‘Als de bij van de aarde verdwijnt, heeft de mens nog maar vier jaar te leven.’ Een zorgwekkende uitspraak, toegeschreven Albert Einstein. Een groot denker, maar met zijn idee over bijen zat hij er toch naast. Een flink deel van onze dagelijkse kost, zoals tarwe, rijst en mais, heeft namelijk geen bijen nodig om zich voort te planten; de wind doet dat werk. En om het kaartenhuis helemaal te doen instorten: het citaat verscheen voor het eerst in 1965, in een Frans imkermagazine. Einstein overleed in 1955. Het lijkt er dus op dat de uitspraak van Franse imkers afkomstig is, die Einsteins geloofwaardigheid exploiteerden om hun bijen meer waarde te geven.
Nu trekken de imkers opnieuw aan de bel. Er ligt namelijk groot gevaar op de loer. De Aziatische hoornaar, een invasieve exoot die tot voor kort fors bestreden werd, rukt in razend tempo op in Nederland: in het afgelopen jaar is het aantal getelde nesten bijna vervijfvoudigd. Veel provincies hebben daarom de strijd opgegeven en laten de natuur, waaronder de bijen, vanaf nu aan hun lot over terwijl de hoornaar zich ongestoord verder vermenigvuldigt. Ook heeft de Varroa destructor zijn intrede gemaakt in ons land, een mijt die leeft van bijenbroed (larven en poppen in de raat) en bloed en dodelijke virussen overdraagt. Volgens een imker bij RTV Noord ‘vermeerdert de mijt zich snel en kan hij in een korte tijd een heel bijenvolk vernietigen.’
Volgens dezelfde bron zou ‘de afname van bijenvolken op lange termijn grote gevolgen hebben voor ons voedselsysteem, door de rol die ze spelen in de bestuiving van gewassen.’ Geen wonder dus, dat er alarm wordt geslagen. Hoewel het dan niet het eind van onze soort betekent, zit ook weer niemand te wachten op maaltjes van slechts tarwe, rijst en mais. Toch is de tijd van misinformatie rondom bijen nog niet voorbij en zullen we, om tot de waarheid te komen, dieper moeten inzoomen.
Het leven in de kast
Eén ding over honingbijen weten we zeker: het zijn de zoemende, geelzwarte scheppers van honing. De boterzachte substantie die het fundament van hun samenleving vormt, en waarvan het productieproces zo’n ongelooflijk nauwe samenwerking vereist, dat het de kolonie verlijmt tot één groot organisme. Onafhankelijk van elkaar kunnen de bijen niet voortleven, samen vormen ze één geheel. Het nest als lichaam, de onvruchtbare werksters als somatische cellen en de koningin als reproductieorgaan.
In het nest speelt zich een verborgen, surrealistische wereld af. Wanneer een larve zich ontpopt tot werksterbij, staat haar een dienstplichtig bestaan te wachten. De eerste dagen van haar leven boent ze de cellen van de raten, om ze klaar te maken voor nieuwe eitjes. Vervolgens vliegt ze honderden keren per dag af en aan met een mengsel van honing, bijenbrood en koninginnengelei, waarmee ze de larven voedt. Hierna kan de ondertussen volwassen werkster kiezen uit verschillende taken. Ze kan raten repareren, honing produceren, of de wacht houden bij de ingang, waar ze indringers verjaagt en terugkerende bijen controleert (bijen die besmet, van een ander volk, of onder invloed van gefermenteerde nectar zijn, worden geweigerd of aangevallen). Of ze kan een taak als uitsmijter in het nest op zich nemen. Darren, de mannetjesbijen die enkel nuttig zijn voor het bevruchten van de koningin, blijven soms na het paren nog rondhangen in het nest om zich tegoed te doen aan honing. Het is de taak van de uitsmijters om hen te omsingelen en uit het nest te duwen. Buiten sterven ze.
Als de werkster ouder wordt en haar vleugelspieren ontwikkeld zijn, vliegt ze voor het eerst uit. Ze zoemt tussen de bloemen, slurpt zich vol nectar en verzamelt stuifmeel. Terug bij het nest zijn de andere werksters maar al te benieuwd naar de bron van haar vondsten, en dus begint ze te dansen. Haar pluizige achterlijf schudt heen en weer terwijl ze achtjes loopt. Uit deze dans maken de andere bijen de exacte locatie van haar voedselbron op; een zeer complexe taal die bijen vloeiend spreken, mits ze hem hebben geleerd van andere bijen.
Ten slotte, als ze haar lichaam voelt verzwakken en besluit dat haar tijd geweest is, spreidt ze haar vleugels voor de laatste keer en verlaat ze het nest voorgoed.
Oosterse exoten
De varroamijt komt oorspronkelijk uit Azië, maar is door illegale bijenhandel per ongeluk in Europa beland. De Aziatische honingbij is gespecialiseerd in het ontdekken en verwijderen van deze parasiet, maar de Europese honingbij is dat niet. De mijt kan moeiteloos in het broed in de raten terechtkomen, waar die zich voortplant. Door het virus dat de ze meedragen, ontpoppen bijen vervolgens met verkreukte vleugels. Onbehandelde volken sterven dan binnen enkele jaren.
En dan nog de andere invasieve oosterse exoot. De Aziatische hoornaar onthoudt de locaties van bijennesten en wacht ze voor hun deur op. De werksters durven met zo’n roofdier in de buurt niet uit te vliegen, waardoor het volk na een tijdje verslapt van de honger. De wachtsters hebben geen kracht meer het nest tegen de hoornaar te verdedigen, waardoor deze kan binnentreden. Dan is het snel gedaan met het volk.
De gevolgen van deze nieuwkomers zijn al zichtbaar. De afgelopen drie jaar was de wintersterfte van de bijenvolken boven de twintig procent, terwijl tien procent geldt als acceptabel. Het dubbele is onnatuurlijk en alarmerend. Als dit indiceert dat onze voedselvoorziening onder druk staat, dan lijken de alarmbellen van de imkers dit keer volledig op z’n plaats.
De vergeten bijen
Toch is dit niet het hele verhaal. In Nederland leven zo’n 350 bijensoorten. De albekende honingproducent is hier één van, en valt onder de minst efficiënte bestuivers. Naast een dertigtal hommelsoorten zijn er nog honderden wilde bijen. Deze vergeten soorten leven solitair, meestal in kleine holtes in de grond en zijn aanzienlijk efficiëntere bestuivers. Honingbijen verzamelen stuifmeel door het te vermengen met speeksel en het als keurige balletjes aan hun achterpoten te plakken, maar wilde bijen en hommels dompelen zich volledig onder in het goudgele poeder, dat tijdens het vliegen van hun pluizige vacht afvalt. Als het op bloemen van andere planten terechtkomt, vindt kruisbestuiving plaats, wat zorgt voor meer en mooiere vruchten. Bij bijvoorbeeld appels bestuiven wilde bijen en hommels wel drie tot zes keer beter dan honingbijen.
En de bedreigingen? De varroamijt parasiteert uitsluitend op honingbijen, omdat deze het broed nodig heeft om zich voort te planten. Voor wilde bijen is deze parasiet totaal ongevaarlijk. De Aziatische hoornaar is een iets ander verhaal, omdat deze zich voedt met al dat vliegt en klein is. Toch is de honingbij bij uitstek zijn lievelingsmaal: een nest met duizenden bij elkaar is voor de hoornaar een vetpot. Hoewel een explosieve groei van hoornaars vast ook voor de wilde bijen een probleem vormt, is deze nu nog vooral een ramp voor de imkerij.
Ironisch genoeg kunnen de wilde bijen het wél moeilijk krijgen door honingbijen. Waar imkerkasten staan, zijn duizenden honingbijen aanwezig, die zich voeden met dezelfde bloemen als wilde bijen. Als er op die plekken geen royale hoeveelheid bloemen aanwezig is, verhongeren wilde bijen.
Aan de andere kant gebeurt dit niet op plekken waar voedsel in overvloed is. Dat brengt ons bij het echte probleem. Steden en landbouw zijn onze levensbronnen, maar vormen voor bijen een woestenij. Bloemen zijn er schaars, en wat er groeit is vaak bespoten. Door pesticiden takelen bijen langzaam af; ze raken gedesoriënteerd, verdwalen en uiteindelijk sterven ze. Van honingbijvolken die overwinterden op hun eigen (vervuilde) honing, stierf de helft, tegenover één vijfde bij volken die op suiker overwinterden.
Voor wilde bijen zorgen landbouw en verstedelijking voor een extra probleem: ze verliezen plekken om te nestelen. Landbouwgrond is te dicht en nat. Als het al lukt er een gang in te graven, verzuipen de eitjes er in de winter bij regenval.
Meer dan de helft van de Nederlandse bijensoorten staat op de rode lijst. De varroamijt, Aziatische hoornaar en de honingbij eisen allen hun tol, maar de echte boosdoener is het dorre, giftige landschap. Hoewel het probleem dus anders is dan het zich soms voordoet in het nieuws, is het zeker reëel.
Honingbijen krijgen veel aandacht door de waarde van hun product, maar over wilde bijen weten we nog maar weinig. Omdat kennis essentieel is om ze te beschermen, bestaat de Nationale Bijentelling. Van 16 tot en met 20 april roept Naturalis iedereen op om een halfuur buiten te zitten, in je tuin of in het park, en te tellen wat er zoemt tussen de bloemen, waggelt door het gras, of bedolven onder het stuifmeel opduikt uit een kelk. Onze waarnemingen zijn essentieel om ervoor te zorgen dat de wilde bijen niet onopgemerkt zullen verdwijnen.
