Je zou een paar van de ‘huilende bruiden’, zoals de kwijnende herenboerderijen in het Groninger Oldambt worden genoemd, kunnen laten uithuilen tot er geen tranen meer over zijn en daarna de tijd, ‘de grootste beeldhouwer’, met zijn onzichtbaar malende kaken zijn werk laten doen. ‘Geleide verruïnering’ – het zou een optie kunnen zijn voor enkele graanpaleizen van weleer, meent Stichting Landschap Oldambt (SLO), een groep met het Oldambtster landschap begane burgers.
De stichting heeft een rondgang gemaakt langs tientallen probleemgevallen en aan de hand daarvan een document opgesteld met per boerderij een (ongevraagd) advies: herstel of slopen. Een motivatie of toelichting staat er niet bij. Ze hebben de adviezen onder meer naar het Erfgoedloket, de gemeente Oldambt en het Ontwikkelbedrijf Monumentale Massa van projectontwikkelaar Peter Prak gestuurd, zegt Harm Evert Waalkens, bekend oud-politicus en SLO-bestuurslid. ‘Je stopt het in de brievenbus, en dan is het afwachten wat ermee gebeurt.’
Je kunt boerderijen herbestemmen of renoveren, schrijft de stichting. ‘In ernstige gevallen kan sloop de enige optie zijn.’ En: ‘Als alternatief voor volledige sloop kan een boerderij bewust worden achtergelaten om te vervallen, terwijl de ruïnes zichtbaar blijven. Dit biedt een ecologische meerwaarde en een rustpunt in het strakke agrarische landschap. Zo blijft het erfgoed als stille getuige aanwezig.’
Boerderijruïnes, waarom niet? Ruïnes zijn in heel Europa toeristische attracties, behalve bij ons. Waaraan anders kun je de tand des tijds zo zien, ervaren, voelen? Er staan informatiebordjes bij, er gaan wandelroutes naartoe. Liefhebbers van minder gebaande paden hebben een leuke hobby aan urbex, ‘urban exploring’: het betreden van verlaten, verruïneerde gebouwen en ruimtes zoals mijnen, fabrieken en ziekenhuizen.
Broos
Met Harm Evert Waalkens rijd ik vanuit zijn woonplaats Finsterwolde een ronde langs herenboerderijen in verschillende staten van verval. We rijden door Beerta, Nieuw-Beerta, over de Hamdijk tussen Bad Nieuweschans en Klein-Ulsda. Het is juli 2025, anderhalve eeuw tot bijna twee eeuwen na de champagnejaren in het Oldambt, toen het land goudgeel kleurde van het graan, de welstand van zijn producenten symboliserend.
‘Die tweede boerderij hier aan de rechterkant. Nee, één verder. Hier zie je dus’, zegt Waalkens, nu halt houdend op de bedoelde plek langs de weg, ‘een voorbeeld van de staat waarin tientallen Oldambtster boerderijen verkeren.’ Het dak van de schuur is op drie plekken ingezakt. In de ooit monumentale woning woont niemand meer, ramen en deuren zijn dichtgetimmerd.
Dit is nu niet meteen een attractie. Het probleem – een van de vele problemen – is dat zo’n boerenschuur in het licht van de eeuwigheid buitengewoon broos is. De kastelen uit de middeleeuwen zijn gebouwd om bloeddorstige vijanden buiten te houden. De restanten van metersdikke muren liggen er, als rotsen, voor bijna altijd. In vergelijking daarmee zijn de Odambtster schuren simpele tenten, gebouwd om het graan droog te houden, of vee dat geen vlieg kwaad doet. Betreding van zo’n bouwval is vanwege instortingsgevaar af te raden. Bovendien is er aan een puinberg van hout en steengruis niet veel te zien.
‘Wij zijn geen bouwkundigen’, zegt Waalkens. De SLO oppert, draagt ideeën en denkrichtingen aan. Renoveren, herbestemmen, slopen in geval van total losses, en ja, wie weet: verruïneren. ‘Aan een ruïne achter bouwhekken heeft niemand iets, je zal het op de een of andere manier publiek toegankelijk moeten maken’, zegt Waalkens. De oud-politicus denkt aan dingen met QR-codes, informatie op je smartphone, virtual of augmented reality, iets.
‘Een ruïne heeft een duistere aantrekkingskracht. Alsof je de tijd zelf in zijn rotte bek kijkt’
Aan de Hamdijk buiten Bad Nieuweschans staat, of ligt, een ruïne. Een voormalige monumentale boerderij, de voorgevel ingestort, de rest van de bebouwing nog ingestorter dan het voorhuis. Er groeit een boom naar binnen. Overal puin, gruis, stenen, balken. De ooit weelderige slingertuin, met vijver, een woestenij. Een bordje bij de hekken:
VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN –
ART. 461 WETB. V. STRAFR.
‘Dat geldt ook voor u!’ staat erbij. De wet ten spijt, lopen we een eindje de oprit op. Er staat een wat gebutste Ford Escort geparkeerd. Hier is iemand bezig, of bezig geweest. In de brievenbus zit nog post, constateert Waalkens. De verwoesting van het huis is bijna totaal. Verdrietig, schrijnend, maar de ruïne heeft ook een duistere aantrekkingskracht. Alsof je de tijd zelf in zijn rotte bek kijkt. Dit is geen huilen meer, eerder zwijgend schreeuwen, een aanklacht tegen een tijd die dit laat gebeuren.
Openluchtmuseum
Merijn Wienk woont in een renteniersvilla in Bellingwolde. Zijn vrouw is bezig in de grote, uitbundig begroeide tuin. Wienk werkt bij Libau, een Gronings adviesbureau op het gebied van de kwaliteit van de leefomgeving en cultureel erfgoed. Hij stond aan de wieg van Libaus Boerderijenvisie die enige jaren geleden ten doop werd gehouden. ‘Het grootschalige, open cultuurlandschap van het Oldambt is “Unesco-werelderfgoedwaardig”’, zegt Wienk. Het is bijna een openluchtmuseum, met een wereldwijd unieke verzameling monumentale boerderijen. Maar een gebouw is geen museumstuk, gebruikers moeten er nú wonen en werken. Moderne landbouwmachines hebben meer ruimte nodig dan paarden vroeger; door schaalvergroting raakten monumentale erven in onbruik, en uiteindelijk in verval. ‘Het Oldambt heeft 367 grote boerderijen van het graanpaleistype’, zegt Wienk. ‘Zo’n 80 procent is monumentaal. Ik vermoed dat 15 tot 25 procent van het totaal matig tot slecht is. Ongeveer 5 procent zal zo slecht zijn dat het niet meer te redden is. Daartussenin zit een aantal waarbij het verval om financiële redenen in feite onomkeerbaar is. Je kunt als gemeente niet 367 boerderijen omarmen. In veel oude boerderijen zou je één, twee of drie miljoen moeten investeren.’ Het kost elk jaar een modaal jaarsalaris om zo’n boerderij alleen al te onderhouden. De bruiden zijn financiële zwarte gaten, ook als ze nog lachen.
Een tent
Herstel, herbestemming, een beetje herstel of een beetje herbestemming, slopen, deels slopen: er bestaat geen haarlemmerolie voor het hele boerderijenerfgoed. Elk geval zijn eigen recept, al dan niet palliatief. Een gedeelte van het erfgoed zakt gewoon in elkaar, slechts geleid door de tijd, het weer en de zwaartekracht. ‘Het is romantisch om aan ruïnes te denken’, zegt Wienk. ‘Op vakantie maken mensen foto’s van ruïnes, terwijl we ons in onze cultuur ervoor schamen, omdat we het liever aangeharkt en netjes hebben. Wij zijn als land meer van het opruimen, omdat we het naar vinden om verval mee te maken.’ Opgeruimd staat netjes, maar dat is ook een beetje saai. De natuur verhoudt zich tot dat opgeruimde als een kakkerlak tot een geboende vloer: die heeft daar niets te zoeken. Rommel en troep zijn pokon voor de biodiversiteit, die juist in onze vergeten voetafdrukken floreert. Dat gezegd hebbende: de boerderijen in het Oldambt zijn slechte ruïnekandidaten. ‘Een kasteel kan met gemak duizend jaar een ruïne zijn. Hoe bemoster, hoe romantischer de aanblik. Een boerderij is een tent: als je de stok weghaalt, zakt het dak in. En dan ligt het gewoon op de grond. Dat is geen ruïne.’

Restanten
Met Wienk maak ik ongeveer hetzelfde rondje als eerder met Waalkens, maar dan in omgekeerde richting, tegen de klok in. Op zoek naar ruïnes. Dat heeft dus geen zin, kan een kritische lezer opmerken: die boerderijen zijn ongeschikt voor verruïnering, dat hebben we net gelezen. Van de andere kant bekeken: ze zíjn er al. Een deel van het boerderijenarsenaal is de facto een ruïne of hard op weg er een te worden. Voor liefhebbers van verval is er veel te genieten.
Een Oldambtster boerderij vervalt niet, zoals een Schotse burcht, met een toeristisch te exploiteren traagheid, nanometer voor nanometer, maar in een historische vloek en een zucht. Op de laptop thuis liet Wienk vooraf foto’s zien van een boerderij die in 1990 nog werd bewoond en bewerkt – gehaakte gordijntjes voor de ramen, geiten in de tuin. In 2016 was daarvan alleen nog een geraamte over.
We kijken ernaar, nu live, vanuit Wienks auto. Wat rest van de ooit karakteristieke boerderij is amper nog een ruïne te noemen. Het zijn de restanten van een ruïne, nog elke dag aangevreten door het weer, de lucht, de zwaartekracht. ‘We kunnen dertig jaar lang van de ruïnes genieten, en dan blijft er dit over.’ Tijdelijke ruïnes, vluchtig als de bruis op champagne.
‘Dit is heel sneu.’ We staan voor een ‘wederopbouwboerderij’ uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Gehavend in de oorlog, herbouwd in de jaren erna. Wienk wijst op een gat in de gevel dat zicht biedt op een authentieke Bruynzeelkeuken uit die tijd van vlijt en zin in de toekomst.
Een gat in de muur, een gat in de tijd. Dat klinkt wat hoogdravend, maar liefhebbers van het letterlijke, zien door het gat óók die keuken uit de jaren vijftig. Het Oldambt heeft tientallen van zulke inkijkjes in vergane huishoudens, achter hekken rond boerderijen die wachten tot iemand er wat mee doet. Herbouwen, herbestemmen, slopen, of gewoon… niets, zodat het bouwsel een ruïne blijft, zolang het duurt.
