Een jongen van het wad

Nina van den Broek schreef ‘Boerderijen in De Marne’. Voor Noorderbreedte portretteert ze de bewoners. In de vierde aflevering Abel Dijkstra uit Wierhuizen. Harry Cock maakte de foto.

TEKST
Nina van den Broek

BEELD
Harry Cock

De tomtom verdwaalt hopeloos onderweg naar het adres van Abel Dijkstra (1937). De Oude Zeedijk 2 is te bereiken over een onverhard pad dat na twee kilometer door een eeuwenoude dijk breekt, zich dan verliest in de weidsheid van de polder om ten slotte tegen een tweede dijk dood te lopen. Ergens op die vlakte probeert het huis zich schuil te houden tussen de bomen. Verstopt in de klimop maakt het zich zo klein en onzichtbaar mogelijk – alsof de schrik van 1717 er nog goed inzit. De Kerstvloed in dat jaar was een van de rampzaligste stormvloeden die de provincie Groningen heeft getroffen. Na een dagenlange zuidwesterstorm draaide de wind in de Kerstnacht met orkaankracht naar het noordwesten. Het water reikte tot in de stad Groningen. Veel dorpen die dicht bij zee lagen werden volledig verwoest. Ook het nabije dorpje Wierhuizen werd zwaar getroffen: veertig mensen kwamen om, de kerk en zeventien huizen werden verwoest en 238 stuks vee verdronken.

Je kunt je in de stilte van nu nauwelijks nog een voorstelling maken van de paniek die er toen geheerst moet hebben.

‘Níet over de vaargeul!’ Dat waren de gebiedende woorden van Abels ouders als hij met zijn broers ‘bie diek’ ging spelen. Zijn verhalen over zijn jeugd zijn doorspekt met woorden van het wad. De dijk en de kwelder waren hun speelterrein. Achter de rijsdammen was het ongeveer een halve kilometer lopen naar de prielen. Daar gingen ze met de arbeiders botvissen. Met stokken prikten ze in het zand, waar de bot – een soort platvis – te rusten lag. Opgeschrikt stoven de vissen alle kanten op en werden zo een net ingedreven dat over de hele breedte van de priel gespannen was. Abel was toen een jaar of tien. Dat hij en zijn broer  Hijlke later uitgroeiden tot de pioniers van het wadlopen – al in de jaren vijftig maakten ze ijstochten naar Schiermonnikoog en Hijlke richtte later het Wadloopcentrum Pieterburen op – is haast vanzelfsprekend.

Op één van die tochten ontmoette hij in 1965 zijn vrouw, Gré.

We zitten aan zijn keukentafel en met een korte hoofdknik stuurt hij mijn blik naar de muur waar foto’s hangen van Rottumerplaat en Rottumeroog. Daar was Gré kokkin voor de medewerkers van Rijkswaterstaat. En ze kookte er voor Jan Wolkers, die in 1991 voor een aantal dagen terugkwam op de zandplaat, waar hij in 1971 een week in z’n eentje had doorgebracht. ‘Je kookt net als mijn moeder’, had hij haar gezegd. Na het eten hielp hij Gré met de afwas terwijl ze samen psalmen zongen.

Hij moet nog een boekje hebben van de schrijver, waarin Wolkers voor zijn vrouw een tekening maakte. Maar wáár die ligt, God mag het weten. Maar God weet het niet en zijn vrouw ook niet. ‘Ze is alles kwijt.’ Geen enkel verhaal roept nog een herinnering bij haar op. Drie keer per week bezoekt hij haar: op dinsdag-, donderdag- en zaterdagmiddag. En ach, er wordt ook wel eens gelachen daar. Tegen de vrouw die dag in dag uit roept: ‘Wie neemt me mee naar huis?’, had hij laatst gezegd: ‘Dat had je dertig jaar geleden aan me moeten vragen.’

Abel heeft zijn huis te koop gezet. Waarschijnlijk woont hij over niet al te lange tijd in ‘dörp’. Welk dorp maakt hem dan niet zoveel uit.

Ergens is hij blij dat een van zijn twee oude hondjes er vóór die tijd al tussenuit geknepen is. ’s Ochtends zette hij de voordeur voor hem open en Abel heeft hem nooit weer teruggezien. Weggekropen om te sterven, vermoedt hij.

Hondje weg, Gré weg. Na bijna tachtig jaar wordt het voor Abel tijd het wad te verlaten.

Dit artikel staat in NB#4 2017