijk iets geks, iets tegenstrijdigs aan de hand. Want hoewel aardgas op zich tamelijk reukloos is, is de stof toch in een kwade reuk komen te staan. Maar nu loop ik op de zaken vooruit. Dit lijkt me een indringende herin­nering voor later.