De zee pruttelt tegen. Een laatste aanval op de vermetele bedwinger. Niets helpt. De kranen zijn onverslaanbaar’, klinkt de stem van de verslaggever terwijl een grijper een lading keileem laat vallen in de laatste opening van de Afsluitdijk. De 32 kilometer lange strook die Friesland vanaf nu met Noord-Holland verbindt, vormt een grens tussen de Waddenzee en het zojuist verslagen waterlichaam aan de andere kant: de Zuiderzee. Het beest dat ons eeuwenlang had geteisterd door onze boten, mensen, huizen en kuststroken de diepte in te sleuren, was met de voltooiing van de Afsluitdijk eindelijk getemd. Nederland had zijn grootste vijand overmeesterd. De vreugde was groot.
We schreven geschiedenis. Die hardwerkende, vernuftige Nederlanders hadden van een wolf een schoothondje gemaakt, van een wilde zee een zoet plasje water. In 1932 beschermden we niet alleen het Zuiderzeevolk tegen onophoudelijke overstromingen, we maten onszelf ook een nieuwe identiteit aan: het volk dat altijd tegen het water streed, en dat nu eindelijk gewonnen had.
Maar het was niet een en al zege. De triomfkreten overstemden de zorgen van vissers en kustbewoners.
Levenszee
Eva Vriend, journalist en historicus, volgt in haar boek Eens ging de zee hier tekeer families uit Urk, Volendam, Spakenburg en Wieringen: gemeenschappen die hun zee zagen verdwijnen, en daarmee de manier waarop deze
al generatieslang leefden. ‘Kustgemeenschappen hebben een band met het water die bijna mythisch is’, zegt ze. Om te begrijpen wat de Afsluitdijk aanrichtte, moeten we begrijpen wat de Zuiderzee betekende voor de mensen die aan haar kusten woonden.
‘Het water leefde’, vertelt Eva. Er was geen moment dat in de kustplaatsen het klotsen van de golven tegen de havenmuren niet te horen was. De zee ademde getijdenverschillen, gaf het ritme aan door twee keer per dag een ander landschap te vertonen.
Ook in het ritme van de week sijpelde het zoute water door. ‘De kerk, het koor en voetbaltrainingen speelden zich allemaal op vrijdagavond of in het weekend af, want doordeweeks was een groot deel van het gezelschap op zee.’ Mannen voeren uit aan het begin van de week, en voor het weekend kwamen zij weer thuis, hopelijk met tonnen vol haring, ansjovis, spiering of baars.
Ook op sociaal vlak was de Zuiderzee bepalend. ‘Het leven in de kustplaatsen concentreerde zich om de haven heen waar de boten aanlegden. Dat is waar mensen elkaar troffen.’ De haven was het kloppend hart van de gemeenschap. Vrouwen met netten in hun schoot, mannen die de kieren van botters kalfaterden en kinderen die naar de zeilschepen op zee tuurden.
Innige band
Toch was de zee ook hun grootste vijand. Iedere familie kende wel een broer of oom die was uitgevaren zonder terug te keren, opgeslokt door het water. ‘De zee geeft en de zee neemt, en dat ervoeren de kustbewoners constant’, zegt Eva. ‘Gaf de zee, dan was er rijkdom. Maar als het stormde lag iedereen wakker, wetende dat de zoon of geliefde op zee was.’ Was de storm hard genoeg, dan waren niet alleen de schippers op zee de dupe. Soms kwam het water zo hoog dat de boten tegen de huizen sloegen en de vrouwen, kinderen en soms zelfs het vee naar zolder verkasten, en bij heftige stormvloeden bood zelfs de zolderkamer geen zekerheid meer. Tijdens de stormvloed van 1916 bijvoorbeeld reikte het Zuiderzeewater tot aan Amersfoort en spoelden tientallen huizen en mensen weg. ‘Men hield van de zee, maar de mensen waren er ook bang voor.’
Juist die haat-liefderelatie zorgde voor een enorm innige band, vertelt Eva. ‘Knipperlichtrelaties zijn de meest intense relaties.’ De Zuiderzee was aanwezig in alle krochten van het bestaan van de kust- gemeenschappen. Het zoute water zat in de kieren van hun huizen, voedde hun economie en bepaalde het ritme van de dagen.
Zoet en zout
De stormvloed van 1916 zette een plan in werking dat al sinds 1891 op de tekentafel lag. Ingenieur Cornelis Lely had zijn plan voor de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee al meerdere keren gepresenteerd, maar het kwam maar niet van de grond. Het was te duur, te ingrijpend en niet urgent genoeg. Totdat het water in één nacht tientallen dijken doorbrak en grote delen rondom de Zuiderzee onder water liepen. Nu was de urgentie er wél. Bovendien leden veel Nederlanders honger tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor de noodzaak ontstond van nieuwe grond voor landbouw.
Twee jaar later nam de Tweede Kamer de Zuiderzeewet aan. Een lange dijk zou de kustbewoners voorgoed gaan beschermen tegen de angstaanjagende zee. Daarbij zou door inpoldering nieuwe grond beschikbaar komen voor landbouw, waardoor Nederland nooit meer honger zou hoeven lijden. Zo begon in 1927 de bouw van de dijk. Op 28 mei 1932 werd het laatste gat gedicht. Vier maanden later, op 20 september, was de Zuiderzee officieel omgedoopt tot IJsselmeer.
Het nieuwe waterlichaam veranderde in rap tempo. De afsluiting van de Waddenzee en de aanstroom van rivierwater zorgden ervoor dat wat eeuwenlang brak was geweest nu zoet werd. Hiermee ging een uniek ecosysteem verloren. Doordat het zoutgehalte in brakwatergebieden geleidelijk varieert, ontstaat er een mozaïek van leefgebieden waar zoet-, brak- en zoutwaterdieren dicht bij elkaar kunnen bestaan en de biodiversiteit hoog is. Met de dijk verdween dit. In 1934 vonden onderzoekers de laatste, sterk vermagerde mosselen, kokkels, nonnetjes en strandgapers. Garnalen, krabben en vissen konden niet migreren en stierven ook uit. Hoewel er nieuwe soorten kwamen, zoals driehoeksmosselen en zoetwaterslakken, wogen die niet op tegen wat er verloren ging. Binnen twintig jaar was de biodiversiteit met ruim veertig procent afgenomen. Katja Philippart, directeur van de Waddenacademie, noemt de Afsluitdijk daarom ‘ecologisch gezien een ramp’. In 2027 opent bij Kornwerderzand de Vismigratierivier die de Waddenzee en het IJsselmeer met elkaar verbindt, zodat vissen weer kunnen passeren. Dit wordt een eerste poging om van de huidige harde grens tussen zoet en zout, bijna een eeuw later, weer een stippellijn te maken.


Stratenmakers
Wat bleef over van de kustbewoners nu een deel van hun identiteit was afgescheurd? Op 16 juli 1933 bond Doede Mulder uit Hindeloopen een riem met lood om zijn middel en liep het IJsselmeer in. Hij, zijn vier broers en zijn vader waren allen Zuiderzeevissers, maar de dijk betekende het einde van die identiteit. ‘Ze maken stratenmakers van ons’, zei hij. De stilte van het nieuwe water kon hij niet verdragen.
Met het verdwijnen van het zout, van eb en vloed en de ritmische golven tegen de kade, verdween een deel dat vergroeid was met de Zuiderzeebewoners. De Afsluitdijk trof de gemeenschappen aan de westkust, zoals Volendam, Spakenburg, Urk, Lemmer en Wieringen het hardst, doordat zij nog volledig afhankelijk waren van de visserij en er op het IJsselmeer een stuk minder gevist kon worden. ‘De afsluiting van de dijk en het tegenhouden van het zoute water plaatsten een rem op de ontwikkeling van de kustgemeenschappen. Het was een cesuur in hun familiegeschiedenis’, vertelt Eva. De golven, vissen en grillen van hun zee waren het enige wat ze kenden, en nu bevonden ze zich op onbekend terrein.
Veerkracht
De Zuiderzeesteunwet beloofde de gemeenschappen een tegemoetkoming, maar deze pakte teleurstellend uit. Terwijl het land in vreugde verkeerde door de voltooiing van de dijk, moesten vissers aantonen hoe zij door diezelfde dijk benadeeld waren. Met stapels papierwerk moesten ze bewijzen hoeveel inkomsten ze hadden verloren, zodat ze kans maakten op een paar gulden per week. ‘Er heerste veel kwaad bloed bij de vissersgemeenschappen.’ Het vangnet dat de overheid beloofde bleek een aalmoes, wat de vissers radeloos maakte.
Het wantrouwen jegens de overheid is vandaag de dag nog voelbaar. ‘De overheid ontnam ze hun visserij en zette daar niks tegenover.’ Omdat de buitenwereld hun de rug toekeerde, zochten ze steun bij elkaar. Dat verklaart de saamhorigheid die in de gemeenschappen nog steeds te vinden is. ‘Veel mensen doen bijvoorbeeld vrijwilligerswerk of zijn betrokken bij de mantelzorg. Het zijn hechte gemeenschappen.’ ‘Ze moesten zichzelf opnieuw gaan uitvinden, en dat zijn ze op verschillende manieren gaan doen’, vertelt Eva. Urkers trokken met nieuwe boten naar de Noordzee. Spakenburgers, dicht bij Het Gooi, gingen de handel in. De zelfstandige Volendammers reden in hun nieuwe busjes dagelijks naar de Randstad, waar met de wederopbouw na de oorlog veel mankracht nodig was. Daar werkten ze als stukadoor; zelfstandig en zonder personeel. ‘Een parallel tussen alle gemeenschappen is dat ze niet zo snel voor loondienst kiezen. Overal zie je nog die zelfstandigheid en trots die vissers hebben. Het Zuiderzeeverleden speelt nog heel erg voor de culturele identiteit van de kustbewoners.’ Samen met de hechtheid binnen de gemeenschappen heeft dit gezorgd voor een enorme veerkracht. De plekken hebben nu sterke lokale economieën, de huizen zijn er gewild, en jongeren die elders gaan studeren keren er massaal weer terug.
Vandaag de dag heeft bijna niemand die in de plaatsen rondom het IJsselmeer woont nog de Zuiderzee gekend, maar toch zijn de golven hier in de verte nog te horen. ‘Als mensen uit de voormalige Zuiderzeegemeenschappen thuiskomen na vakantie, dan lopen ze als eerste even naar de dijk, om bij het water te kijken’, zegt Eva. En elke avond rond een uur of zes staat er een file rond de Urkse haven. ‘Zij rijden dan een rondje, gewoon om even te ruiken, te voelen, contact te hebben. Even de hand geven aan het water.’ De band met wat ooit hun zee was, is nog altijd sterk aanwezig.
