Wat als ik kindjes krijg en die naar school moet brengen. Eén kind per hand. Welke route loop ik dan? Vertrek ik dan alsnog naar de Randstad, naar de grotere scholen? Of blijf ik hier, en breng ik mijn kinderen naar een kleine dorpsschool, zo een waar ik zelf op zat?

Ik heb een fantastische tijd gehad op mijn basisschool. Iedereen kende iedereen en kon zichzelf zijn. Daar was ruimte voor, want de groepen waren klein. Mijn intuïtie zegt dat mijn kinderen dat willen, die ruimte van een kleine klas. Ik gun ze een juf Willy. Zij reageerde op mijn vorige blog dat ze niet verbaasd was dat ik was gaan schrijven: ‘Ik was als jouw juf al onder de indruk van je prachtige werkstukken.’ Ik gun mijn kinderen ook een juf die hen ziet en onthoudt – en dat vijftien jaar later nog steeds doet.

Maar waar in de Randstad de klassen overstromen en er extreme lerarentekorten zijn, lopen sommige scholen in buitendorpen juist rap leeg. Toen ik naar mijn basisschool ging zaten er zo’n honderd leerlingen op, nu nog rond de veertig. Is dat niet érg klein? Levert leegloop niet wellicht andere, maar net zo veel problemen op als overstroom?

Met deze vragen ben ik op pad gegaan. Gelukkig nog net voor het coronavirus uitbrak. Ik ging naar een basisschool waar ze kampten met de problemen van leegloop, maar waar het toen over een andere boeg is gegooid: de OBS Stidalschool te Dalerveen, een klein dorp in het zuidoosten van Drenthe.

Ik ontmoet Roely Rijkens, de locatiecoördinator. Een vrolijke en open vrouw die met veel passie en trots over haar school praat. Toen het leerlingenaantal daalde begon ze zich zorgen te maken. Niet alleen over de overleving van de school, maar ook over het welzijn van de kinderen. De leerlingen zaten jarenlang met nagenoeg dezelfde kinderen in gecombineerde klassen. Groep 1/2/3, groep 4/5/(6) en (6)/7/8. Roely vroeg zich af of dat wel goed was voor de sociale ontwikkeling van de kinderen.

‘Ik lees altijd veel, uit nieuwsgierigheid.’ En zo las ze ook over het unit-onderwijs. Roely was toen een jaar interim-directeur. In dat jaar zijn alle veranderingen doorgevoerd. Het bestuur werkte mee. Er werd een zomer flink gebuffeld. Ze kregen nieuw meubilair en er werd een nieuwe onderwijsvorm geïmplementeerd.

Het unit-onderwijs ziet er als volgt uit. Centraal in de school is een leerplein: een mooie open ruimte met weids uitzicht over het bosachtige schoolplein en daarachter weilanden. Voor dit leerplein hebben de docenten hun lerarenkamer opgeofferd. ‘We kunnen hier toch ook koffiedrinken?’ Er staan tafels, stoelen en banken. Leerlingen kunnen zelf kiezen wat voor hen de fijnste manier van studeren is. Op het leerplein is altijd een onderwijsassistent aanwezig en vaak een of meerdere docenten. Hier studeren de leerlingen zelfstandig of in groepjes aan hun eigen dag- of weektaken.

Grenzend aan het leerplein zitten twee lokalen, één voor rekenen en één voor lezen en schrijven. Hier geven de docenten instructies aan maar een klein aantal leerlingen tegelijk. Deze leerlingen komen niet per se uit dezelfde groep. Soms is iets voor groep 5 bijvoorbeeld nieuwe stof, maar voor groep 6 een herhaling. Dan krijgen beide groepen tegelijkertijd dezelfde instructie. Ook biedt dit de mogelijkheid voor individuele leerlingen om alvast mee te doen met een hogere groep of om leerstof nog eens te herhalen. Dit is een groot voordeel van het unit-onderwijs: het is efficiënt en er is ruimte voor het individu. Er is in geen jaren meer een leerling blijven zitten, omdat makkelijker om kan worden gegaan met leerachterstanden van afzonderlijke onderwerpen.  

Een ander voordeel van het instructies geven in kleine groepen is dat er minder ruis is. Eerder werd de uitleg vaak gestoord door leerlingen in de klas die voor zichzelf moesten werken. ‘Juf, mag ik dit? Juf, mag ik dat?’ Dat werkt afleidend en vertragend. Nu zitten de leerlingen die voor zichzelf moeten werken, op het leerplein. Wel zorgt dat leerplein ervoor dat er in de hele school een constant geroezemoes is. Er zijn stilteplekken, maar ik kan me voorstellen dat het sommige kinderen afleidt. Toch denk ik dat de voordelen opwegen tegen de nadelen, want het zorgt tegelijkertijd voor een open en gemoedelijke sfeer.   

Wat verder is veranderd is dat er niet meer met methodes gewerkt wordt. De docenten bereiden nu zelf de lessen voor, deels rondom thema’s die lopen van vakantie tot vakantie. Er wordt hierdoor meer gevraagd van de leerkrachten. ‘Je moet leren loslaten, een methode biedt veel houvast.’, zegt Roely. Maar er is ook meer ruimte voor individuele sterke kanten en wensen. Zo geeft docent Inge Kiers nu filosofielessen, omdat ze hier zelf in geïnteresseerd is. Verder is er veel aandacht voor creatief onderwijs, zoals muziek, drama, kunst en yoga. En ook vreemde talen vanaf een jonge leeftijd. Een vader van een van de leerlingen geeft bijvoorbeeld Frans.

Ik krijg de kans om met twee leerlingen uit groep acht, die de ommezwaai naar het unit-onderwijs bewust hebben meegemaakt, te praten. Lindsey en Gerrian. Ze zijn wat verlegen, maar toch zeggen ze rake dingen. ‘Nu lijkt het alsof je niet zo lang op school zit.’ De tijd gaat sneller. Ze vinden de thema’s leuk en ze vinden het prettig dat groep vijf tot en met acht nu samen voetbalt in de pauzes. Eerst was dat gesplitst, groep vijf en zes, en groep zeven en acht. Wel vinden ze het wat drukker in school, maar over het algemeen zorgt dat vooral voor meer gezelligheid. ‘Je kan meer samenwerken en je kent iedereen goed.’ Ook zijn ze enthousiast over het onderwijs in kleinere groepen: ‘In de klas is er een kans dat de juf je niet ziet.’ En wat is er voor een kind nou fijner dan écht gezien te worden door je omgeving? 

Als ik lees over het onderwijs in de grote steden, over klassen met veertig leerlingen en één overwerkte docent, dan lijkt dat een groot contrast met de Stidalschool. Voor een deel is dit contrast te wijten aan het aantal leerlingen, voor een deel aan het unit-onderwijs en voor een deel aan de ligging van de school. In een stad kijk je niet uit over weilanden. Rondom de Stidalschool is het zo landelijk dat de kinderen binnen op sokken moeten lopen, omdat er anders niet tegen schoon te maken valt. Het schoolplein alleen al, met groentetuin en fruitbomen, is genoeg voor modderige vloeren. Ook dragen de sokken bij aan een vrije sfeer.

Natuurlijk zullen er dorpsscholen zijn waar het er minder gemoedelijk aan toe gaat. En er zijn ook juist grote scholen in een dorp of kleine scholen in een stad. Ik wil niet alle stadsscholen over een kam scheren. Maar toch kan ik me slecht voorstellen dat een grote school met acht klassen van veertig leerlingen dezelfde ruimte voor een kind kan bieden als een school met veertig leerlingen in totaal. Ik kan mijn enthousiasme over de Stidalschool moeilijk indammen. Onderweg naar huis rijd ik door Dalerveen en kan ik het niet laten om te fantaseren. In gedachten richt ik huizen in en stippel ik de route naar school uit.

Lees hier alle blogs van Bente.