Potscherven, pijlpunten, stukjes glas: de bodem zit vol met archeologische resten. Het Noordelijk Archeologisch Depot beheert de vondsten, maar groeit geleidelijk uit zijn jasje. Wat bewaren we en wat niet? En voor wie?

Vinden, opgraven, bewaren, onderzoeken: door deze trechter verloopt kort gezegd de archeologie. In Nuis, een dorpje in de coulissen van het Groningse Westerkwartier, staat sinds een kleine dertig jaar het Noordelijk Archeologisch Depot (NAD). Het ligt er vol met vondsten van aardewerk, bewerkt natuursteen, botmateriaal – zeker driekwart van de objecten valt in een van deze categorieën, vertelt Dion Stoop, archeoloog bij het NAD. ‘Dat soort materiaal is goed bestand tegen verwering. Hout en leer vergaan in de bodem, tenzij het lang onder water of in het veen heeft gelegen. Metaal gaat roesten en verdwijnt meestal ook.’ Een paar miljoen vondsten telt het NAD, afkomstig uit Groningen, Friesland en Drenthe, verdeeld over circa 300.000 archiefnummers in dozen en in lange stellingkasten. Het bewaren van dit alles dient een hoger doel: kennis opdoen en doorgeven, verhalen vertellen over voorbije levens en beschavingen. Dat archeologen voortdurend schatten vinden is een misverstand. Veel vaker gaat het om alledaagse voorwerpen. Pijlpunten die hun praktische nut al lang geleden verloren hebben, kruiken en potten die in scherven uiteen zijn gevallen. Een deel kunnen we afval noemen, van de mensen van toen. Stoop vindt die aanduiding tenminste geen belediging voor zijn vakgebied: ‘Afval vertelt misschien wel het meest over het dagelijks leven van vroeger.’

Opgravingen

Topstuk of afval, het is hoe dan ook de wettelijke taak van het NAD om archeologische vondsten uit de drie noordelijke provincies op te slaan. Collecties van het Groninger, Fries en Drents Museum en van de Rijksuniversiteit Groningen vinden hier onderdak. Nieuwe aanwinsten betreffen vooral objecten uit opgravingen op bijvoorbeeld bouwterreinen. Het NAD bewaart ‘in principe’ alles wat de opgravers overdragen, vertelt Stoop, maar een provinciaal archeoloog kan wel bepalen of een vondst past binnen de criteria. Een zo’n criterium is dat een vondst te maken moet hebben met menselijk handelen. Ruwe stenen uit de verschillende ijstijden zal het NAD niet aannemen, schilderijen ook niet. Romeinse potten wel, maar daarbij is de ene vondst wel boeiender dan de andere. Stoop: ‘Een Romeinse pot die ergens uit Friesland zou komen, geeft minder informatie dan eentje die is gevonden op een specifieke terp, naast de kerk in een waterput. Hoe specifieker en bijzonderder de vindplaats, hoe interessanter de vondst. Omdat het van alles zegt over de plek en de mensen die er leefden.’

Eeuwige rust

Bijzondere vondsten vinden doorgaans hun weg naar tentoonstellingen. Vuistbijlen en afslagen van vuursteen uit Peest bijvoorbeeld, afkomstig van een archeologische site die eerder dit jaar is onthuld als de grootste Neanderthaler-vindplaats van Noord-Nederland. Deze hebben een vaste plek gekregen in het Drents Museum. Ook kleinere musea, zoals Wierdenland in Ezinge en het Oermuseum in Diever, vullen hun vitrines met bruiklenen uit het depot. Stoop is daar blij mee: ‘Het is belangrijk dat mensen die bijzondere stukken kunnen zien.’ In Nuis is alleen bezoek op afspraak mogelijk. Goede hoop heeft Stoop voor een zogenoemde maskerkraal uit Alexandrië, met een afbeelding van een vrouw erop: ‘Die is gevonden in een Friese terp. We kunnen concluderen dat er uitgebreide handelsnetwerken bestonden en dat mensen dergelijke sieraden konden waarderen. Het zou mooi zijn als musea dit kraaltje weer “ontdekken”.’
Voor sommige objecten in het NAD dreigt eeuwige rust, maar dan nu bovengronds. ‘Zelfs bij archeologen heerst het idee dat het depot een soort stoffige loods is waarin dingen voor altijd zijn opgeborgen, maar dat is onterecht’, zegt Stoop. ‘De belangstelling van onderzoekers en musea gaat meestal wel uit naar voorwerpen die al wat langer geleden zijn opgegraven, die bijzonder zijn en het liefst in complete staat. We hebben van recente opgravingen zakken vol geglazuurd aardewerk uit de negentiende eeuw. Maar die heeft niemand nog opengemaakt.’

Voor de burger

Er zijn vakgenoten die de vraag wat een archeologisch object interessant maakt, op een brede manier proberen te beantwoorden. Jobbe Wijnen bijvoorbeeld, die eerst nog even het traditionele uitgangspunt in de archeologie in zijn eigen woorden samenvat: ‘Hoe ouder, hoe beter. Dat was heel lang het adagium. De steentijd, de bronstijd en de Romeinse tijd zijn in Nederland van oudsher groot. Daarna neemt het met sprongen af, zelfs de middeleeuwen konden nauwelijks op belangstelling rekenen. Pas de laatste jaren komt er meer oog voor de recentere tijdvakken.’ Zelf is Wijnen zelfstandig erfgoedadviseur en contemporain archeoloog, oftewel van de huidige tijd, ‘bij wijze van spreken tot vijf minuten geleden’.
In de onderwerpen waar Wijnen zich mee bezig wil houden, loopt hij tegen de grenzen van de definities aan. Hij zou bijvoorbeeld graag een opgraving doen in een protestkamp van activisten bij de voormalige kerncentrale Dodewaard. ‘“Is dit wel archeologie?”, krijg ik heel vaak te horen. Terwijl het juist interessant kan zijn om door die bril naar zo’n plek te kijken. Voor mij betekent archeologie: onderzoek doen in de leefomgeving naar sporen die je iets kunnen leren over wat daar gebeurd is en waarmee mensen zich kunnen verbinden. Dus zoals je een hunebed van duizenden jaren oud onderzoekt, kun je ook sporen van veertig jaar geleden nagaan om beter te begrijpen hoe mensen handelden.’
Wijnen pleit er daarom voor om archeologische projecten ook te starten vanuit wat búrgers interessant vinden, aansluitend bij hun geschiedenis en hun verhalen. ‘Als bewoners en historische verenigingen de negentiende eeuw interessant blijken te vinden, kunnen we dat als archeologen meenemen in ons onderzoek. Het is hún verleden, dus voor hen emotioneel belangrijk.’ Hij wijst op de ironie dat dergelijke vondsten, die van waarde kunnen zijn voor een bepaalde gemeenschap, in een centraal depot terechtkomen. Weliswaar volgens de regels, maar soms ook vér weg van diezelfde gemeenschap.

‘“Is dit wel archeologie?”
krijg ik heel vaak te horen’

Treklipjes

Om aan te tonen hoe interessant en relevant de bovenlaag van de bodem kan zijn – de laag die opgravers meestal wegscheppen – deed Wijnen onderzoek naar treklipjes van drankblikjes, een uitvinding uit de jaren zestig. ‘Op Facebook en Instagram deed ik crowdsourcing: ik vroeg mensen mij die dingen toe te sturen als ze die hadden bewaard. Er bleken wereldwijd meer dan honderd verschillende varianten voor te komen.’ Maar Wijnen deed nog een ontdekking: ‘Fabrikanten hebben het ontwerp op zeker moment aangepast, zodat het treklipje aan het blikje vast blijft zitten, vanwege milieuvervuiling. Maar je vindt ook die nieuwe lipjes alsnog overal, omdat mensen ze eraf friemelen. Dit soort ontwerpen blijkt dus niet de ideale oplossing voor milieuvervuiling te zijn. En wat archeologen doorgaans niet interessant vinden, blijkt wel degelijk informatie op te leveren en krijgt zo alsnog waarde.’ Dion Stoop kent de discussie over welke doelen de archeologie precies zou moeten dienen, maar als uitvoerder van een wettelijke taak laat de ambtenaar die discussie graag in het veld. De recentste periode waar het NAD zich op richt is de Tweede Wereldoorlog, al leidde een opgraving op de vuilstort van kamp Westerbork ook tot recentere bijvangst, vertelt Stoop: ‘Er zijn toen eveneens zaken bewaard uit de periode dat de locatie een woonoord was voor Molukkers. Vooral glasscherven, bierflesjes en tandpastatubes.’ Weggooien, zou bij dergelijke objecten doorgaans de reflex zijn. In de optiek die Wijnen schetst, kunnen dit soort vondsten juist van belang zijn. In dit geval voor de Molukse gemeenschap, voor haar verhalen en herinneringen.

Oneindig

Bij Wijnen thuis liggen vijfduizend treklipjes in een doos. ‘Elk in zijn eigen zakje.’ Hij schiet er zelf ook een beetje van in de lach en erkent dat de traditionele gedachtegang in de archeologie ook zíjn werkwijze stuurt. ‘Je bewaart al dat materiaal, omdat je er later nog vragen aan wilt kunnen stellen.’ Technieken verbeteren en er komen nieuwe bij. Dat merken ze ook bij het NAD, waar het onderzoek aan menselijk botmateriaal een vlucht heeft genomen. Uit botten valt tegenwoordig een hoop kennis af te leiden, schetst Stoop. ‘Ziektes die mensen hadden, levensstandaarden, hun dieet en levensstijl. We krijgen veel stagiairs van de universiteit over de vloer die zich hiermee bezighouden.’ Uit ethische overwegingen plaatst het NAD overigens alleen schematische weergaven van menselijke botresten op de doorzoekbare website.
Er is een tweede reden dat alle treklipjes het bewaren waard blijven, legt Wijnen uit. ‘Er bestaat een zekere sensitiviteit tegenover dat ene object: elk treklipje is een verhaal van iemand die op de uiteindelijke vindplaats uit een blikje heeft gedronken. Ik sprak een verzamelaar in Amerika die daar helemaal in opging, zich verplaatsend in die andere persoon met een blikje bier toen hijzelf nog niet eens geboren was. Vanuit wetenschappelijk of praktisch oogpunt is dit alles bewaren natuurlijk gekkenwerk.’

Wat Wijnen bedoelt: het bewaren van al die keramiekscherven en treklipjes leidt van lieverlee tot een opslagprobleem. Waar laat je alles? In 2027 komt er in Nuis een verbouwing aan de verouderde zalmkleurige loodsen met een laag energielabel, waar schimmel inmiddels de collectie dreigt aan te tasten. ‘De verbouwing geeft ons ook meer ruimte, in ieder geval tot 2050. Maar alles wat hier ligt, blijft voor onbepaalde tijd voor onderzoek beschikbaar’, zegt Stoop. ‘Dat houdt in dat er in theorie oneindig dingen bij zullen komen en dat het depot oneindig zal moeten groeien. Met een paar honderd dozen per jaar gaat het gelukkig niet om schrikbarende hoeveelheden.’ Stoop verwacht dat archeologen en beleidsmakers dit probleem zullen tackelen tegen de tijd dat het zich aandient. ‘En dan zal er vanzelf een discussie op gang komen, waarbij betrokkenen kritisch zullen bekijken op basis van welke criteria ze welke objecten bewaren.’

Bronmateriaal

Als we toch een sprong in de tijd wagen: wat zullen toekomstige archeologen van óns terugvinden en al dan niet willen bewaren? Wijnen: ‘Dat zullen dingen zijn die veel mensen dagelijks gebruiken en die het meest resistent zijn door de tijd heen. De restjes van de restjes. En daarmee zullen ze proberen onze hele samenleving te reconstrueren’, zo wijst hij nog even op het kerndilemma binnen de archeologie – je moet het doen met wat je vindt. De treklipjes doemen alweer op, en in het verlengde daarvan wellicht de dopjes van petflesjes. Sinds kort zijn deze dopjes aan de recyclebare flesjes bevestigd, zoals ook de lipjes aan de blikjes, als ledematen losjes aan een romp.
En dan nog onze digitale sporen: data op servers, digitale teksten en afbeeldingen. Bewaren we zoveel dat archeologen in de toekomst niks meer te doen hebben? Wijnen acht dit te optimistisch. ‘Denk alleen al aan de hobbels die we ervaren bij de overgang naar een nieuw digitaal systeem. Hoe je iets opslaat, bepaalt en beperkt helaas ook wat je er later nog uit kan halen om te onderzoeken. Fysiek bronmateriaal zal daarom belangrijk blijven.’
Wel stipt Wijnen, tevens evolutionair bioloog, een andere opmerkelijke slotsom aan: ‘Archeologie is ook een cultureel fenomeen. Het hoort bij uitstek bij de laatmoderniteit en de huidige tijd, vanuit de laatmoderne obsessie met verlies – van het landschap, van erfgoed, van de natuur – en met een ondergang van de samenleving. Wie weet gaat het vakgebied nog een paar eeuwen door, maar daarna zal deze manier van denken over het verleden mogelijk zélf verdwijnen.’