De mooiste bloem van Drenthe, de roggelelie, is slachtoffer van het veranderende landschap. De oranje pracht leek zelfs uitgestorven. Tot ze recent op twee plaatsen spontaan haar kopje liet zien.

De roggelelie is zo zeldzaam dat er groot enthousiasme ontstaat als iemand in de natuur een bloeiende plant vindt. In juni 2010 overkwam dat boswachter Jeroen Kuipers. In het dal van de Ruiten Aa kleurden enkele roggelelies de rand van een akker. Een toevalstreffer, vooral te danken aan het feit dat de akker in het jaar ervoor alleen met de eg was bewerkt en daarna een halfjaar braak had gelegen. De broedbolletjes hadden een kans gekregen om een verrassing te tonen.

In 2017 was het voor de tweede keer raak: boswachter Harry Offringa van Staatsbosbeheer vond bij Oudemolen een viertal roggelelies. De bollen zijn – als waren het klompjes goud – voorzichtig gedolven. Daarna zijn ze weer in de grond teruggestopt – daar waar ze horen. Offinga koestert ze als waren het zijn kinderen. Hij wil ze weer zien opkomen om als vanouds met hun oranje lelies de akkers te sieren. ‘We hopen zo dat dit aantal in de komende jaren zal groeien.’ De akker van een halve hectare groot waar hij ze vond, moet een gunstige plek zijn. Nu is ook de grond daar gewoeld en het gewas gemaaid en afgevoerd. Want in armere bodem heeft de roggelelie meer kans.

Zo mooi als de vermaarde botanicus professor Herman van Hall het in 1853 waarnam, zal niemand het nog in het Drentse landschap zien. ‘Ik zag op 12 Julij in overgroote menigte bloeijend op de es te Zuidlaren, vooral tusschen de winterrogge, maar voor een gedeelte ook tusschen de zomerrogge. De hoeveelheid daarvan was zoo aanzienlijk, dat een deel dier roggevelden op eenen afstand er geheel oranje-rood uitzag‘.

Nu is de roggelelie, of Lilium bulbiferum ssp croceum, in het Drentse land amper nog te vinden. ‘Uitgestorven’, zegt kenner Fred Bos uit Winterswijk. Hij heeft de sporen naar het verleden gevolgd en constateert dat er in het heden weinig toekomst ligt voor de enige inheemse leliesoort van Nederland.

‘Van een ontsnapte cultuurplant is geen sprake’, zegt Bos stellig. Wel degelijk valt de oranje lelie al eeuwen in Nederland te vinden. De bibliotheek van het Teylers Museum in Haarlem getuigt van vroege beschrijvingen. Onze voorouders gebruiken de soort als geneeskrachtig kruid. Stadhouder Willem III van Oranje Nassau ziet hem op een door Jan Vermeer en Jan Davidsz. de Heem gemaakt schilderij. Hij vindt de oranje bloem een mooi symbool voor zijn geslacht.

Inmiddels is de roggelelie ook een icoon voor het verdwenen landschap en staat ze tegelijk symbool voor de strijd tegen de oprukkende armoede in onze plantenrijkdom.

Schrale essen

Op de schrale essen van vroeger in Drenthe vormde de oranje lelie een bekroning. De gronden waren te arm om er op volwaardige wijze landbouwgewassen te telen. Rogge gedijde nog het best op de landerijen van de zandboeren. Op de eeuwigdurende roggeakkers kleurden de lelies, tot zo lang de grond arm bleef.

De oogst van de bollen was een extraatje. In jute zakken gingen ze als handelswaar naar de Bollenstreek, bestemd voor export. Tot 1950 stonden de bollen van deze leliesoort in de handelscatalogi aangeboden. Drentse lelies gingen de wereld over.

Toch bleven ze voor de meeste boeren een mooi, maar vervelend kruid. Bemesting van de akkers bleek de beste bestrijding te zijn. Die maakte de grond rijker, zodat die niet meer louter geschikt was voor roggeteelt. De wisselbouw met andere gewassen als aardappelen diende de roggelelie de genadeklap toe.

Het is óók aan de Drentse boeren te danken dat oranje lelies nog lang te zien bleven. Vanwege de bloemenpracht die zich na de langste dag van het jaar openbaarde, verhuisden zij die van de akkers naar hun verder sobere boerentuinen, om ermee te pronken. Natuur van de akkers kwam naar de tuinen, gratis en voor niets.

Feuerlilien

Veel bekender is de lelie in het Alpengebied. Of in Duitsland, in het bijzonder bij het gehucht Govelin. Dat ligt in de deelstaat Nedersaksen, vlak bij Hitzenacker, de geboorteplaats van prins Claus van Amsberg. Roggeakkers van boer Harry Bergman kleuren in de zomer oranje. Bos kan jubelen over de oranje lelievelden van Govelin. ‘Zoals Van Hall die destijds in Zuidlaren had gezien. Ik had mijn kin op het derde knoopsgat. Je ziet het verdwenen Drentse landschap terug, met een grote rijkdom aan akkerkruiden als korenbloemen en dwergbloemen.´ Subsidies hebben van een deel van de tachtig hectare akkerland een natuurreservaat gemaakt. De omstandigheden voor de Feuerlilien zijn er ideaal. Niemand bemest het land, vanwege de kleine opbrengst oogst zelfs niemand de rogge. De wilde zwijnen en ander wild smullen en wroeten de grond overhoop.

Govelin is een landschappelijk monument. Het landschap met houtwallen en bos vormt een oase. Natuur en cultuur harmoniëren. De akkers met rogge en haver lokken een groot scala aan planten en dieren. ‘Het is er prachtig. Volkomen uniek’, oordeelt Bos. Hij geniet er keer op keer van het gezang van ortolanen en veldleeuweriken.

Mislukt experiment

Het zou zo mooi zijn een klein deel van dit landschap terug te halen naar Drenthe, vindt boswachter Harry Offringa. In 2010 heeft hij het geprobeerd met driehonderd door Wageningen Research geschonken bollen. Bij Eext stond de roggelelie op anderhalve, bij Oudemolen op een halve hectare. Het draaide op een mislukking uit. Uit slechts een paar bollen kwamen bloemen, en daar waren – om de teleurstelling nog groter te maken – ook nog witte mutanten bij.

‘Waar het precies aan lag, weten we niet’, zegt Offringa. ‘Misschien werken we wel te netjes.’ Duidelijk is dat de roggelelie een zinnige plant is die van schrale grond houdt, maar meer factoren spelen een rol. ‘Veel bollen waren ook uit de grond verdwenen. Opgevreten? Verrot? Meegenomen? Sommigen zeiden dat het aan de kwaliteit van de bollen lag, dat ze doodgewoon niet wilden groeien. De roggelelie is een groot mysterie.’

Het experiment krijgt toch een vervolg. Want de vondst van enkele roggelelies in 2017 bij Oudemolen heeft de zaak weer in beweging gezet. De lessen van Eext konden worden benut. Op een klein perceel schrale grond is deze herfst de grond omgewoeld en zijn de vier gevonden bollen van de roggelelie opnieuw geplant. Offringa is benieuwd naar het resultaat. Hij hoopt op de bloei van meer soorten akkerbloemen en dat er dan eentje mag schitteren. ‘We zijn pas echt geslaagd als het Drentse landschap weer bloemrijke akkers heeft.’

Hulp van kwekers

Het is niet alleen een zaak voor natuurbeheerders, ook professionele lelietelers dragen met hun kennis en ervaring bij. De zaaddoos van een van de oranje lelies van Oudemolen is als een juweel voor secretaris Dirk Osinga van de Bollengroep Noord- en Oost-Nederland van de Koninklijke Algemeene Vereniging voor Bloembollencultuur. ‘We hebben een netje om de bloem gespannen. Om te voorkomen dat-ie verloren zou gaan.’

Met het zaad probeert Osinga thuis in Dokkum te vermeerderen. Ook hij heeft zich opgeworpen de roggelelie te redden. Hij kweekt nieuwe bollen om die daarna te kunnen planten. ‘Het doel is om de roggelelie weer terug te krijgen in de natuur’, zegt Osinga. ‘Met professionele technieken kun je daarbij helpen.’

Het is een bijzondere samenwerking, erkennen Osinga en Offringa. Bollenkwekers en natuurminnaars leven immers op gespannen voet, omdat de lelieteelt een fors gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen kent.  ‘Gif past niet in ons denken’, zegt Offringa. Het kan anders, vindt Osinga: ‘Grijp terug op de rijkdom die wij hadden.’

‘Geen van allen heeft de wijsheid in pacht’, weet Osinga. ‘De roggelelie is voor ons allemaal een blanco vel. Met elkaar kunnen we wel zoeken hoe we deze bijzondere plant in ons cultuurlandschap een nieuw plekje kunnen geven.’ Het is in zijn ogen een samenhang van mooie boerentuinen, bloemrijke weilanden en kruidenrijke akkers.

Aan de horizon heeft hij al een stip gezet. Op de Floriade van 2022 in Almere moet ook de roggelelie schitteren. Niet als gecultiveerd bolgewas tussen alle varianten van tulpen en andere lelies, maar als symbool van een rijk Nederlands landschap. ‘De Floriade is een buitenkans. We moeten doelen stellen en proberen iets in gang te zetten. Dat is belangrijk voor de roggelelie en voor ons landschap.’

 

Dit artikel staat in NB#1 2018