Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).

Ik ben Joost de Ruiter (23). Overdag werk ik als tekstschrijver, maar ’s avonds sta ik regelmatig op de planken: ik ben amateuracteur. In mijn theater – het Shakespearetheater in Diever – zitten de zalen iedere zomer vol. Voor mij is toneelspelen de normaalste zaak van de wereld, maar hoe meer ik me verdiep in het amateurtheater van Noord-Nederland, hoe meer me opvalt hoe bijzonder de cultuur is. Ik neem je daarom graag mee in mijn onderzoek naar deze traditie. Ik begin bij het kraambed van ons amateurtheater: de rederijkerskamers van Groningen. Waar komen ze vandaan? Wat doen ze? En hoe behouden deze eeuwenoude instituten hun relevantie?

Groningen met een zachte g

“Hoe noemt ge die bruggekes ook alweer?”, wil de man naast me weten. Ik moet even schakelen, iemand met een Vlaams accent in het noorden van Groningen is een vreemde gewaarwording voor me. Ik zit in een tourbus van het 36ste Internationale Rederijkerscongres, mijn buurman is hier niet de enige Belg. Het toeval wil namelijk dat rederijkers alleen nog in Groningen en Vlaanderen actief zijn. Dit jaar organiseert de koepelvereniging van de Groninger rederijkers het congres, de Belgen zijn te gast en krijgen een tour door de provincie.

“Onder Napoleon moesten kamers de teksten die ze voordroegen laten censureren.”

De man naast me legt desgevraagd uit wat rederijkers zijn: “Mensen die in zogeheten rederijkerskamers bijeenkomen om elkaar poëzie en proza voor te dragen.” Hij heet Willy Demeyer en is directeur – voorman, noemen ze dat daar – van een van de drie rederijkerskamers van Brugge. “De meeste kamers in België stammen uit het verre verleden, rond 1420 zagen de eerste het daglicht. Ze speelden een belangrijke rol in de literaire ontwikkeling van de stad,” zo legt hij uit. “Ze brachten de dichtkunst tot leven.” Demeyer vindt het fascinerend. “Onder Napoleon moesten kamers de teksten die ze voordroegen laten censureren. Het laat de kracht van het woord zien.”

Tegenwoordig zijn rederijkerskamers gezelligheidsverenigingen die vooral in Groningen en Vlaanderen actief zijn, Groningen telt zelfs nog twaalf kamers. Maar hoe enthousiast Demeyer ook is over de rederijkerij, hij is somber over haar toekomst. “Kijk maar naar de gemiddelde leeftijd in deze bus, die is rond de zestig,” verzucht hij. “Het voelt goed om onze cultuur in leven te houden, maar of het zin heeft weet ik niet. Slechts een handvol kamers in België houdt zich nog bezig met traditionele rederijkers-activiteiten.”

Groningse en Vlaamse rederijkers bij de Menkemaborg in Uithuizen

Enkele rijen voor Demeyer zit Anneke Jintes, ze is erelid van Eendracht, de rederijkerskamer in Zuidhorn. Ze legt me uit dat de situatie voor rederijkers in Groningen al even precair is als die in België, ook zij haalt ter illustratie daarvan de gemiddelde leeftijd van haar reisgezelschap aan. Ze is er vandaag alleen bij voor de gezelligheid, vertelt ze, want onlangs is ze gestopt met haar activiteiten bij Eendracht. “Ik ben 77, het is tijd voor nieuw bloed. Maar ik vraag me af of dat nog komen gaat.”

De touringcar komt tot stilstand bij de Menkemaborg in Uithuizen, de inzittende rederijkers krijgen er een rondleiding. Terwijl de Belgen de provincie verder verkennen, besluit ik afscheid te nemen om mijn zoektocht naar deze bijzondere Groninger traditie te vervolgen.

Traditie

Ik ben nieuwsgierig geraakt naar hoe zo’n rederijkersbijeenkomst er uit ziet, daarom breng ik een bezoek aan Eendracht in Zuidhorn, de kamer waar Jintes me over vertelde. Om de twee weken komt die vereniging bij elkaar.

Op een vrijdagavond heeft een groep van pak hem beet twintig man – normaal gesproken zijn het er meer, begrijp ik van de leden die er wel zijn – zich verzameld op een broeierige bovenkamer. De gemiddelde leeftijd ligt hoog, net als in de tourbus. Boven de vijftig in ieder geval.

Als ik binnenkom staat een enthousiaste dame van middelbare leeftijd – haar blouse is van dezelfde lichtblauwe kleur als haar ketting – op het punt om van wal te steken. Van het bestuur heeft ze de opdracht gekregen drie minuten over het onderwerp Groningen te praten. Dat is ter bevordering van haar welbespraaktheid, zo begrijp ik. Ook dat is een onderdeel van de Groninger rederijkerij. Na afloop van haar improvisatie – ze vertelt over haar liefde voor de provincie maar haar afkeer van de stad – geven twee dames uit het publiek commentaar. “Je hebt goed contact met de zaal,” leest de een van haar bloknootje. “Als je spreekt, dan luisteren wij,” prijst de ander. “Een typische avond in een rederijkerskamer,” vertelt Herry Cornelius. “Iemand heeft een beurt, twee anderen geven kritiek.”

“De Belgen brachten de rederijkerij naar Nederland, maar niet naar Groningen,”

Cornelius is een van de aanwezige leden bij Eendracht. Vanavond levert hij zelf geen bijdrage, daardoor heeft hij tijd om me een geschiedenislesje te geven. “De Belgen brachten de rederijkerij naar Nederland, maar niet naar Groningen,” vertelt hij. “In de zeventiende eeuw bleven ze in Utrecht en Noord-Holland hangen. Pas tweehonderd jaar later stichtten rijke handelslieden en boeren hier rederijkerskamers. Niet vanwege hun interesse in literatuur en poëzie zoals de Belgen, maar omdat ze hun Nederlands wilden verbeteren. De dialectsprekende Groninger elite dacht door elkaar teksten voor te dragen het ABN beter onder de knie te krijgen. Uiteindelijk moest men zo ook in het westen van het land zijn mannetje kunnen staan. De Groningers gingen zich erdoor wel verdiepen in bijvoorbeeld literatuur, daardoor hebben rederijkerskamers enorm bijgedragen aan de culturele ontwikkeling van de regio.”

Vlotte PowerPoint: Wolkom yn Fryslân

Na de pauze houden twee heren een spreekbeurt over Friesland, ze hebben een vlotte PowerPoint meegebracht. De Friese geschiedenis, cultuur en taal passeren een voor een de revue, andere leden hebben gedichten en stukken proza voorbereid waarmee ze de presentatie op relevante momenten aanvullen. Even waan ik me terug op de basisschool, alhoewel de spreekbeurten van mijn klasgenootjes over hamsters destijds lang niet zo informatief waren.

Op het oog lijkt de rederijkerij vanavond nog springlevend, maar dat is gezichtsbedrog, vertelt Cornelius me. “Traditionele rederijkerskamers zijn aan het uitsterven, dat kun je wel stellen.”

Anders: toneel

Inmiddels ontstaat er een duidelijk beeld over de rederijkerskamers van Groningen, toch? In een ver verleden waren ze belangrijk voor de maatschappelijke en culturele ontwikkeling van de regio, maar de traditionele rederijkerij loopt op haar laatste benen. Je krijgt de indruk dat de overgebleven verenigingen over een paar jaar slechts een herinnering uit het verleden zullen zijn.

Terwijl ik het opschrijf, weet ik gelukkig al beter. Dat komt deels omdat Herry Cornelius me niet alleen een doemscenario voorhield, hij vertelde me ook dat het Eendracht zo nu en dan nog steeds lukt om jongeren te interesseren voor de vereniging. “Die komen vooral af op onze toneeltak.”

“Vijf van de twaalf kamers zijn tegenwoordig toneelverenigingen. Sommige daarvan behoren tot de modernste toneelgroepen van de provincie!”

Toneel blijkt de uitkomst voor meer Groninger rederijkerskamers, legt Ben Smit me uit. Van 1992 tot 2012 was hij als theateradviseur in dienst van het Kunstencentrum in Groningen. Hij vertelt over het rederijkerslandschap anno 2019. “Vijf van de twaalf kamers zijn tegenwoordig toneelverenigingen. Sommige daarvan behoren tot de modernste toneelgroepen van de provincie!” Smit tipt me IOVIVAT, de kamer van Garnwerd, zo nu en dan regisseert hij bij die vereniging. “Als ik iets nieuws wil uitproberen, dan probeer ik dat in Garnwerd.” Smit kan zo gauw geen woorden vinden om IOVIVAT te beschrijven, wellicht schieten de theatertechnische termen tekort. Ik moet er maar gewoon gaan kijken, vindt hij.

Op advies van Smit rij ik dus naar Oostum – een buurtschapje ten zuiden van Garnwerd – voor een bijeenkomst van IOVIVAT. In de avondzon tref ik er twee huizen en een kerk aan, verstopt achter bomen en struikgewas. In het gebedshuis zijn de leden van de rederijkerskamer druk aan het repeteren, als ze klaar zijn neem ik met regisseur Renate van den Broek plaats op een kerkbankje. Ze legt uit dat IOVIVAT het “anders” aanpakt. Ze lezen elkaar hier al lang niet meer poëzie en proza voor zoals dat in Zuidhorn gebeurt, maar spelen alleen nog maar toneel.

Dit jaar speelt de vereniging geen gewoon toneelstuk, maar losse sketches die door één steeds terugkerende protagonist samenhang krijgen. Niet geheel toevallig heet het stuk Anders. Van den Broek legt uit dat de naam aan de vernieuwingsgezindheid van de vereniging refereert. “In 1982 koos IOVIVAT voor het eerst niet voor een klucht maar voor een uitdagend toneelstuk, ook het inschakelen van een regisseur van buiten was nieuw voor de vereniging. IOVIVAT ging kortom toen al iets anders doen, bijna veertig jaar later willen we dat opnieuw benadrukken.” Gezien het moderne theater waar de groep tegenwoordig om bekend staat, is de rederijkerskamer met dingen anders doen nooit gestopt.

Van den Broek moet lachen als ik me hardop afvraag hoe het kan dat men in Garnwerd warmloopt voor experimenteel theater. “De Groninger heeft toch zoiets van: ‘als je gewoon doet, doe je al gek genoeg’?”, leg ik haar voor. Ze geeft toe: “Ik weet niet hoe dat kan. Het publiek komt in ieder geval in groten getale, 750 man bij belangrijke voorstellingen. Sommigen van hen komen uit de stad, maar het overgrote deel komt gewoon uit de regio.”

Sanne Folgerts (links) bij een repetitie van IOVIVAT

Wat me in Oostum verder opvalt is dat – heel anders dan in Zuidhorn en in de tourbus – veel van de aanwezigen jong zijn. “Dat komt doordat IOVIVAT een jeugdopleiding heeft,” vertelt Sanne Folgerts (20). Ze vertolkt in Anders de rol van een dienstmeisje in een rijk Russisch huishouden. We praten op een bankje bij het kerkhof, vanuit het weiland tegenover ons kijken drie nieuwsgierige koeien mee. “We hebben drie jeugdgroepen, verdeeld in verschillende leeftijdscategorieën. Hoeveel jeugdleden we precies hebben weet ik niet, maar het zijn er tientallen. Toen IOVIVAT een paar jaar geleden een wat grotere productie speelde, kreeg ik een rol. Ik voelde me er meteen op m’n gemak en ben blijven hangen, twee jeugdleden die tegelijkertijd met mij instroomden ook.” Folgerts merkt op dat de groep leden uit verschillende generaties heeft, die mix spreekt haar aan. “Het zijn allemaal gezellige mensen, iedereen kent elkaar. Ik kom in m’n eigen wereldje terecht wanneer ik hier binnenstap.”

IOVIVAT kan kortom rekenen op veel publiek en een continue aanwas van jeugdleden, het gaat ze voor de wind. Dat komt allemaal doordat de vereniging het accent op het spelen van toneel heeft gelegd. “Dat zie je tegenwoordig terug bij bijna alle kamers,” vertelt Van den Broek. “Het klassieke rederijkerij-werk doen er niet veel meer, maar met alleen theater maken zijn sommigen erg succesvol.” Ondertussen behouden de kamers wel hun identiteit, want alhoewel leden elkaar in het openbaar geen proza meer voorlezen, zijn het niet zomaar toneelverenigingen. Daarvoor zit de rederijkerij te diep in het DNA van de clubs. Sommige leden van IOVIVAT komen bijvoorbeeld – zij het slechts eens per jaar – nog steeds bijeen om elkaar teksten voor te dragen, ze nemen hun traditie serieus.

Zo ziet de toekomst van de rederijkerskamer in Groningen er plotseling een stuk rooskleuriger uit. Van den Broek glundert: “Wij gaan nog wel even door.”

Volgende maand vervolg ik mijn onderzoek naar het amateurtheater van Noord-Nederland. Ik ga ervoor op bezoek bij de openluchttheaters van Drenthe, daar neem ik de identiteit van amateuracteurs onder de loep. Wie zijn ze en waarom doen ze wat ze doen?

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).

Dit is deel een van een serie. De overige delen staan hier:
Deel twee
Deel drie
Deel vier