Iedere vrouw fietst weleens een lang stuk door afgelegen gebied, elke vrouw kijkt weleens over haar schouder. Hoe kunnen we de openbare ruimte zo inrichten dat die prettiger en veiliger wordt? Een architect/stedenbouwkundige, een activist en een hogeschooldocent gaan hierover met elkaar in gesprek. ‘Als ontwerper hoor je verantwoordelijkheid te nemen voor een ruimte waar je zelf misschien nooit meer komt.’

‘Ik fiets hier nu wel, maar wie ziet mij?’ In deze hardop uitgesproken gedachte verwoordt Annika Pool een gevoel dat je kan bekruipen op een verlaten weg, langs sportvelden of kantoorgebouwen, op wegen met sporadisch een huis of met weinig overzicht, met hoge bosjes aan weerskanten, waar je niet makkelijk weg kunt komen als dat nodig is. De docent aan NHL Stenden in Leeuwarden herinnert zich dat ze als jonge vrouw dit soort plekken soms meed.
Dergelijke stille routes kan architect/stedenbouwkundige Annet Ritsema ook wel aanwijzen, op de kaart die achter haar aan de muur hangt. De twee anderen kijken mee in dit online vraaggesprek waarin ze met elkaar van gedachten wisselen. Het fietspad langs P+R Meerstad bijvoorbeeld. Ritsema wijst de plek aan, een parkeerterrein ten oosten van Groningen waar reizigers de auto kunnen achterlaten om met het ov naar de stad te reizen. Een goed initiatief, vindt ze, maar ook een ‘akelige plek’ om ’s avonds langs te fietsen. ‘Het fietspad loopt daar dicht langs het parkeerterrein. Iemand kan zich met de auto verdekt opstellen en kijken wat er langskomt en een fietser gaan volgen.’ Richting Meerstad, bedoelt Ritsema, de woonwijk in ontwikkeling die hemelsbreed twee kilometer verderop begint. ‘Bij nieuwe woonwijken ontbreekt nogal eens een veilige fietsroute. De aanwezigheid daarvan zou juist een voorwaarde moeten zijn.’
‘Als ik weer voordeuren zag,’ gaat Pool verder, ‘zodra er weer ramen waren waarachter licht brandde, voelde ik me veiliger.’ Waar mensen zijn, kortom, reageert Ritsema. Met een vakterm: sociale ogen. ‘Als er omwonenden zijn die je kunnen zien,’ zegt Ritsema, ‘voel je je als passant veiliger. Omgekeerd zal iemand die kwaad in de zin heeft wel twee keer nadenken: hier moet ik maar niets flikken, want straks word ik gesnapt.’

Schijnveiligheid

‘Zijn jullie bekend met de Donkersgang?’, vraagt activist Birgit Eggink. De twintiger weet goed de weg in de binnenstad van Groningen, waar ze studeerde en die ook het decor is van Catcalls of Grunn. Dit Instagramaccount – geïnspireerd door Catcalls of NYC – is een aanklacht tegen straatintimidatie en het naroepen van vrouwen (catcalling), in dit geval dus in Stad. Op de Instagrampagina reposten Eggink en haar medebeheerders verhalen en uitspraken van vrouwen over wat hun is overkomen. In steegjes zijn zichtlijnen belangrijk, weet Eggink. In de Donkersgang die ze als voorbeeld noemt, zitten twee haakse bochten. ‘Je kunt er niet doorheen kijken en dat maakt het eng’, zegt ze. ‘In verstopte hoekjes gebeuren dingen als wildplassen en drugsgebruik. Het helpt als het er schoner en netter is en daarvoor is sociale regie nodig: omwonenden die zich over de ruimte ontfermen. In de Donkersgang zit sinds kort een terrasje. Het is er gezelliger geworden, er hangen lampjes en de horecazaak ruimt het op.’
In het debat over veiligheid voor vrouwen op straat, gaat het nogal eens over het contrast tussen donker en licht, en over licht als vermeende oplossing. Schrijver en journalist Marjolijn van Heemstra, die zich inzet voor het behoud van de nachtelijke duisternis, legde na de moord op de zeventienjarige Lisa bij Abcoude uit dat méér verlichting het niet vanzelf beter of veiliger maakt, terwijl dat wel vaak de visie is van een lokale overheid. Ook dit drietal denkt in die lijn. Meer verlichting biedt schijnveiligheid, vinden Ritsema en Pool. Eggink, met gevoel voor beeldspraak: ‘Het is net een pleister op een schotwond. In bouwplannen, en ik denk dat jullie dat wel herkennen,’ zegt ze tegen de andere twee, ‘ontbreekt vaak input over wat meisjes, vrouwen, maar ook bijvoorbeeld mindervaliden, voor hun veiligheid nodig hebben. Die sociale regie dus. Dat is het onderliggende probleem en daar gebeurt nog te weinig mee.’ Ritsema: ‘Extra verlichting kun je makkelijk op het laatste moment nog regelen. Maar werkelijke oplossingen zijn in de planvorming vaak een blinde vlek. Dat komt ook doordat ons vakgebied nog wordt gedomineerd door mannen. Zij kennen zélf meestal niet de onveiligheid die vrouwen ervaren – maar denk ook aan iemand die gay is en meer op zijn hoede moet zijn – en ze zijn zich er vaak niet zo van bewust.’

‘Bij nieuwe woonwijken ontbreekt nogal eens een veilige fietsroute. Dat zou juist een voorwaarde moeten zijn’.

Annet Ritsema is medeoprichter van Specht architectuur en stedenbouw

Meer vrouwelijke studenten

Bij de opleiding Ruimtelijke Ontwikkeling aan de hogeschool NHL Stenden ziet Pool nog altijd een meerderheid aan jongens die voor deze studie kiezen. Ruimtegebruik door vrouwen is daarin geen bijzonder aandachtspunt. Maar, vervolgt ze: ‘We leren onze studenten – jongens, meiden of hoe je je ook maar identificeert – om álle gebruikers in beeld te brengen: wie woont daar, wie komt er, waarvoor precies, wat hebben zij nodig? Daar horen vrouwen bij, maar ook jongeren, bedrijven, toeristen, ouderen. Die laatste groep is kwetsbaar doordat ze doorgaans minder snel de straat oversteken. Voor hen kun je denken aan een straatontwerp met een middengeleider, waar ze even kunnen wachten.’ Pool en haar collega’s leren studenten om dit soort behoeften van gebruikers uit te splitsen. ‘Daarbij kun je zo ver gaan als je wilt. Van onze afstudeerders verwachten we dat ze in staat zijn op die manier de perspectieven van de gebruikers mee te nemen.’
De studenten zijn vaak gekoppeld aan werkelijke opdrachtgevers – zoals het architectenbureau van Ritsema – zodat ze zo realistisch mogelijk ervaring opdoen. Ze raken vertrouwd met een zogenoemde schouw om inzicht te krijgen in hoe burgers zich gedragen in een ruimte. Ze observeren en interviewen, en leren gestructureerd en breed informatie te verzamelen en zo tot hun onderbouwing te komen, aldus Pool.
De hogeschool doet ondertussen haar best om meer vrouwelijke studenten te trekken, met open dagen en via sociale media. Pool: ‘Ook de profielkeuze op de middelbare school is geen beperking meer. Alle profielen geven inmiddels toelating, ook Cultuur & Maatschappij. Met het ontwerpen dat erbij hoort – tekenen, maquettes maken – en het bevragen van bewoners is het ook een creatieve, sociale opleiding. Dat past juist prima bij meisjes en vrouwen.’ In het gespreksscherm verschijnt daarop dan weer een digitaal opgestoken handje van Eggink: ‘Heel nobel natuurlijk om de opleiding meer op vrouwelijke studenten te marketen. Maar de insteek gaat wel uit van genderrollen die ter discussie zijn komen te staan, dat mannen zogenaamd technisch zijn en vrouwen zogenaamd creatief. Dat bevestig je hiermee mogelijk juist weer.’

Veranda’s en pergola’s

In het westen van de stad Groningen verrijst de komende jaren De Nieuwe Held, een gezinswijk met ruimte voor groen, waar Ritsema aan meewerkt. De ontwikkelaars die bij dit project aan tafel zitten zijn kort gezegd ‘de mannen van de bouwbedrijven’. Daar moeten Ritsema en collega’s hun argumenten soms kracht bijzetten, vertelt ze. ‘We willen bijvoorbeeld geen blinde kopgevels, maar gevelopeningen. Die bieden een doorkijk of doorgang naar het groen: ruimte voor sociale ogen. Dat hebben we gelukkig weten vast te leggen, want er ontstond toch discussie over. Een van de ontwikkelaars wierp tegen dat gevelopeningen duurder en moeilijker zijn om te bouwen en daarom stelde hij voor om er “nepramen” van te maken.’ Ritsema is nauwelijks uitgesproken of er klinkt een lachje bij Pool en Eggink. Dat is een schijnoplossing, concludeert het drietal. Als een woning direct aan de openbare ruimte grenst, moet er wel voldoende privacy zijn, erkent Ritsema. ‘Anders is het niet prettig wonen. En als een bewoner vervolgens altijd de gordijnen dichttrekt, dan helpt het natuurlijk ook niet.’ In De Nieuwe Held moeten ook elementen als pergola’s en veranda’s bewoners uitnodigen tot meer sociale interactie.
De ervaring van Ritsema aan de overlegtafel komt op activist Eggink over als een ‘stapel’ van belemmeringen: ‘Allereerst zijn er maar weinig betrokkenen die sociale veiligheid aankaarten. Als de kosten dan ook nog een hobbel zijn, komt er geen draagvlak, terwijl de publieke ruimte van iedereen is. Iedereen moet zich daar fijn in kunnen bewegen. Bij veiligheid voor vrouwen heb je het sowieso al over de helft van de bevolking.’ Dat er soms een dwingend kader met afspraken nodig is om professionals überhaupt hiermee bezig te laten zijn, vindt Eggink ‘heel jammer’. ‘Ik zie dan vooral gebrek aan empathie en een desinteresse in de mensen voor wie je iets bouwt.’ Pool reageert optimistischer, en pragmatisch. ‘In de zoektocht naar een compromis kun je deze punten inzetten als wisselgeld: dan doe je iets anders niet, maar dít per se wel. Dat werkt soms ook.’

‘Meer verlichting is net een pleister op een schotwond’

Birgit Eggink is beheerder van het Instagramaccount Catcalls of Grunn, dat seksuele straatintimidatie in de stad Groningen zichtbaar maakt

Ontzettend machtig

Ernstig seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes vindt veel vaker plaats in de thuisomgeving dan in de openbare ruimte door een wildvreemde, zoals traumadeskundige Iva Bicanic nuanceerde na de moord op Lisa bij Abcoude. Angst kan onterecht zijn of gebaseerd op eigen indrukken en vooroordelen, op racisme. En als Pool foto’s van de jaren 60-wijk waarin ze opgroeide laat zien aan haar studenten, dan kijken ze daar wat argwanend naar, terwijl Pool vooral terugdenkt aan buitenspelen op de veldjes en blikspuit. Wat Eggink uit de doeken doet over de binnenstad van Groningen, illustreert niettemin wat vrouwen op dagelijkse basis te incasseren krijgen. Met Catcalls of Grunn loopt Eggink jaarlijks tijdens Orange the World – actiedagen van de VN omtrent geweld tegen vrouwen – een schouw door de stad langs plekken waar het misgaat, samen met professionals van de gemeente en de politie. De nieuwe Kattenbrug bijvoorbeeld, naast het uitgaansgebied, is volgens Eggink zo’n ‘hotspot’. ‘Wandelaars, fietsers en auto’s komen daar samen. Dankzij die brug is er een makkelijke vluchtroute, nadat inzittenden van auto’s iemand hebben nageroepen of er handen vanuit auto’s op billen hebben geslagen. Auto’s reden er al rondjes, en nu kan dat rondje nog korter. We horen veel verhalen van meiden die vertellen: “En ze reden heel snel weg over die brug.”’
Ritsema knikt: ‘Ook bij P+R Meerstad is er interactie tussen auto’s en fietsers die je liever wilt voorkomen, bijvoorbeeld met vrijliggende fietspaden. Want in een auto voelen mensen zich ontzettend machtig, en dat zijn ze eigenlijk ook.’ Eggink verwijst onder meer naar kleinschalig Zweeds onderzoek onder fietsers, dat erop lijkt te duiden dat mannelijke automobilisten zich tegenover vrouwelijke fietsers vaker seksistisch gedragen dan tegenover mannelijke fietsers. ‘Ook in het verkeer is gendergerelateerd geweld terug te vinden.’ Studenten van Pool buigen zich geregeld over onderwerpen zoals sluipverkeer. In het verlengde daarvan ziet zij kansen om situaties zoals op de Kattenbrug aan te pakken. ‘Met routing kun je verkeersstromen heel goed sturen.’

‘We leren onze studenten om álle gebruikers van de openbare ruimte in beeld te brengen’

Annika Pool is docent aan de opleiding Ruimtelijke Ontwikkeling aan NHL Stenden in Leeuwarden

Stoepkrijt

Om veiligheid op straat voor vrouwen te agenderen, gingen na de moord op Lisa op verschillende plekken demonstranten op de fiets over straat onder het motto: ‘Wij eisen de nacht op.’ Binnen het bureau van Ritsema kwam de protestactie wel ter sprake, maar in overleggen met derden nog niet. Met studenten heeft Pool het er in haar lessen ook nog niet over gehad. Catcalls of Grunn was ‘natuurlijk’ bij de demonstratie in Groningen aanwezig, vertelt Eggink. Omdat er uitgerekend tijdens het protest een vrouw werd aangerand, liepen ze de route later nogmaals om demonstranten deze en andere gebeurtenissen ‘van zich af te laten krijten’. Met stoepkrijt kunnen slachtoffers hun verhaal kwijt en ‘de openbare ruimte terugpakken’. Het levert ‘communitygevoel’ op, aldus Eggink, en deelnemers omschrijven het als ‘helend’.

Wel merkt de activist dat stoepkrijt een niet zo serieus imago heeft. ‘De gemeente en organisaties die zich bezighouden met stadsontwikkeling vinden ons interessant, maar soms blijft het ook hangen op het niveau van “leuk dat jullie er zijn, we hebben geluisterd”. Daarnaast willen wij nú verandering zien, maar beleid en stadsontwikkeling gaan traag.’ Steden als Groningen zouden wat dit betreft best een voorbeeld kunnen nemen aan Barcelona, stelt Ritsema. ‘Daar hebben ze aan de hand van acties op de korte termijn – straten afsluiten voor auto’s met verplaatsbare bakken met groen – ook oplossingen bedacht voor de langere termijn.’ De weg naar verandering is voorts geplaveid met intensiever contact tussen ontwerpers en omwonenden, met inloopavonden maar ook pizzasessies gericht op jongeren, met gedegen terugkoppeling over keuzes, of in de woorden van Pool: ‘verantwoordelijkheid nemen voor een ruimte die je voor anderen ontwerpt en waar je zelf misschien wel nooit weer komt’. Aan NHL Stenden is momenteel het lectoraat ‘Transitie in de gebouwde omgeving’ in oprichting, waar ook het thema ‘vrouwen en inclusiviteit’ wordt verkend. Dit naar aanleiding van een aangenomen motie in de gemeenteraad van Leeuwarden over de vrouwelijke blik op de ruimte. Op de weg langs P+R Meerstad werd in 2023 een zeventienjarig meisje slachtoffer van een verkrachting. De dader kreeg tien jaar cel, voor meerdere zedendelicten. ‘Het kan dus níét’, was de conclusie van Ritsema over de fietsritjes die haar dochter daar ook maakte van Stad naar huis. Ze benadrukt bondig waar het uiteindelijk om gaat, met instemming van haar twee gesprekspartners: ‘Als je het gevoel van veiligheid niet hebt, dan kun je je nooit helemaal vrij voelen.’