Het is geen wedstrijdje, maar toch: op het militair oefenterrein bij het Lauwersmeer komen meer veldleeuweriken voor dan in de aangrenzende gebieden van Staatsbosbeheer. Ook raven verkiezen het oefenterrein als leefgebied. Boswachter Jaap Kloosterhuis, die met zijn collega’s van Staatsbosbeheer de vogeltellingen op het terrein verzorgt, baalt daar helemaal niet van. Hij vindt dat de gebieden elkaar juist mooi aanvullen. ‘Het oefenterrein heeft een ander primair doel: militaire oefeningen. Toch zien we dat zo’n terrein dus een behoorlijke natuurwaarde kan hebben.’
Het Lauwersmeergebied is er mede dankzij Defensie, benadrukt Kloosterhuis wanneer hij het ontstaan ervan schetst. Na de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 kwam er bebouwing, recreatie, landbouw, maar ook Defensie werd bediend: een oefenterrein, of twee, daarover bestond nog jarenlang onzekerheid. In afwachting van een definitieve beslissing bleven voormalige zandplaten achter dat tweede gebied, aan de zuidkant van het Lauwersmeer, onaangeroerd. Maar de natuur wacht niet. Nu vormen de Zoutkamperplaat, Blikplaat en Sennerplaat een belangrijke kern van het huidige natuurgebied, aldus Kloosterhuis.
In 2003 werd het Lauwersmeer een Nationaal Park. Defensie kreeg uiteindelijk een aaneengesloten oefenterrein, de Marnewaard, ten oosten van het Lauwersmeer. In het Nationaal Park, grotendeels beheerd door Staatsbosbeheer, waren geleidelijk vijf biotopen ontstaan: diep water, ondiep water met slikrandjes, ruigten, riet en bossen. Elk leefgebied trekt zijn eigen vogels aan, van eendensoorten en steltlopers tot roerdomp, blauwborst, wielewaal en nachtegaal.
Meteen ontstaat de ‘verantwoording’ om zo’n gebied te blijven beschermen, stelt Kloosterhuis: voor al deze soorten is ongerepte natuur onmisbaar. ‘Ze hebben geen alternatieven.’
Bosgroene bril
Omgekeerd geldt: Defensie heeft natuur nodig om te kunnen oefenen. Dat stelt Marchje Zijlstra, terreinbeheerder in de Marnewaard. ‘De gemiddelde militair kan bovendien net zo goed van natuur genieten als ieder ander. Mijn taak is ook: laten zien hoe mooi de natuur hier is en dat vogels hier willen leven.’ De velduil heeft zich in de Marnewaard gevestigd en oeverzwaluwen bouwen hun nesten in een kale, steile wand. Tijdens het broedseizoen betreden de militairen dat gedeelte van het oefenterrein niet. Ook Staatsbosbeheer beschikt over een oeverzwaluwwand, maar die is omsloten geraakt door bos. Het legt meteen verschillen in beheerkeuzes bloot. Kloosterhuis: ‘Wij gaan de verbossing op die plek niet tegen. Dat is het dilemma van natuurbeheer: een ingreep ten gunste van de ene soort kan nadelig zijn voor de andere soort.’ Op een oefenterrein kun je praktischer te werk gaan, denkt hij. De Marnewaard is geen Vogelrichtlijn- en Natura 2000-gebied, het Nationaal Park Lauwersmeer wel. Het oefenterrein heeft geen zogenoemde doelsoorten om rekening mee te houden. Maar, zegt Zijlstra: ‘We hebben wel een zorgplicht en proberen waar mogelijk de natuur te versterken.’
‘Uitgerekend de schietbaan noemt Marchje Zijlstra de “botanische parel” van de Marnewaard’
De Marnewaard bestaat uit ruigten, bossen en wateren zoals oude geulen. Kloosterhuis kent het terrein goed: ‘Het lijkt deels op onze ruigten, maar het is meer open en kort gehouden. Er zijn ook scherpere grenzen tussen bos en open terrein.’ Het bos dient bijvoorbeeld om het terrein minder overzichtelijk te maken. ‘Anders zie je de vijand al van verre aankomen. Dan is de lol eraf.’ Met het snoeien van de ondergroei blijft het bos begaanbaar.
Zijlstra is sinds anderhalf jaar in dienst bij het Rijksvastgoedbedrijf na een studie bos- en natuurbeheer. Ze werkt samen met een landelijk team en geeft advies aan de terreinopzichter van Defensie. Een dag per week werkt ze doorgaans op de Willem Lodewijk van Nassaukazerne. ‘De terreinopzichter van Defensie en ik hebben allebei een groene bril op,’ zegt ze, ‘maar die van hem is gecamoufleerd en die van mij is bosgroen.’ De terreinopzichter brieft de oefenende eenheden, zo belanden haar adviezen ook bij de militairen. Met haar ‘rijdend kantoor’, een terreinwagen, is Zijlstra zelf ook vaak in het oefengebied te vinden.
Harde knallen
De oefeningen van Defensie vinden soms plaats buiten het eigen terrein. Dan marcheert er bijvoorbeeld infanterie door het Nationaal Park of er komen mariniers vanaf het Lauwersmeer aan land. ‘Doorgaans gaat dat in uitstekend overleg,’ zegt boswachter Kloosterhuis, ‘als bij goede buren. Vijf a tien keer per jaar krijgen we zo’n verzoek en daar werken we in principe aan mee. Alleen redeneren wij daarbij in het belang van de natuur. Amfibische oefeningen kunnen alleen worden gehouden buiten het broedseizoen en onder bepaalde voorwaarden, zoals afstand houden tot rietoevers en afstemming vooraf met eventuele pachters. Daar houdt Defensie zich over het algemeen netjes aan.’
‘Op het schieten reageren vogels en andere dieren niet heel erg. Na het eerste schrikeffect treedt er gewenning op’
De nieuwe uitbreidingen van Defensie treffen ook de Marnewaard. Er komen meer oefeningen met helikopters, meer amfibische landingen en de trainingen op de schietbaan veranderen. Daar introduceert Defensie ‘dynamisch schieten’, waarbij niet alleen vanuit stilstaande, maar ook vanuit rijdende voertuigen op bewegende doelen wordt geschoten. Kloosterhuis toont begrip: ‘Dat maakt zo’n oefening realistischer. Maar het onveilige gebied zal daardoor ook groter worden.’ Dat laatste kan vooral tot een vaarverbod op de Waddenzee leiden, verwacht Kloosterhuis, en niet zozeer tot schadelijke gevolgen voor de natuur. ‘Op het schieten reageren vogels en andere dieren niet heel erg, al komen er dan harde knallen uit die kanonnen, veel harder dan de oefenmunitie uit geweren en mitrailleurs. Na het eerste schrikeffect treedt er gewenning op.’ Zelf kent hij de knallen ook, die vooral hoorbaar zijn wanneer hij achter zijn bureau zit, niet ver van de schietbaan. Volgens Kloosterhuis is het effect bij lange na niet te vergelijken met nieuwjaarsnacht, wanneer in het hele land vuurwerk de lucht in gaat: ‘Dan slaan de luchtvaartradars rood uit, van grote wolken vogels.’



Uitgerekend de schietbaan noemt Marchje Zijlstra de ‘botanische parel’ van de Marnewaard. In het onbetreden gebied groeit de zeldzame groenknolorchis, een pioniersoort op deze ooit drooggelegde bodem. Zijlstra: ‘Deze orchidee profiteert van het open landschap bij de schietbaan. Voor de brandveiligheid maaien we daar, maar dat doen we pas in het najaar, als de orchidee zijn zaad al heeft afgezet. Zo gaan we gefaseerd te werk en laten we de orchidee floreren.’
Gevaar, wegwezen
Meer verstoring verwacht Kloosterhuis van intensievere helikopteroefeningen. De NH90, de Chinook, de Apache, hij signaleert deze modellen geregeld. ‘Als ze laag overkomen en zwenken, wekt dat een schrikreactie bij vogels op. Apaches hoveren veel. Daarbij blijven ze op dezelfde plek in de lucht hangen. Als ze dat hoog doen of hoger overvliegen, reageren vogels veel minder of niet.’
Er is een gentleman’s agreement met Defensie, vertelt Kloosterhuis, dat helikopters het Nationaal Park mijden en via een corridor boven landbouwgebied terugkeren naar het oefenterrein. ‘Toch gaat het weleens mis. Een paar jaar geleden hing er een Apache boven het nest van een zeearend. Dat was vanuit Defensie ook niet de bedoeling en gelukkig is het goed afgelopen.’ Hoogstens eens per jaar houdt Defensie een oefening met parachutisten. Kloosterhuis: ‘Van zo’n Hercules-transportvliegtuig gaan alle vogels in open gebied op de vleugels, van klein tot groot. Dan is er blinde paniek over een strook van kilometers lang.’ Hij vergelijkt het met de reactie op een overvliegende roofvogel: gevaar, wegwezen. ‘Maar een roofvogel treft een veel kleiner gebied.’
Over de oefeningen in de lucht staat Staatsbosbeheer ‘voortdurend’ in contact met Defensie, aldus Kloosterhuis. ‘Ook dit gaat over het algemeen goed, maar we zouden de afspraken graag iets meer geformaliseerd zien.’ Hij legt graag uit wat de verstoring van vogels eigenlijk zo zorgelijk maakt: ‘Je zou denken: vogels hebben vleugels, dus ze zijn erop gebouwd om een stukje te vliegen. Maar dat ze zich genoodzaakt zien te vluchten, betekent dat ze niet verder kunnen met waar ze mee bezig waren: rusten of voedsel zoeken. Er zal geen vogel acuut van neervallen, maar het maakt hun overlevingsstrijd een beetje minder efficient. En daarmee hun overlevingskans net iets kleiner. Zeker als het een optelsom wordt van vele kleine verstorinkjes.’


F-35
Ook terreinbeheerder Marchje Zijlstra kent bij tijd en wijle haar beslommeringen in het gebied. Sommige daarvan zijn curieus: ‘In onoplettendheid of in de nacht is er weleens ergens geparkeerd waar dat niet had gehoeven.’ Zijlstra verdiept zich vervolgens in de wensen bij de manschappen: ‘Kennelijk is er behoefte aan een parkeerterrein in het bos, dus laten we kijken waar we dat kunnen inrichten. Die behoeftes zijn leidend voor het beheer.’ Drones – misschien wel het meest actuele wapentuig – raken soms verstrikt in bomen. Een simpele aanpak is de boom omzagen. Zijlstra: ‘Je moet als terreinbeheerder zorgen dat je in zo’n situatie altijd gebeld wordt, dat ze je bij een calamiteit betrekken. En dan is het aan mij om ervoor te zorgen dat ze niet voor de makkelijkste oplossing kiezen. Ik toon begrip, maar ik maak ook duidelijk: dit is niet de weg.’
Bij fauna merkt ook Zijlstra gewenning aan sommige militaire oefeningen. ‘Reeën schrikken niet meer van rondrijdende voertuigen; in de bronsttijd rennen ze gewoon door oefeningen heen. Soms komen dieren weer tevoorschijn aan het eind van de middag, wanneer de militairen rusten.’ Op personen zijn dieren alerter dan op voertuigen, constateert ze. ‘Een recreant met hond kan een grotere verstoring veroorzaken.’
Boswachter Kloosterhuis ziet iets soortgelijks: een menselijk silhouet geeft vaak meer onrust dan een auto met turende vogelaars erin. Sowieso is ‘rust’ in de natuur voor mensen een subjectief begrip, merkt hij. ‘Je kunt, terwijl je oneindige rust ervaart, dertigduizend vogels verstoren zonder dat je het doorhebt. Of neem die voor vogels zo ingrijpende parachute-oefeningen: dat vinden mensen juist hartstikke mooi om te zien.’ Het tegenovergestelde geldt volgens Kloosterhuis ook: iets waar mensen zich aan ergeren, hoeft geen hinder te geven voor de natuur. ‘Mensen storen zich bijvoorbeeld aan het lawaai van een F-16, maar daarvan heb ik nauwelijks schrikreacties bij vogels gezien.’ De herrie van een F-35, de nieuwste straaljager, is weer een ander verhaal, nuanceert hij. ‘Als die steil optrekt met de naverbrander aan, dan rammelen je ribben in je borstkas. Daarvan heb ik wel schrikreacties gezien bij groepen ganzen.’
Dark Sky Park
De Marnewaard, waar recreanten normaliter welkom zijn, is nu vaker in zijn geheel afgesloten vanwege oefeningen. Dit merkt Kloosterhuis doordat ruiters uitwijken naar het Nationaal Park. ‘Maar ons terrein is helaas niet goed bestand tegen paardenhoeven.’
Ten zuiden van het Lauwersmeergebied, in de Kollumerwaard, is een verlaten fabrieksterrein aangewezen als munitiedepot. Terwijl Kloosterhuis ‘faliekant tegen’ een springterrein zou zijn – een oefengebied voor zware explosieven, waar eerder plannen voor waren – vindt hij de opslag van circa 480 zeecontainers vol munitie geen ongunstig scenario. ‘Zo’n munitiedepot creëert een rustige overgangszone tussen natuur en omgeving. Er zullen wel transportbewegingen plaatsvinden, dat is milieubelastend. Aandachtspunt is ook de verlichting: het Lauwersmeergebied is een Dark Sky Park. Maar met uitstralingsarme verlichting is lichtvervuiling te voorkomen.’
Het blijft zaak om als goede buren het gesprek te voeren, vindt Kloosterhuis. ‘De hele omgeving afschermen als natuurgebied is geen optie, zo werkt het niet. Dit is de realiteit en daarin moeten we een tussenweg zien te vinden.’ In de Marnewaard creëert terreinbeheerder Zijlstra haar eigen ‘samenspel’ met de militairen, maar ook met Staatsbosbeheer. ‘Bij mooie veldjes waar niet geoefend wordt omdat het er te nat is, bekijk ik samen met een boswachter hoe zij dit soort plekken beheren.’ De natuur houdt niet op bij de grens van het oefenterrein, constateert ook Zijlstra. ‘De zeearend broedt hiernaast in het Nationaal Park, maar komt evengoed bij ons foerageren.’
