Op een oude foto staat een Aaltje Rispens van zes. Ze heeft een regenjasje aan, of iets soortgelijks, de capuchon op. Achter Aaltje is de zee en de zeedijk in aanbouw – bijna klaar. De foto is genomen op 22 mei 1969. Op 23 mei maakte het laatste ingeschoven dijkblok de Lauwerszee tot het Lauwersmeer. Koningin Juliana verrichtte de openingshandeling, of sluitingsceremonie, net hoe je het wilt zien. Rispens stond die dag met haar vader, moeder en zusje op wat tot dan de zeedijk was. Ze herinnert zich dat de scheepstoeters klonken, allemaal tegelijk. Een intens geluid. Het was emotioneel, weet ze ook nog.

‘We waren blij en opgelucht: toen waren we veilig.’ Nu is het vrijdag, januari 2019, en gebruiken Aaltje en haar man Siebe van der Ploeg de broodmaaltijd in hun van al het eigentijds gemak voorziene keuken. Buiten, een paar honderd meter naar het noordoosten, loopt de dijk waarop de familie Rispens destijds stond te kijken – nu een binnendijk. Een stukje ervan is van Aaltje en Siebe. Ze houden er schapen op, veel anders kun je niet met een dijk. Hun boerderij ligt in Kollumerpomp, aan de zuidkant van het Lauwersmeer. Het bedrijf heeft twee locaties. Op de boerderij waar Aaltje opgroeide, via de weg hier een kilometer vandaan, fokt Van der Ploeg met hun zoon leghennen. Op 85 hectare grond verbouwen ze tarwe, uien en suikerbieten. Ze verhuren land voor de pootaardappelteelt.

Haar vader heeft nog meegemaakt dat de zee over de dijk kwam. De grond was jaren onbruikbaar. De schapen liepen voor 1969 buitendijks. Ze werden bij tijden verrast door de zee. Vader vertelde hoe hij schapen uit zee redde, of dat probeerde. Dat was niet zonder gevaar. Een buurman, vastgezogen in het slik, werd ternauwernood gered. Buitendijks heb je putgaten waarin een mens kopje-onder gaat.

Het gebied ligt op de grens tussen Friesland en Groningen. Hier wordt geen Fries gesproken. In Kollum, tien kilometer naar het westen, spreken ze Stadsfries. Pompsters neigt naar Gronings. Aaltjes vader was in Friesland een Groninger en in Groningen een Fries. Alle Rispensen zijn (verre) familie van elkaar, er woont een garnalenvisser met die naam in Zoutkamp. Van der Ploeg komt uit Koudum, Súdwest-Fryslân. Het sentiment rond de afsluiting van de binnenzee was aan de Friese kant anders dan aan de Groningse. Die emotie gaat tot de dag van vandaag mee, verdeelt zich overeenkomstig rond kwesties van natuurbeheer en water. De Lauwerszee was een zak, zegt Rispens, bij noordenwind kon het water alleen deze kant op. Aan Groninger zijde ligt het land hoger. Friesland heeft eerder last van verzilting, meer last van het water in het algemeen.

Haar vader heeft nog meebetaald aan de inpoldering. Hij was een boer, met een boerenkijk op de dijk. Maar Oostmahorn en Zoutkamp zijn van zeehavens binnenhavens geworden, later recreatiehavens, een stap lager in de nautische orde. De vloot ging naar Lauwersoog, de overgebleven vissers moesten met de auto naar hun boot. Ook vandaag zijn er nog die de dijk hartgrondig vervloeken.

 

Op de keukentafel ligt een kaartje van het Lauwersmeer, het gebiedsgebruik in kleuren: water, recreatie, natuur, landbouw. De militairen rechts bovenin. ‘In mijn beleving liggen de functies op hun goeie plek’, zegt Rispens. Defensie een derde, landbouw een derde, natuur (inclusief natuurvertier) een derde, ongeveer zoals het bij de opzet van het gebied de bedoeling was. Zoom je uit, dan heeft de landbouw een groter aandeel.

De combinatie landbouw en natuur is zoals bekend een lastige. Pleitbezorgers van natuur willen een hoger grondwaterpeil, zout water binnenlaten, ‘natuurlijke dynamiek’. De boeren willen ‘droge voeten’, een bodem stevig genoeg om hun machines te dragen. Zoet water. ‘Als het te zout is plakken de kleideeltjes aan elkaar. Dan krijg je stopverf, daar wil niks groeien. Ook het zilte spul heeft zoet water nodig. Mensen denken daar te gemakkelijk over.’

Landbouw en landschap wringen ook, in toenemende mate. Vroeger genoot de boer respect als brenger van ons dagelijks brood. Nu we genoeg te eten hebben, kunnen we de producenten ervan kritischer bekijken. Het boerenland verschraalt, zien we, voor het oog en op het gebied van de biodiversiteit. Dat doet ons pijn. Boeren hebben het gevoel dat ze zich constant moeten verdedigen, zegt Rispens. ‘Het is makkelijk oordelen over een ander.’ Zij moeten de bank tevreden houden, de rekeningen betalen. ‘Het begint met het feit dat je iets wilt verdienen.’ Daarvoor zijn grootschaligheid en rationalisatie nodig, gruwelen in natuur- en landschapskringen.

‘Een boer verhuist niet.’ De enige mogelijkheid tot verandering, vooruitgang, is uitbreiden ter plekke. Rispens’ betrokkenheid bij de omgeving uit zich in tal van bestuurs- en nevenfuncties. Vroeger bij de rijvereniging (paarden), de Agrarische Jongeren en de AVEBE-jongerenraad. Tegenwoordig bij een aardappelplatform, twee ‘proefboerderijen’ en Dorpsbelang Kollumerpomp (voorzitter). Maar vooral, twintig jaar lang, bij het waterschap.

Water is van levensbelang, niet alleen voor een boer in de polder. Dat er water uit de kraan komt en we de wc kunnen doortrekken, vinden we vanzelfsprekend, net als onze ‘droge voeten’. Dat is het niet. ‘De natuur is heel krachtig.’ De zeespiegel stijgt. Water moet de polder in en uit kunnen, bij overvloedige regenval, of extreme droogte zoals vorig jaar. Er zijn goede gemalen nodig, en bredere vaarwegen, om op te vangen wat er valt.

In het gezin Rispens was het vroeger belangrijk dat het anderen ook goed ging, er golden uit degelijke, ouderwetse boerendeugd voortkomende normen en waarden. Vader had twee dochters ‘en dus geen opvolger’. Maar Aaltje vond de boerderij geweldig. De vrijheid van het boerenleven. Terwijl een boer nooit vrij is. ‘Vader had migraine. Toen hij stopte, had hij geen migraine meer.’ Op het land van Rispens en Van der Ploeg komen wind en regen neer, zon, sneeuw en maatschappelijke druk. Boeren moeten ‘natuurinclusief’ gaan werken: bloeiende randen en waterkanten, kruiden en bloemen tussen het gewas. Minder ‘gewasbeschermer’, de bodem voeden met groen. Bodem en klimaat maken Noord-Nederland uitermate geschikt voor akkerbouw. Het is een bijna heilige plicht om eruit te halen wat erin zit. ‘Maar wel zo dat de bodem gezond blijft.’ De grond moet nog langer mee.

Haar man is naar hun zoon op de kippenfarm. Rispens toont hun boerderij, hun erf. Aaltje is niet groot, maar alles om haar heen wel. Haar paarden, nu op stal, de reuze tractors in de schuur, drie, vier stuks, de combine, de kiepwagen, de ploeg met scharen zo groot als een mens. Aaltje in Kollumerland. Naast de boerderij groeit wintertarwe. Al het omliggende land, bijna zover je kunt kijken, is van hen.

Zij is van 1963, het jaar van de meest barre Elfstedentocht aller tijden. Het klimaat verandert, het boerenbedrijf ook. De maatschap Van der Ploeg-Rispens boert door. Aaltje en Siebe hebben een dochter van 24. Die wordt geen boer. Hun zoon, op die boerderij daar verderop, waar Siebe heen is, is 26. Die staat pas aan het begin.