Een mooi blad, hoor je vaak. Noorderbreedte, dat kennen mensen wel. Interessant, mooie foto’s. Soms zijn ze er zelfs enige tijd op geabonneerd geweest – nee, nu niet meer. Bijna 43 jaargangen vormen een rijke erfenis, netjes op volgorde bewaard in de kasten van oudere lezers. Heel af en toe pakken ze er nog eentje uit. Dat voelt lekker. Mooi papier ook, je ruikt nog een beetje hoe het toen rook. Bladeren. Je bent zo weer even aan het lezen.

Een symfonietje, zo’n blad. Er zit ritme in, opbouw, een begin en een eind. De toon is in de loop der jaren anders geworden. Mis je de muziek niet, als je één nummer eruit vist, of slechts één fragment? Zoals er ook weinig aan is om van een WK voetbal alleen de finale te kijken. Je moet de aanloop kennen, óók de slechte wedstrijden, alle strijd, verveling en ellende, om ervan te kunnen genieten

Wat hebben we te zoeken in de Noorderbreedte-erfenis? Dat is de vraag aan twee Noorderbreedte-mannen uit een ver, roemrijk verleden. Aan Gerrie Koopman, docent bodemkwaliteit aan de hogeschool Van Hall Larenstein, en Willem Foorthuis, lector op het gebied van coöperaties aan de Hanzehogeschool. En aan kritisch lezer en zijdelings betrokkene Erik Meijles, docent-onderzoeker bij de RUG-faculteit Ruimtelijke Wetenschappen.

Alle drie zeggen dat ze het blad, jammer genoeg, niet of nauwelijks meer lezen. Het is naar hun smaak te veel afgedwaald van zijn oor­spronkelijke, activistische wezen, van inhoud op uiterlijk overgestapt, van materie naar mens, van kern naar couleur locale. Van vent naar vorm, de oude discussie. Vroeger een ‘harde’, fundamentele kant van land en landschap, nu de kant van kunst en architectuur. Tot in de jaren negentig stond er niet vaak een mens op een Noorderbreedte-foto.

‘Noorderbreedte was een gróót blad. Het grootste in zijn soort in Europa’
Willem Foorthuis

Oprichter Jan Abrahamse was een reusachtige Vent. Hij wadliep alsof de zee speciaal voor hem week. Abrahamse, een van de oprichters van de Waddenvereniging, verzette bergen, niet met een blad maar met een platform, een ‘beweging’ zou je het bijna noemen. Niet voor niets heeft Noorderbreedte voor een klein blad een omvangrijk colofon. De ‘medewerkers aan dit nummer’ staan onderaan. ‘De auteurs waren totaal onbelangrijk’, zegt Foorthuis. Aanvankelijk stond de auteursnaam niet eens onder de stukken. Noorderbreedte was een gróót blad. Het grootste in zijn soort in Europa, zegt Foorthuis. Het was de boksring waarin maatschappelijke partners elkaar troffen en gezamenlijk als winnaar weer uitstapten. Na de redactievergadering toog men naar de Wolthoorn, waar het met politiek Groningen tot zaken kwam: pats, daar, een ton op tafel voor een nummer over het ernstig vervuilde AAgrunol-terrein in de stad.

We praten over een Hans Elerie, een Meindert Schroor, een Rik Herngreen. Een gideonsbende, ‘mensen die het gebied snappen’. Een herenclub, ons kent ons, ‘de linkse elite in alle toonaarden’. Thema’s: de Eems-Dollard-regio, de Notitie Stadslandschappen. Belvedere, een landelijke beleidsnota uit 1999, over gebiedsontwikkeling met behoud van landschappelijke kwaliteit. ‘Hebben wij bedacht.’ Indien nodig kwamen er acht themanummers over één onderwerp op rij. ‘Dat deden we gewoon.’

Als gezegd, het resultaat van al deze prestaties bevindt zich nu in kasten van oude mensen en in de nevelen van de digitale opslag. Hoe vind je daarin de inspiratie voor vandaag, of wie weet, wielen die je niet nóg eens hoeft uit te vinden?

Als universitair docent fysische geografie is Erik Meijles het gewend om in het donker te zoeken. Hij verwijst zijn studenten bij gelegen­heid graag naar Noorderbreedte-publicaties over de fysieke, tastbare bodem. Zoals de serie Hoogte op kleur, auteurs Ben Westerink, Bas van de Wetering, Wim Boetze, jaren nul en -tien. Een stukje Noord-Nederland met tot op de meter nauwkeurig het reliëf in kleur, en wat je eruit kunt aflezen. Wat betekenen die puntjes ten noorden van Coevorden? En kijk: zo vormen zich de duinen op Schier.

Helaas, op internet staan de artikelen (nog) zónder kleuren­kaart, alleen de tekst. Een ander verbeterpunt: het zoeken. Een spelfoutje in de auteursnaam of het onderwerp gooit roet in het eten, terwijl Google in zo’n geval netjes vraagt: bedoelt u misschien zus en zo? Wat ook mooi zou zijn: zoeken op locatie. Noorderbreedte had ooit een digitale plattegrond van het Noorden, met per plaats of locatie aan­klikbare bolletjes waaronder de artikelen erover stonden, in grootte variërend naargelang het aantal stukken (zo vond je ook de onbeschreven ‘witte vlekken’). Dat is niet meer, of was niet meer (wie weet komt er weer zoiets, hoopt Meijles). Nu kom je als je ‘Hoogeveen’ intikt op Google níet bij Noorderbreedte-stukken over Hoogeveen.

Vindbaar zijn, en toegankelijk. Alle Noorderbreedte-artikelen ooit onder overzichtelijke thema’s gerubriceerd, dat is mooi. Daarbij is altijd de vraag: geven we het allemaal zomaar weg, omdat we zo aardig zijn? Schieten we iets op met de traffic die we hopen te genereren? Het liefst ziet Meijles de artikelen terug in originele vorm, zoals ze eruit zagen/zien in het blad.

Op de website van Gerrie Koopman staat een serie artikelen die hij in 2001-2002 voor Noorderbreedte maakte, ‘Van eigen bodem’ geheten. Over drie ijstijdlagen en ‘poesjeszand’ in Donderen, podzol in het Balloërveld, schedels in de wierde van Englum. Het gaat letterlijk over de grond onder onze voeten. Super interessant, en harde kern-Noorderbreedte. Die oorsprong is verdwenen onder nieuwe lagen oppervlak­te. De bodem gaat weer open, met nieuw digitaal gereed­schap. Je schept er stukjes mee op van een biografie van Noord-Nederland, die zich niet van voor naar achter laat lezen. Het blad – het platform – is een ‘bril waardoor je kijkt’, zegt Willem Foorthuis. Misschien vinden we in onze erfenis een nieuw hoe en waarom ook alweer, en kunnen we op de schouders van onze voorgangers verder kijken.