Het wordt een moeilijke eeuw voor het dorpse leven in Groningen. Door toenemende gezondheids- en inkomensverschillen, extremere weersomstandigheden en de tol van zeventig jaar grootschalige ruilverkaveling is de toekomst het Groninger dorp nog nooit zo donker geweest. En dat is nog buiten de lange-termijn effecten van de aardbevingen en Corona gerekend. Alleen een nieuwe ruimtelijke ordening en een duurzaam landgebruik kunnen het dorp succesvol door de 21ste eeuw loodsen. Een ordening waarin de leefomgeving van mens, plant en dier centraal staat en niet de optelsom van louter economische ontwikkelingen.

Maar hoe komen we daar? Door klimaat, gezondheid en leefbaarheid als ruimtelijke opgaven te benaderen. Door grenzen te stellen aan onze economie. Door in onze liefde voor de pittoreske Groninger dorpjes niet blind te zijn voor de onderhuidse leefbaarheidsproblemen. Door een heroriëntatie op ‘de Groninger identiteit’ als grootschalige landbouwprovincie. En bovenal door dorpsinclusief te leren denken. Hier is moed en creativiteit nodig, bij veel partijen. En een geloof in maakbaarheid.

Het dorp als achterstallige leefomgeving

De leefomgeving van de Groninger vraagt om een nieuwe ruimtelijke ordening. Ten gunste van de landbouwproductie heeft de grootschalige ruilverkaveling sinds 1950 het fijnmazige vooroorlogse Groninger landschap bijna geheel verwoest. Sloten, houtwallen, krekenstelsels en bosschages zijn verdwenen. Veel van de circa 350 Groninger dorpskernen zijn doorsneden met asfaltwegen en ommuurd geraakt met voetbalvelden vol ondoordringbare gewassen als maïs, snij- en suikerbiet en aardappels. ‘Dorpen zijn daar niet of nauwelijks, de huizen van arbeiders en neringdoenden staan schuchter bijeengedrongen om een sluis, langs kanaal of dijk, zoodat  zoo min mogelijk van den kostelijken cultuurgrond wordt verknoeid. (..) Doodsch en afstootend is dit land, maar welvarend.’ Het zijn woorden van hoogleraar Tuin- en Landschapsarchitectuur J.T.P. Bijhouwer die al in de jaren ‘50 waarschuwde voor deze secundaire aandacht voor de leefomgeving in gebieden waar ruilverkaveling gaande was. Om het landschap te redden werden in deze periode in alle provincies landschapsconsulenten gestationeerd, behalve in Groningen. Had men de hoop al opgegeven?

Ook de verkeersruimte is op de meeste plekken in de provincie afgestemd op de behoeftes van de gemechaniseerde landbouw. Trekkers, combines en andere landbouwmachines werden steeds zwaarder, waarop wegen in dorpen werden verbreed en geasfalteerd. Het autoverkeer maakte hier dankbaar gebruik van, waardoor steeds harder door met name de tientallen lintdorpen werd en wordt gereden. “Een lintdorp, geen reden om terug te schakelen, geen plaats om te stoppen” schrijft Dörte Hansen over de Noord-Duitse lintdorpen; het hadden ook de Groningse kunnen zijn. Het aantal auto’s is sinds 1980 verdubbeld, terwijl de verkeersruimte in deze dorpen niet dubbel zo veilig is geworden. Mede hierom is de kans op dodelijke ongelukken in dorpen tegenwoordig aanmerkelijk groter dan in steden, aldus recent onderzoek van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid.

Mochten de kaarsrechte wegen en fietspaden in combinatie met de grote wolkenpartijen boven het landschap nog stoere marketing foto’s opleveren, in de praktijk recreëert de Groninger het minste van alle Nederlanders, op de inwoners van Flevoland na. Het recente wandelknooppuntennetwerk van Groningen voert voornamelijk over verharde wegen, en zelden tot nooit over slingerende schelpenpaadjes. Volgens landelijk onderzoek van stichting Wandelnet bestempelen Groningers mede hierom hun eigen wandelpaden als minst aantrekkelijk ten opzichte van alle andere provinciebewoners in Nederland. Ook toeristen zijn ondanks de mooie foto’s maar moeilijk te porren om naar Groningen te komen; de provincie bungelt al jaren onderaan de lijst van binnenlandse bestemmingen.

Acute natuur deficiëntie

Logischerwijs zijn een achterstallige leefomgeving en een overproductief voedsellandschap ook van invloed op de gezondheid van de Groninger. Steeds meer onderzoek laat zien hoe de directe en indirecte effecten van intensieve akkerbouw en veeteelt negatieve effecten hebben op de volksgezondheid. Luchtvervuiling door stikstofoxiden uit verkeer en agrarische industrie treffen vooral kinderen met astma en mensen met COPD, ook op het platteland. Er is een jonge tak van wetenschap gewijd aan de brede blootstelling aan alle kwantificeerbare omgevingsinvloeden op de publieke gezondheid, genaamd Exposomics. Denk daarbij aan de gevolgen van de afnemende kwaliteit van ons drinkwater en aan de blauwalg in het oppervlaktewater, maar ook aan de blazers en kolencentrales in Delfzijl. Het zou voor de leefstijldiscussie die vaak over Oost- en Noord-Groningen wordt gevoerd, veel kunnen betekenen wanneer helder wordt in welke mate de agrarische industrie in de volle breedte invloed heeft op de levensverwachting van haar omwonenden. Want dat de gezondheid kwetsbaar is op plekken waar intensief geboerd wordt, laat onderstaande kaart goed zien.

Leefomgeving als determinant voor gezondheid gaat naast chemische vervuiling tegenwoordig ook en vooral over het verleiden tot beweging – het zogeheten nudging – en het ervaren van groen. Ten aanzien van bewegen concludeerde TNO in 2014 op basis van extensief literatuuronderzoek dat er met name positieve verbanden bestaan tussen kenmerken van de leefomgeving en verschillende vormen van beweging, met name als het gaat om de wandelvriendelijkheid van buurten; de toegang tot winkels, voorzieningen en werk; verkeersveilige loop- en fietsroutes; en informele speel- en wandelmogelijkheden. Allemaal zaken die in veel dorpen beperkt aanwezig zijn of onder druk staan.

Een groene leefomgeving heeft daarnaast een aangetoond effect op het herstel van stress, op het aanzetten tot sociaal contact, het bijdragen aan een optimale ontwikkeling van kinderen, het stimuleren van beweging en het bevorderen van zingeving en persoonlijke ontwikkeling. Het Wageningse Instituut voor Environmental Research doet hier al jaren onderzoek naar. Natuurbeleving is daarbij essentieel, volgens professor Agnes van den Berg (RUG en WUR). Wie als kind veel buiten speelt heeft daar een leven lang profijt van. Probleem is dat ‘beleefbare natuur’ in Groningen schaars is. Binnen Nederland kent de provincie Groningen veruit het minste aantal beschermde Natura2000 gebieden (7 van de in totaal 160). Bovendien liggen ze ver verwijderd van dorpskernen. Daarnaast heeft Groningen samen met Zeeland veruit het minste oppervlakte bos van Nederland. Groningers lijden aan wat de Amerikaanse schrijver Richard Louv noemt, acute natuur deficiëntie (Nature Deficit Disorder); een gebrek aan natuurervaring.

Aantrekkelijke en beleefbare natuur is bovendien niet alleen uit gezondheidsperspectief interessant. Ze stuwt ook de prijzen van woningen op over een afstand tot wel zeven kilometer, concludeerde RUG onderzoeker Michiel Daams in 2016. Woon je dichtbij aantrekkelijke natuur dan is het effect het sterkst; 16% van de woningprijs, waarbij uitzicht over het natuurgebied niet noodzakelijk is. Verder weg wordt het effect natuurlijk kleiner: het effect is 1,6% op een afstand van zeven kilometer en daarna wordt het verwaarloosbaar klein. Natuur heeft daardoor op de woningmarkt veel meer waarde dan eerder gedacht. Het aanleggen van dorpsrandparken zoals in Steendam, Kolham etc. kan een onderbouwde strategie zijn om de door aardbevingen in waarde gedaalde huizen te compenseren.

Voorwaarde voor een duurzame toekomst: Introduceer een dorpsbouwmeester

Hoe ziet Groningen er in 2040 uit? Het is een vraag die op veel beleidstafels ligt, vooral als het over het aardbevingsgebied gaat. Bezien vanuit de bovengenoemde transities is een leidende rol noodzakelijk voor de fysieke leefomgeving van mens, plant en dier.

Het ontwikkelen van meer duurzaam landgebruik voor natuur, mens en dier begint niet bij grootschalige plannen maar bij draagvlak onder de bevolking. Maar hoe krijg je dat in een provincie met 350 dorpen? Dorpsbinding is een complex begrip geworden, het creëren van draagvlak een opgave van constante aandacht. Gedreven dorpsbewoners dragen doorgaans kleinschalige projecten aan, terwijl provincie en gemeenten juist vragen om impact op grotere schaal. De mismatch tussen beleid en praktijk, tussen burger en ambtenaar, tussen systeemwereld en leefwereld, wordt nergens zo gevoeld als in dorpen. Veel landelijke rapporten en beleid leggen dat ook pijnlijk bloot. Zo verkende het rapport Ruimte voor Redzaamheid van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg de relatie tussen de redzaamheid van ouderen en de inrichting van de publieke ruimte, maar had daarin enkel oog voor de stedelijke omgeving, terwijl juist in dorpen de redzaamheid van ouderen onder druk staat. Ook financieel legt het dorp het constant af. Tussen 2000 en 2010 gaf het Rijk 15 miljard euro uit aan het grotestedenbeleid, terwijl ze in de periode 2010-2015 ‘slechts’ 55 miljoen besteedde aan een meer dorpsgerelateerd thema als krimp via de zogeheten Krimpmaatstaf. Per saldo kan de dorpeling op veel minder overheidssteun en beleidsmatige interesse te rekenen dan de stedeling.

Naar analogie van de stadsbouwmeester zoals we die kennen in steden als Groningen, Delft en Haarlem zouden dorpsbouwmeesters een ontbrekende schakel kunnen zijn. Zij zouden als neutrale makelaar kunnen fungeren tussen de genoemde systeemwereld van overheden en de leefwereld van dorpelingen. Meer concreet zouden dorpsbouwmeesters betaakt zijn met drie zaken: het inpassen van kleinschalige burgerinitiatieven in grotere dorpsplannen, het vergroten en vergroenen van de directe leefomgeving van dorpelingen en ten slotte het verbinden van initiatieven van overheden en landschaps- en erfgoedorganisaties aan burgerprojecten in de dorpen. Speciale aandacht mag daarbij uitgaan naar het dagelijkse beheer van de openbare ruimte, want hier worden veel kansen gemist om de leefomgeving in dorpen makkelijk te verbeteren. Kennisinstellingen kunnen dorpsbouwmeesters ondersteunen met lectoraten en hoogleraarschappen en met academische en innovatiewerkplaatsen, net zoals ze dat nu doen op het gebied van gezonde verstedelijking.

Groningen is maakbaar

Het belang van een transitie naar een duurzaam en klimaatbestendig landschap waarin mensen kunnen leven, werken en recreëren; de bedrijven melk, kaas en bier voor ons produceren; we droge voeten houden ondanks de klimaatverandering en we al fietsend de geluiden van grutto’s, bijen en groene kikkers horen. Het vergt van Groningen en haar inwoners een nieuw verhaal vol verbeeldingskracht. Een verhaal waarin we niet de vruchtbaarheid van de klei vooropstellen, maar het welzijn van de Groninger. Een verhaal tenslotte, dat aansluit op onze rijke ruimtelijke historie van wierden en dijken, de openheid, de karakteristieke dorpskernen, de waterlopen, de kerken en de molens: het zijn allemaal beeldbepalende elementen die door mensenhanden zijn gemaakt, en niet van nature zijn ontstaan. Groningen is maakbaar, zo leert het verleden. Laat de toekomst dat ook zijn. 

Dit artikel is samengesteld uit het essay ‘Ruimte voor een nieuwe tijd en een dorpsbouwmeester.’. Dit essay is via pdf beschikbaar om integraal te lezen.