De polderkoorts ligt altijd op de loer

Van tijd tot tijd breekt in Nederland een besmettelijk virus uit. Liefhebbers van het Lauwersmeer kunnen maar beter alert zijn op de symptomen.

TEKST
Emiel Hakkenes

De geschiedschrijving haalt soms vreemde streken uit. Neem 1918. Dat is de boeken ingegaan als het jaar waarin de Eerste Wereldoorlog eindigde, het jaar waarin keizer Wilhelm zijn toevlucht zocht in Nederland en zijn zoon, de kroonprins, werd geinterneerd op het eiland Wieringen in de Zuiderzee.

Maar 1918 zou evengoed herinnerd kunnen worden als het jaar van grote ziekte-uitbraken. Zo eiste te midden van het wapengekletter de Spaanse griep 20 tot wellicht 100 miljoen slachtoffers – een veelvoud van de gevallenen in de loopgraven. Maar in de geschiedschrijving legt de stille griep het af tegen de knallende kanonnen.

Datzelfde geldt voor een ander besmettelijk virus, dat in 1918 in Nederland epidemische proporties aannam. Hoevelen de aandoening onder de leden hadden, bleek duidelijk op dinsdag 21 maart. Duitsland had die dag Operatie Michael ingezet, een lenteoffensief om op te rukken naar Parijs. Op datzelfde moment voerde de Tweede Kamer in Den Haag een debat over de ‘Wet tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee’. Dat de Kamer deze wet, het geesteskind van minister Cornelis Lely, aannam zonder dat een hoofdelijke stemming nodig was, maakt duidelijk dat een oer-Hollandse ziekte weer was uitgebroken: polderkoorts, ofwel de diepe drang om water te veranderen in land.

Tussen het griepvirus en de polderkoorts bestaan vele overeenkomsten. Zo geldt voor beide dat het pas tot een uitbraak komt als er voldoende mensen vatbaar voor zijn. Terwijl de ziekte om zich heen grijpt, begint de zoektocht naar de eerste patient, de bron van besmetting.Vervolgens bereikt de ziekte een hoogtepunt, om daarna in ernst en omvang af te nemen, totdat er alleen nog postvirale vermoeidheid resteert. Ogenschijnlijk is de ziekte dan verdwenen, maar niets is minder waar. Voor griep en polderkoorts geldt: het is een kwestie van wachten op een volgende uitbraak.
De Spaanse griep begon vermoedelijk onder rekruten van het Amerikaanse leger. Via de soldaten, die vanuit een legerkamp in Kansas werden uitgezonden naar Europa, verspreidde het virus zich binnen een jaar over de wereld.

De Nederlandse polderkoorts kende een langere incubatietijd. De massale uitbraak van 1918 was twee jaar eerder op kleine schaal begonnen, om precies te zijn op 13 januari 1916. Die donderdagavond kwam het water van de Zuiderzee in hoge golven op de kust af. Het stormde al een paar dagen, maar nu wakkerde de wind aan tot ruim honderd kilometer per uur. ‘ Bulderend kwam hij uit het Noordwesten’, schreef het Nunspeets Nieuws- en Advertentieblad, ‘zwiepend al wat buigen wil, losrukkend wat zijn kracht niet kon weerstaan, opstuwend met onheilspellend geweld, de wateren, die wal en dijken beklotsten.’ Van Kampen tot Den Helder troffen dijkdoorbraken en overstromingen de Zuiderzeekust. Op het eiland Marken vielen zestien doden.
Behalve dijken brak de watersnood ook een mentale weerstand: dit mocht nooit meer gebeuren, de Zuiderzee moest dicht, het water moest land worden. De polderkoorts brak uit.

Wie bracht nu het virus in omloop? In het Amerikaanse legerkamp werd achteraf een kok, Albert Gilchell, geidentificeerd als de eerste patient met Spaanse griep. Vanaf de boerderij van zijn ouders zou hij het virus, dat van vogels op mensen kan overslaan, hebben meegebracht.
Als eerste polderkoortspatient is Gerard Vissering aan te wijzen.Hij genoot bekendheid als president van De Nederlandsche Bank, maar hij was ook voorzitter van de Zuiderzeevereniging, een lobbyclub avant la lettre en een ware haard van polderkoorts. De vereniging verkondigde dat de Zuiderzee afsluiten en inpolderen ons kleine land in den vreemde meer respect zou opleveren dan een leger van bajonetten en een vloot van pantserschepen. ‘En als dan onze jeugdige koningin aan vreemde vorsten de nieuwe provincie zal kunnen tonen, zal zij daardoor eerbied afdwingen en onze nationale roem verhogen.’   ‘

Hoezeer Gerard Vissering door de polderkoorts was bevangen, bleek na de watersnood van 1916. Terwijl minister Lely van Waterstaat per boot de schade opnam, schreef Vissering een ingezonden stuk in het Algemeen Handelsblad. Het liet zich, oneerbiedig gezegd, samenvatten in de retorische vraag: hebben jullie nu je zin? Want, schreef hij, een groep van ‘intellectuele en ondernemende mannen’ wees Nederland al jaren op de noodzaak de Zuiderzee in te polderen. Maar de urgentie daarvan wilde maar niet doordringen: ‘Men gevoelde niet de dringende noodzaak om als verdediging tegen de woedende baren onverwijld dit werk te ondernemen.’ En nu, vervolgde Vissering, was plotseling deze grote ramp gekomen, die onnoemelijke schade had toegebracht aan de welvarende provincies rondom de Zuiderzee. ‘Is die ramp dan inderdaad nodig geweest om ook in deze zaak weder ons land wakker te schudden?’

Het had er alle schijn van, want plotseling verspreidde de polderkoorts zich razendsnel over pers en politiek.Minister Lely kon zijn Zuiderzeewet probleemloos door de Kamer loodsen.

Het hoogtepunt van de Spaanse griep was in november 1918. De oorlog was voorbij, soldaten keerden terug naar hun thuisfront – dat ze prompt besmetten. Naar schatting een vijfde van de wereldbevolking werd ziek en miljoenen mensen stierven. Maar na een jaar was de griep voorbij. De polderkoorts bleef na zijn grote uitbraak in 1918 gestaag om zich heen grijpen, om uiteindelijk in mei 1932 tot een climax te komen. Die maand zou de Zuiderzee definitief worden afgesloten. De Afsluitdijk, waaraan bijna twaalf jaar was gewerkt, naderde zijn voltooiing. Het poldervirus woedde in krantenkolommen in binnen- en buitenland. Het Franse dagblad L’Ouest-Éclair schreef bewonderend: ‘Dit is een goed voorbeeld van territoriale uitbreiding, het creeren van nieuwe rijkdom die geen traan of een druppel bloed heeft gekost. Het grote vreedzame werk vereiste doorzettingsvermogen maar zal uiteindelijk meer opleveren dan het heeft gekost.’ De Nederlandse kranten publiceerden in de laatste weken dat de Zuiderzee bestond bijna vierhonderd artikelen over de nieuwe Afsluitdijk. Namens De Spiegel was K. Norel aanwezig bij het dichten van de dijk. ‘De lui van de Zuiderzeewerken vierden de overwinning van wetenschap en volharding met champagne en piepkuikens’, schreef hij, ‘en wij, mannen van de krant, vierden dat feest met vreugde mee.’

Net als de Spaanse griep nam de polderkoorts na enige tijd in hevigheid af. Het ging geleidelijk. Want in de jaren vijftig leken nog alle voorwaarden aanwezig voor een opleving van het virus. Een nieuwe watersnoodramp, in 1953, deed de koorts opvlammen: de Zeeuwse zeegaten zouden dicht moeten, net als de Lauwerszee. En waarom dan niet meteen het Wad inpolderen? In plaats van bestaande zeedijken op deltahoogte te brengen, redeneerde de provincie Friesland, zou je ook twee dammen naar Ameland kunnen bouwen en het gebied ertussen droogpompen. Het plan werd in 1965 gelanceerd, met alle nadruk op de voordelen: het zou veel nieuwe landbouwgrond opleveren, bood ruimte voor recreatie en maakte Ameland via de weg en het spoor bereikbaar. In de Bosatlas van de Wadden, die vorig jaar verscheen, staat een kaartje van het plan: vanuit Leeuwarden lopen naar het noorden twee dikke stippellijnen die ‘hoofdverkeerswegen’ voorstellen. De westelijke route loopt via Stiens naar Ballum, de oostelijke via Dokkum en Ternaard naar Buren. Het Dantziggat is per auto over te steken.

Het plan ging niet door, omdat sleutelfiguren inmiddels leden aan een vorm van postvirale vermoeidheid: ze hadden de polderkoorts twintig, dertig jaar eerder al doorgemaakt en nu hielden ze het virus liever buiten de deur. Dat viel nog niet mee, beschreef Jelle Zijlstra, oud- Minister van Economische Zaken, in zijn memoires: ‘Eind jaren vijftig kwam het vraagstuk van de indijking van de Lauwerszee aan de orde. De bewoners van het oude land rond die zee voelden zich bedreigd. In de loop van 1959 en begin 1960 kwam de zaak in een stroomversnelling.

Het bekende patroon tekende zich af: actiecomites, vakkundig opgezweepte emoties die de zaak rijp maakten voor de politiek.’ De aanval van de polderkoorts werd goeddeels afgeslagen, al werd de Lauwerszee wel afgesloten, en kregen Lelystad en Almere er met Lauwersoog een stiefbroertje bij. Nederland was tamelijk immuun geworden voor de polderkoorts. Zijlstra: ‘Als de Lauwerszee nu nog open zou zijn en de regering had de euvele moed een voornemen tot afsluiting kenbaar te maken, dan zou het land te klein zijn voor de verontwaardiging. De Vereniging tot behoud van de Waddenzee en misschien zelfs wel de Raad van Kerken zouden emotioneel en vakkundig betogen welke onvervangbare planten, karakteristieke vogelkolonies, garnalencultuur, zeehondenbroedplaatsen en ik weet niet wat al meer door het snode plan onherroepelijk tot verdwijnen zouden zijn gedoemd. En de regering zou het moede hoofd hebben moeten buigen.’

In haar boek over de Spaanse griep schrijft de Britse wetenschapsjournalist Laura Spinney: ‘De meeste experts achten het onvermijdelijk dat zich nog eens een grieppandemie zal voordoen.’ Evenzo duikt de polderkoorts op gezette tijden weer op – juist op plekken waar die voorgoed verdwenen leek. Het beste voorbeeld is het Markermeer. Jarenlang leefde iedereen in de overtuiging dat het water van het meer nooit in land zou veranderen. Daar was een bittere strijd over gevoerd tussen landaanwinners (die lijden aan chronische polderkoorts) en natuurliefhebbers. Maar in 2012 bleek dat de twee partijen het na veertig jaar strijd toch eens waren geworden. Ja, er zou nieuw land uit het water worden geschapen. Maar niet te veel, en ook niet om er te wonen. Het idee kwam van Natuurmonumenten en kreeg de naam ‘Markerwadden’. Een archipel van kleine eilanden moest er komen, waar watervogels zich thuis zouden voelen. Baggeraar Boskalis mocht het idee uitvoeren. Het geld kwam van de Postcodeloterij en de regering deed een flinke financiele bijdrage. Bij de start van het werk – waarvoor Boskalis een sensationeel grote cutterzuiger vanuit het Suezkanaal naar het Markermeer haalde – sprak de directeur van Natuurmonumenten van een ‘geweldig visitekaartje’ voor de natuur en voor de waterbouwers. De staatssecretaris van Milieu, namens de regering aanwezig, vond de Markerwadden ‘uniek’. ‘Niet alleen de technische innovatie, maar ook de organisatie ervan kan straks een belangrijk exportproduct worden.’

De Markerwadden bleken bij uitstek een symptoom van polderkoorts. Zelfs de koning leek er vatbaar voor. Op een voorjaarsmiddag in 2017 stapte hij rond over het nieuwste stukje van zijn koninkrijk, met suede schoenen in het mulle zand. Aan de directeur van Natuurmonumenten stelde de koning de ene vraag na de andere, geinteresseerd, kundig en kritisch. Hij vroeg wanneer het project Markerwadden geslaagd zou zijn. Wat moest er concreet bereikt worden? ‘Dat de kroeskoppelikaan hier straks zit’, antwoordde de directeur. Had de koning dezelfde vraag gesteld aan Cornelis Lely, dan had die geantwoord: ‘Dat het koren hier straks wuift.’
De drang om land uit water te maken was niet verminderd, alleen werden er nu andere woorden aan gegeven dan een eeuw eerder. En de ware ziektekiem was nog altijd: de hang naar aanzien in het buitenland.
Het Kamerlid Tjeerd de Groot van D66 maakte begin dit jaar kennis met de Markerwadden. Hij begon bijna te ijlen van polderkoorts. ‘Wat een gaaf gezicht, de Markerwadden!’, twitterde hij. ‘Zou het niet mooi zijn een serie van deze eilanden aan te leggen en zo de kwaliteit van de natuur te verbeteren, de waterberging te versterken en de kwaliteit van het water te verhogen?’

‘De waterberging versterken’ en ‘de kwaliteit van de natuur verbeteren’ – het zijn woorden die de kenners van het Lauwersmeer bekend kunnen voorkomen. Rondom het meer worden tot 2020 de waterkeringen verhoogd en verbreed. Dat is noodzakelijk en onvermijdelijk.Maar de geschiedenis van de polderkoorts in Nederland leert dat er op een dag mensen kunnen opstaan die bevangen zijn door de gedachte dat het water tussen Groningen en Friesland land moet worden. De acute koorts van Gerard Vissering in 1916 is geevolueerd tot een variant van het virus die gepaard gaat met verschijnselen als ‘vooroevers’, ‘vogeleilanden’ en ‘natuurverbetering’. De polderkoorts is nooit ver weg, en Nederland is er allesbehalve immuun voor. Degenen die het Lauwersmeer lief is, kunnen maar beter alert zijn op de symptomen.

 

Door waterbeheer geschapen, tot natuur gelaten.’

 

Emiel Hakkenes (Assen, 1977) is journalist bij Trouw en schrijver.

Hij publiceerde onder meer de boeken God van de gewone mensen (over de geschiedenis van zijn Drents-Groningse familie, 2013) en Polderkoorts (over de inpoldering van de Zuiderzee, 2017). Momenteel werkt hij aan een geschiedschrijving van de gaswinning  ‘Was die ramp nodig om ons wakker te schudden?’