Beoordeel een stuk land nooit op het eerste gezicht. Want wat zie je: veldzuring, smalle weegbree en hier en daar een kruipende boterbloem. ‘Het lijkt drie keer niks. Maar dat klopt dus niet.’ Jap Smits klinkt stellig over zo’n bescheiden hoekje, diep in Westerwolde. In het oosten loopt de Duitse grens, in het noorden ligt het dorp Sellingen en in het westen stroomt de Ruiten Aa. ‘Op dit terrein komt een enorme varieteit aan soorten voor.’

Om Smits heen hebben zich een tiental biologen en geinteresseerden verzameld. Zij doen deze zaterdagochtend veldwerk voor de Nederlandse Entomologische Vereniging (NEV). Met ontheffing mogen ze rondstruinen in gebieden van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Het Groninger Landschap. Smits, in het dagelijks leven boswachter ecologie in het zuiden van het land, schetst waar we staan: dit land is ‘in transitie’, van intensieve akkerbodem naar botanisch beheer. ‘Als je hier een boor in de grond steekt, zie je eerst wel veertig tot zestig centimeter gitzwarte grond. Allemaal voedselrijke humus.’
Juist dat is het probleem bij voormalige landbouwpercelen. Om zeldzamere planten en bloemen een kans te geven, is verschraling nodig. Oftewel: maaien. Op drogere grond tot wel drie keer per jaar. Smits: ‘Maar vaak wordt vergeten dat er een ongelooflijke hoeveelheid aan dierlijke eiwitten rondloopt en -vliegt.’ Wilde bijen, (zweef)vliegen en kevers vinden er voedsel, een plek om zich voort te planten en beschutting. ‘Jonge sprinkhanen kunnen niet ver komen van de locatie waar ze uit het ei gekropen zijn. Als wij beslissen: half juni maaien we het hele perceel, worden die in een klap aan de zon blootgesteld. Ze kunnen nergens meer naartoe en drogen uit. En dan wordt het kind met het badwater weggemaaid en zijn we als natuurbeheerders het tegenovergestelde aan het doen van wat we willen.’

Overlevingskansen

Een oplossing is gefaseerd maaien, zoals natuurorganisaties aanraden en wat Staatsbosbeheer twintig jaar geleden heeft ingevoerd. In elk perceel blijft minimaal tien procent van het totale oppervlak staan. Toch kan ook dat nog beter. In 2012 ontwikkelde de Belgische natuurbeheerder Jurgen Couckuyt het sinusmaaien. ‘Elektrische spanning beweegt zich in een golf: een sinus’, verklaart Smits. ‘Zo rijd je dan op de maaimachine. Geen willekeur, maar wel alsof je een fles jenever op hebt.’ Hij trekt een folder uit zijn zak. Op een kaartje markeren slingerende lijnen en gekleurde vlakken de maaibeurten door het seizoen. Bij deze methode blijft tot wel veertig procent van de vegetatie overeind en komen elk jaar andere delen tot volle ontwikkeling.
De eilandjes van verschillende hoogte bieden voor elk wat wils. De moerassprinkhaan bijvoorbeeld heeft behoefte aan zowel kale bodem als dicht grasland, vertelt Smits. Het icarusblauwtje legt haar eitjes op rolklaver, onder aan de plant. Die loopt uit, waarna de larfjes voldoende voedsel en zonnewarmte krijgen. ‘Maar het staartblauwtje legt de eitjes juist in de top van de rolklaver, dus daarvan maai je dan zomaar de hele populatie weg. Dat geeft al aan dat meer variatie in maaien ook meer soorten de kans geeft op overleving.’
Hoe wenselijk ook, voor beheerders is de methode niet altijd haalbaar. Een maaibestek boven de 25 duizend euro moeten ze landelijk aanbesteden. Bedrijven die intekenen, kijken niet door een ecologische bril. ‘Je snapt het al: een keer maaien is stukken goedkoper dan vier keer moeten terugkomen.’ Smits weet het uit eigen ervaring in Zuidoost- Brabant. Begonnen als maaier bij Staatsbosbeheer liep hij ooit achter een eenassige tractor, met een geschikt formaat. ‘Maar die machines bezitten we zelf niet meer.’ Zo is de biodiversiteit in de twintigste eeuw ironisch genoeg klem komen te zitten tussen intensieve landbouw en natuurbeheer, die beide een grootschalige aanpak hanteren.


Insecten monitoren

Dan ligt er nog de vraag: is het prijzige sinusmaaien echt beter voor de biodiversiteit? Om dat te bewijzen, voert het Brabants Landschap samen met onder andere de Vlinderstichting en Staatsbosbeheer een onderzoeksproject uit (zie kader). Er staat meetapparatuur in het veld en er worden insecten gemonitord. ‘Ik heb natuurlijk een baas die op de centjes let’, zegt Smits. ‘Er komt alleen geld voor sinusmaaien beschikbaar als het evidence- based is. We zien al dat het werkt, maar je moet het hard maken om het breder te kunnen introduceren.’ Zoals op het perceel in Westerwolde, waar nu nog eenmaal per jaar de maaimachine overheen gaat.
Collega Leon Luijten – boswachter ecologie in het Oldambt, Duurswold en Westerwolde – die vandaag ook meeloopt, wijst op de historie van het gebied. Tot twintig jaar geleden verbouwden boeren op deze akker hun gewassen, eeuwenlang was hier een es. ‘Honderdvijftig jaar geleden was er nog allemaal hoogveen, en die kant op was veel heide.’ Het lagere tempo en de kringloop die bij dat kleinschalige boerenlandschap hoorden, waarbij veelal met de hand werd gewerkt, waren beter voor de flora en fauna.
Sinusmaaien is een poging die cyclus in ere te herstellen. ‘Vroeger moesten boeren wachten op een week stabiel weer’, zegt Luijten. ‘Ze schudden het gras drie of vier keer en maakten er daarna hooibalen van. Zo vielen alle zaden eruit. Maar tegenwoordig maaien ze het land ’s ochtends en is het gras ’s middags al weg, als het nog kletsnat is.’ Zo gaat het vaak ook op natuurterreinen. Smits vult de gevolgen in voor soorten als blauwe knoop en ratelaar-achtigen: ‘Al die eenjarigen ben je in een keer kwijt.’
Beheerders zien steeds meer in dat ze de gemaaide vegetatie beter een dag of twee ongemoeid kunnen laten. Bovendien kunnen de insecten dan eruit kruipen. ‘Laat je alles nog langer liggen, dan verschuilen watersalamanders en loopkevers zich eronder. Maar die exposeer je dan weer plotseling als je het allemaal tegelijk opruimt’, zegt Smits. Zo benadrukt hij zijn adagium: doe nooit alles voor honderd procent.

Intimiteit

De insectenkenners van de NEV dwalen inmiddels met netjes en potjes door het hoge gras. Ze melden een rozenkever, een meikever, een schijnboktor. Een hooibeestje gaat ter observatie in een doorzichtig potje. Opkijken loont ook de moeite: een groene specht landt boven in een boom, in de verte verdwijnt een ree.
Sommige deelnemers komen hier voor het eerst. Smits: ‘Het is een opsteker om dit soort habitats in Zuidoost-Groningen te vinden. Kleinschalig, met oude essen, zoals we die kennen van Drenthe en Brabant.’ In zijn wandelserie voor de Volkskrant noemde columnist Caspar Janssen het beekdal van de Ruiten Aa al het best bewaarde geheim van Nederland. In de aantrekkingskracht van bloeiende hooilandjes en houtwallen zag hij een ‘onbewust verlangen naar intimiteit’.
De inspanningen van boswachters als Smits en Luijten kunnen dat verlangen in de toekomst allicht helpen vervullen. Het begint met pinksterbloemen, waar het oranjetipje op vliegt, en reukgras zit er ook al tussen, constateert Smits. Hij somt gewenste soorten op: kale jonker, een distel die het goed doet in vochtige graslanden, knolsteenbreek en zenegroen. En uiteindelijk de gevlekte en mei-orchissen. Op percelen verderop staan die al. Zo hopen ze uiteindelijk op een heterogene, halfopen grasmat met veel bloemen. ‘Maar voorlopig kun je daarvoor nog wel even maaien.’ Luijten knikt en doet een inschatting: ‘Wel twintig tot vijftig jaar.’

Helpt sinusmaaien?
Is sinusmaaien aantoonbaar beter? Die vraag staat centraal in vier graslandgebieden in Noord-Brabant, in een onderzoeksproject gefinancierd door de provincie en het Prins Bernhard Cultuurfonds. De deelnemers maaien op elk terrein een deel regulier en een deel met sinusbeheer. Ze meten de temperatuur en luchtvochtigheid. Van april tot september tellen ze dagvlinders, zweefvliegen en bijen, vier seizoenen op rij.
Komende zomer moeten er onderzoeksresultaten liggen. Anthonie Stip van de Vlinderstichting wil wel een tipje van de sluier oplichten: berekeningen uit de losse pols tonen voor de dagvlinders positieve resultaten. ‘Op de percelen met sinusbeheer tellen we vooral meer graslandvlinders, zoals het bruin zandoogje, de kleine vuurvlinder en het groot dikkopje.’
En dat is goed nieuws, want in heel Europa staan deze soorten flink onder druk. Volgens een internationale monitor zijn de aantallen graslandvlinders sinds 1990 met gemiddeld 39 procent gedaald. ‘In Nederland is dat nog veel erger, wel vijftig tot zestig procent.’
Voor zweefvliegen en bijen zijn de resultaten van sinusmaaien nog wat minder duidelijk. Die aantallen nemen af, zowel in regulier gemaaide als in sinusterreinen. Stip vermoedt een oorzaak in de droogte van 2018 en 2019. ‘Daar valt niet tegenop te boksen. Dat we bij de dagvlinders toch een toename zien, vind ik een mooi gegeven.’
Stip verwacht dat dit voor beheerders voldoende kan zijn om op sinusmaaien over te stappen. Hij probeert financiering te vinden om het onderzoek voort te zetten, zodat er voor meer insecten hardere resultaten komen. Zelf kan hij zonder veel omhaal het succes van de sinusaanpak beredeneren: planten groeien langer door, vlinders zijn daardoor in staat hun levenscyclus te voltooien. ‘Variatie nastreven, dat zijn de kernwoorden voor meer biodiversiteit. Insecten kunnen dan onder verschillende weersomstandigheden een geschikt plekje vinden: schuilen als het regent, opwarmen als de zon schijnt en afkoelen bij te grote hitte. Mensen met kennis van de natuur constateren al met eigen ogen wat sinusbeheer doet. Loop in mei of juni maar eens door zo’n veld: overal zie je vlinders en andere insecten rondvliegen. Boven een regulier gemaaid terrein is het leeg.’