In het donker fietst Petra Brouwer (69) niet altijd de snelste route naar haar huis aan het Reitdiep. Overdag rijdt ze graag langs het water voor het uitzicht en de rust, maar in de avond zijn het diezelfde elementen die haar doen omfietsen. Geen huizen om langs te rijden, geen verlichte ramen, geen mensen, geen verkeer dat haar kan zien als er wat gebeurt.
Veel vrouwen bouwen in de loop der jaren een mentale kaart op van plekken die ze in de openbare ruimte liever mijden. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat bijna de helft van de vrouwen tussen de 15 en 25 jaar bewust andere routes kiest, vaak omdat ze zich anders onveilig voelen. Het gaat daarbij om het vermijden van tunnels, parken, fietspaden of routes langs het water: plekken met weinig zicht, weinig sociale controle en beperkte uitwijkmogelijkheden.
Het is een van de redenen dat Brouwer zich aansloot bij de Dolle Mina’s, een feministische actiegroep die al sinds de jaren zeventig vecht voor vrouwenrechten. ‘Dertig jaar geleden, toen ik op stap ging, fietsten vrouwen al met sleutels in hun hand naar huis’, zegt ze. ‘Dat dit nu nog steeds zo is – en met de komst van sociale media voor mijn gevoel ook nog erger is geworden – vind ik verschrikkelijk.’



Enkele beelden van Marleen Annema maakten deel uit van de fototentoonstelling Rauw Vermogen van onze partner Noorderlicht.
Plek aan tafel
In de groepsapp van ‘de Dollies’ – met 350 vrouwen – stelde ze een eenvoudige vraag: welke plekken in de stad Groningen mijden jullie of voelen alsof ze niet voor jullie zijn gemaakt? Binnen enkele minuten kreeg ze talloze reacties. Sommige vrouwen hadden de plekken in kwestie zelfs in Google Maps op kaartjes ingetekend: denk aan de nieuwe ondergrondse fietsenkelders, de Peperstraat in het uitgaansgebied, maar ook de lange uitgestrekte fietsroute naar Meerstad. Veel van de genoemde plekken zijn al lang onderdeel van de stad en kennen een inrichting die in de loop der jaren nauwelijks is veranderd. Bij het ontwerp van steden lag de nadruk lange tijd op bereikbaarheid en doorstroming. Aspecten als openbare verlichting, ruimtelijk overzicht en sociale veiligheid kregen pas later meer aandacht, vaak in reactie op criminaliteit. De ervaring van vrouwen bleef daarbij onderbelicht.
Die ontwerppraktijk is volgens de Dolle Mina’s ook vandaag de dag nog gangbaar. Dat blijkt uit de manier waarop Groningen zich ontwikkelt als fietsstad. In de plannen voor snelfietsroutes, ondergrondse fietsenkelders en autoluwe zones wordt de stad vooral benaderd als infrastructuur die moet functioneren en doorstromen. ‘In de nieuwe fietsplannen gaat het vooral over snelheid en efficiëntie’, zegt Brouwer. ‘Er wordt nauwelijks gekeken naar wie die routes gebruiken en welke afwegingen zij onderweg maken.’
‘Een plek waar meiden willen blijven, is vaak een plek waar meerdere groepen zich thuis voelen’
De openbare ruimte wordt vaak ontworpen voor een gebruiker die als ‘neutraal’ geldt: iemand die zich vrij beweegt, weinig risico inschat en ruimte vooral functioneel gebruikt. In de praktijk komt dat beeld vaker overeen met mannelijke ervaringen dan met vrouwelijke. ‘Bij het ontwerp van de ondergrondse fietsenkelders ging het bijvoorbeeld nauwelijks over vrouwen’, zegt Brouwer. ‘Terwijl vrouwen zo’n afgesloten ruimte heel anders ervaren dan mannen.’
Volgens de Dolle Mina’s ontstaat een vrouwvriendelijke openbare ruimte bij het juiste antwoord op een simpele, maar fundamentele vraag: wie zit er aan tafel wanneer een plek wordt ontworpen? Niet aan het eind van het proces, wanneer de plannen al vastliggen, maar aan het begin: op het moment dat wordt besloten waar een entree komt, hoe zichtlijnen lopen en waar blinde hoeken ontstaan. ‘Je kunt geen ruimte ontwerpen voor vrouwen als er niemand aan tafel zit die de vrouwelijke ervaring meebrengt’, zegt Brouwer. ‘Dan mis je informatie die cruciaal is voor hoe zo’n plek uiteindelijk gebruikt gaat worden.’



Creatief denken
Buiten Nederland is er al veel meer aandacht voor gendersensitieve stadsplanning. In steden als Wenen en Barcelona worden vrouwen expliciet betrokken bij het ontwerp van straten, pleinen en parken. Niet met als doel om daarbij aparte ‘vrouwenroutes’ aan te leggen, maar om de stad als geheel toegankelijker te maken voor iedereen. In Duitsland zijn in sommige parkeergarages zogeheten Frauenparkplätze ingericht: parkeerplekken die zo zijn aangelegd dat de route naar de uitgang of het toezicht korter en overzichtelijker is. In Zweden worden projecten bewust met en voor meisjes ontworpen, omdat zij vaak uit het straatbeeld verdwijnen zodra plekken door één dominante groep worden geclaimd. In de stad Umeå ontstond zo in park Årstidernas een plek genaamd Frizon (vrije zone), een parkdeel dat aantrekkelijker en toegankelijker is voor tienermeiden. Het uitgangspunt is eenvoudig: als je een plek ontwerpt waar meiden willen blijven, wordt dat vaak vanzelf een plek waar meerdere groepen zich thuis voelen.
‘Een meisje van zestien beweegt zich heel anders door de stad dan een volwassen man’
Volgens Brouwer laten de internationale voorbeelden vooral zien dat verbetering vaak zit in creatief denken, niet in grootschalige verbouwingen. ‘Het gaat om het veranderen van je perspectief.’ Denk aan het plaatsen van verlichting. ‘Licht dat van boven komt, plaatst vrouwen letterlijk in de schijnwerper en zorgt ervoor dat zicht op de weg ontbreekt’, zegt Brouwer. ‘Verander dat, experimenteer met lage verlichting, ándere kleuren verlichting. Wees een beetje creatief en durf dingen te proberen.’
Ook zichtlijnen spelen een rol: lage beplanting in plaats van dichte struiken, open hoeken in tunnels, plekken waar je vooruit kunt kijken en achterom. Daarnaast gaat het om de aanwezigheid van mensen. Bankjes, woningen, ramen, openbare functies die ook ’s avonds leven brengen in een gebied. ‘Een pad langs het water hoeft niet onveilig te zijn, maar het wordt dat wel als het volledig losstaat van de rest van de stad.’
Uitproberen
Maar alleen met het verbeteren van veiligheid doe je volgens Brouwer vrouwen tekort. ‘Dan kijk je vooral naar wat er mis kan gaan en niet naar wat er ontbreekt.’ Want een plek waar vrouwen zich veilig voelen, is nog niet automatisch een plek waar ze ook willen zíjn. Die blinde vlek zie je terug in alledaagse voorzieningen. ‘Voor mannen zijn urinoirs op straat gratis en vanzelfsprekend; vrouwen moeten zoeken, betalen of maar hopen dat er ergens nog een toilet open is.’ Hetzelfde zie je terug op speel- en ontmoetingsplekken. Onderzoek laat zien dat meisjes vooral vanaf hun tienerjaren minder buitenspelen dan jongens, en dat speelplekken die vooral draaien om sport en competitie hen structureel buitensluiten. Meisjes zoeken vaker iets anders op zo’n locatie: ze willen een plek waar je kunt zitten en praten, kunt rondhangen zonder doel. Precies dát soort ruimte ontbreekt vaak.
De Dolle Mina’s pleiten voor kleinschalige experimenten in de stad. Samen met bewoners in kaart brengen welke routes vrouwen mijden en op welke momenten, en vervolgens op die plekken tijdelijke ingrepen testen: het anders plaatsen van verlichting, het openmaken van zichtlijnen, het verplaatsen van bankjes of het tijdelijk aanpassen van een route met kunst, andere functies of toezicht. Belangrijk daarbij is het gesprek achteraf: ervaren vrouwen die plek nu anders, blijven ze er of mijden ze deze nog steeds? ‘Niet eindeloos onderzoeken,’ zegt Brouwer, ‘maar gewoon uitproberen wat wel en niet werkt.’

Een meisje van zestien
Dat besef is ook doorgedrongen tot de lokale politiek. In november dienden D66, ChristenUnie, Partij voor het Noorden en Student & Stad een initiatiefvoorstel in waarin zij het college oproepen het perspectief van jonge vrouwen structureel mee te nemen in het ruimtelijk beleid. Binnenkort stemt de gemeenteraad hierover.
Kern van het voorstel is jonge vrouwen letterlijk een plek aan de ontwerptafel te geven. Ruimtelijke ontwerpen moeten worden beoordeeld door de ogen van een zestienjarig meisje: hoe voelt een route als je alleen fietst, hoe overzichtelijk is een tunnel, wat zie je – en wat juist niet – wanneer het begint te schemeren. Ook bestaande ontwerpen moeten langs die meetlat worden gelegd.
‘Een meisje van zestien beweegt zich heel anders door de stad dan een volwassen man’, zegt D66-raadslid Andrea Poelstra-Bos. ‘Zij let op overzicht, op verlichting, op wie er nog meer is.’ Dat perspectief is ook waardevol voor andere groepen in de gemeente. ‘Op plekken waar jonge vrouwen zich veilig en op hun gemak voelen, werkt de ruimte vaak ook beter voor anderen: voor ouderen, voor kinderen, voor mensen die minder zeker zijn op straat. Uiteindelijk willen we dat iedere inwoner zich, op elk moment van de dag, veilig kan verplaatsen en weer thuiskomt.’
Voor Brouwer is het afwachten wat het voorstel oplevert. Maar stil blijven zitten is geen optie. ‘Als dit niet wordt opgepakt,’ zegt ze, ‘dan gaan we met de Dolle Mina’s net zo lang door tot het wél verandert.’
