We staan voor immense veranderingen in hoe we leven en omgaan met onze leefomgeving (klimaatverandering, energietransitie, voedselrevolutie). Daarin vragen we veel van boeren die meer dan de helft van ons land onder hun hoede hebben. Zij moeten hun manier van werken ingrijpend veranderen. Hoe krijg je dat voor elkaar? 

Na de oorlogen wisten we dat: landbouwvoorlichting. Dat was de wijze waarop je nieuwe kennis, nieuwe technologieën bij de boeren in het veld bracht. Individueel aan de keukentafel, door te helpen de problemen van dat bedrijf of te lossen. Collectief tijdens winteravonden met lezingen, cursussen en informatiebijeenkomsten. En in gemeenschappen en besturen waar onderling de nieuwe kennis werd gewogen en gekoppeld aan de ‘grond van hier’ en de ‘mentaliteit’ van de lokale gemeenschap.

Hoe we het toen deden

Tussen de jaren vijftig en zeventig hadden we een dicht netwerk van landbouwconsulenten en assistenten. Ze waren georganiseerd per branche (bijvoorbeeld de tuinbouw, akkerbouw enzovoorts), per vraag (zoals bemesting of gewasbescherming) en zowel landelijk als regionaal. Landbouwvoorlichting was een krachtige drie-eenheid. De overheid liet haar beleid doorsijpelen naar de werkvloer via deze consulenten, de wetenschap bracht er haar kennis in en boerenorganisaties hielden grip op de branche en de beleidskeuzes. Alle drie kregen ze ook iets terug: er kwam draagvlak voor het beleid, wetenschappers kregen gegevens en konden proeven in het veld doen, terwijl boeren grip hadden op de prijzen en het beleid. Het was een vruchtbaar amalgaam die het land in korte tijd aan een modernisering van de boerenbedrijvigheid heeft geholpen die nergens geëvenaard is. Onderzoek, onderwijs en voorlichting vormden in onderlinge samenhang de basis van een groot economisch succes. 

En meer. Ik hoor en lees dat boeren met groot plezier op een donkere winteravond naar een café trokken waar over hun vak werd gepraat in georganiseerd verband. Ik herken dat. Samen werken aan verandering, brengt je bij elkaar. In de jaren tachtig verhuisde ik naar Almere Stad, een gloednieuw stadsdeel waar we stadsverwarming kregen. Er werd geen gasleiding aangelegd en we moesten elektrisch koken. Probeer zoiets basaal als je kookgedrag maar eens te veranderen! Dus trakteerden de bestuurders ons op les. Koken op een andere bron is natuurlijk onvergelijkbaar met de ingrijpende veranderingen waar boerenondernemers voor staan, maar wat er gebeurde is universeel. We togen naar een zaal waar een consulent ons voordeed hoe het moest. Natuurlijk werd er gekankerd in het plat Amsterdams – je moest nieuwe pannen kopen en het vier-minuten-ei was wel ‘effe wennen’. Wat de kook-consulent onbedoeld meebracht was echter bijzonder waardevol: we leerden de buren kennen en hadden een gespreksonderwerp als we elkaar op straat tegenkwamen. Zo staan de grappen over taaie magnetron-aardappels aan de basis van warme vriendschappen.

Terug naar de vruchtbare samenwerking in de landbouwvoorlichting. Die liep gesmeerd omdat het doel eenduidig was: de landbouw moest mee in de stijgende welvaart en met de stijgende lonen werd moderniseren door alle partijen als de enige weg gezien. Dat is gelukt en nu is de landbouw een branche als alle andere. Geld is het hoofddoel en landbouw voorlichters van rijkswege zijn afgeschaft. De Landbouw Voorlichting is geprivatiseerd en is als NV onder de naam ‘DLV’ op de commerciële markt actief.

Waarom hielden we ermee op?

Die ooit zo goed werkende structuur van overheid, wetenschap en boerenorganisaties bestaat niet meer. Als er al iemand aan de keukentafel op de boerderij aanschuift dan is het een vertegenwoordiger van een firma die iets wil verkopen. Nieuwe inzichten of technologieën moeten vanuit de wetenschap via het bedrijfsleven naar het boerenerf. Dat gebeurt dus vooral als er iemand geld in ziet. Het rijk moet nu haar beleid opleggen via dwingende voorschriften omkleed met sancties en bureaucratie. Het oude pact met de brancheorganisaties is een geldlijn geworden. Zo hebben we de wereld tegenwoordig georganiseerd. Helaas. Want dat werkt niet als er iets moet veranderen. En dat is wat nu moet gebeuren. 

Daarom vind ik dat we de landbouwconsulent weer in ere moeten herstellen. Wij, de samenleving, hebben behoefte aan een boerenstand die niet alleen kijkt naar euro’s op de bank, maar die bodemkwaliteit belangrijk vindt, die biodiversiteit en landschap koestert, die schone lucht en water centraal stelt. Daar hebben we nog geen sluitend verdienmodel voor, dus daar werkt het profijtbeginsel niet. En daarom moeten we onze boeren helpen met het maken van die draai. Hoe? Met onafhankelijke goede consulenten die komen sparren over het bedrijf en wat er anders kan. Thuis aan de keukentafel. Maatwerk. Dus geen platte voorlichting, maar verstandige onafhankelijke meedenkers die kunnen beschikken over budget om de veranderingen mogelijk te maken en te ontdekken hoe het kan gaan werken voor de boer en voor de samenleving. 

Ik roep politici op kritisch te kijken naar hun eerdere besluiten om boeren totaal de vrije markt op te jagen. Zie hoe ze ertoe zijn aangezet om ons leefmilieu te negeren. Kijk welke kant we op gaan als alle adviseurs gedreven worden door geld. En kom in actie.

Consulenten in een nieuwe jas

De eerste landbouwconsulenten waren dominees. Letterlijk. Dat was twee eeuwen geleden. Predikanten leerden over de landbouw opdat ze die kennis herderlijk onder hun landbouwende schapen konden verspreiden. De koppeling met geloof is na de verstatelijking (begin 19e eeuw) losgelaten. De professionalisering en samenvoeging van studiekracht, overheidsmacht en brancheorganisaties maakte in de naoorlogse periode van landbouwconsulenten een sterk instituut. Boeren waren vereerd als ze in het bestuur van een consulentschap werden benoemd, ze raakten er bij verjaardagen en collegiale bijeenkomsten niet over uitgepraat wat de voor- en nadelen waren van deze of gene aanpak. Dat was een goede manier om de branche te veranderen.

We zijn nu opnieuw toe aan een grote verandering in onze manier van boeren. Zelfs agri-producenten als HAK zien het. Zij gaan vol in ‘het groene normaal’. Mooi en goed, al blijft helder wat zij nastreven: meer potjes groente verkopen. Grote landbouworganisaties hebben moeite te erkennen dat de industriële landbouw een doodlopende weg is. Voor hen heb ik een uitweg met gering gezichtsverlies: verschuil je achter de consulenten. Het zijn tenslotte niet de boeren zelf die dit ziekmakende productiemodel hebben bedacht. Dat is een product van de wetenschap, aangejaagd door de overheid en mede geboetseerd door de markt. Boeren zijn door consulenten op het idee gebracht om op industriële schaal vee te gaan houden. Die boodschap is hen na de Tweede Wereldoorlog aan hun eigen keukentafel verkondigd. En nu worden ze erom verketterd. 

Beste boerenorganisaties: draai van dat fnuikende eendimensionale marktdenken weg. Doe het voor je leden. Zorg dat boeren weer kunnen werken in een warm maatschappelijk klimaat. Dat ze plezier kunnen maken met de buren. En natuurlijk een goede boterham verdienen.

Net als voor de ruilverkavelingen geldt hier: het instrument ‘consulteren’ is buitengewoon effectief. De boodschap die je in dat kanaal giet, is nu echter een totaal andere dan de productieverhoging van na de Tweede Wereldoorlog. De samenleving heeft baat bij een volgende generatie landbouwconsulenten die kennis over circulair werken vertalen naar de boerderij. Mensen die onderzoek en praktijk koppelen en zorgen dat de nieuwe werkwijze fatsoenlijk mee gaat doen in het verdienmodel van de boerderij. Geef consulenten ruimte om hun werk goed te doen en knel dat niet opnieuw af in voorschriften. Het allerbelangrijkste is dat ze boeren steunen in de voor ons allemaal zo belangrijke zoektocht naar een duurzamer bestaan. Want naast voedselproductie hebben we boeren nodig voor de biodiversiteit, waterbeheer, landschapszorg en dergelijke. Met die waarden krijgt het boerenbedrijf weer de maatschappelijke verankering waar we allemaal naar snakken.

Lees hier alle blogs van Ineke.